Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BC3205

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-12-2007
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
R200701186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Minderjarige belanghebbende niet-ontvankelijk in incidenteel appel tegen verlenging machtiging uithuisplaatsing, nu een referte niet te verenigen is met het instellen van incidenteel appel.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 358
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 361
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/78
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MvO

20 december 2007

Sector Civiel recht

Rekestnummer R200701186

Zaaknummer eerste aanleg 80588 JE RK 07-716

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[de vrouw.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. L.R.G.M. Spronken,

t e g e n

de stichting Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

locatie [locatienaam],

geïntimeerde,

hierna: de stichting.

Belanghebbende is voorts onder meer:

[het kind.],

hierna te noemen: [het kind],

procureur: mr. R.F.W. van Seumeren,

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 1 augustus 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 31 oktober 2007, heeft de vrouw het hof verzocht de eerdergenoemde beschikking te vernietigen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 november 2007, heeft de stichting het hof verzocht de eerdergenoemde beschikking te bekrachtigen.

2.3. Bij schriftuur, genoemd “verweerschrift, tevens schriftuur incidenteel beroep ex artikel 358, lid 5 Rv”, ingekomen ter griffie op 26 november 2007, heeft [het kind] het hof verzocht hem en de vrouw ontvankelijk te verklaren in het door hen ingestelde hoger beroep, de eerdergenoemde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een justitiële jeugdinrichting te vernietigen.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 november 2007. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. R.H.A. Julicher;

- [het kind], bijgestaan door zijn advocaat mr. F.A. Dronkers;

- de belanghebbende, de heer [C.], de vader van [het kind];

- de stichting, vertegenwoordigd door de heer J.J.A.M. Schoonbrood;

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) is correct opgeroepen, doch niet verschenen.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het verweerschrift van de stichting en de schriftuur van [het kind];

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 31 juli 2007;

- de brieven met bijlagen van de procureur van de vrouw d.dis 15 en 21 november 2007;

- het faxbericht van de stichting d.d. 15 november 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Op [geboortejaar] is te [geboorteplaats] de thans nog minderjarige [het kind] (hierna: [het kind]) geboren uit de in 1997 verbroken relatie tussen de vrouw en de heer [C.]. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [het kind].

4.2. [het kind] is sedert juli 2004 onder toezicht gesteld van de stichting. [het kind] verblijft sinds maart 2007 in de justitiële jeugdinrichting Het Keerpunt in Cadier en Keer, aanvankelijk op grond van een strafrechtelijke plaatsing. De kinderrechter te Roermond heeft bij beschikking d.d. 19 juni 2007 de stichting een machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] verleend in een justitiële jeugdinrichting, normaal beveiligd, van 19 juni 2007 tot 4 augustus 2007. Deze civielrechtelijke machtiging is met ingang van 1 augustus 2007 tenuitvoergelegd in Het Keerpunt.

4.3. De stichting heeft op 25 juni 2007 bij de rechtbank een verzoekschrift ingediend, strekkende tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] in een justitiële jeugdinrichting voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 4 augustus 2008. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzochte verlenging wegens de ernstige gedragsproblemen van [het kind] vereist is en heeft het verzoek van de stichting toegewezen.

Van deze beschikking komt de vrouw in hoger beroep.

4.4. In haar beroepschrift stelt de vrouw dat uithuisplaatsing niet aan de orde is omdat nog niet alle middelen zijn aangewend om [het kind] op de goede weg te helpen. Zo is het ITB-project niet gestart, terwijl dit door de raad was geadviseerd en heeft de hulp en ondersteuning, die bij een ondertoezichtstelling horen, niets opgeleverd. Het in 2004 opgelegde reclasseringstoezicht is afgerond zonder dat er ook maar één keer contact met [het kind] is geweest, omdat de stichting deze taak zou vervullen.

De stichting stuurde [het kind] naar de Velddijk, een school voor moeilijk opvoedbare kinderen, dit terwijl de stichting juist had aangegeven dat het risico bestaat dat [het kind] wordt meegezogen in negatief groepsgedrag.

Verder is de vrouw van mening dat een uithuisplaatsing in een gesloten setting een te zwaar middel is als het gaat om een minderjarige met loyaliteitsproblemen als gevolg van de echtscheiding. Zij vindt dat na de misstap van [het kind] te snel is gegrepen naar de maatregel van uithuisplaatsing.

4.5. De stichting vermeldt in het verweerschrift dat de ouders van [het kind] hem, door de onderlinge strijd na hun echtscheiding, niet voldoende hebben kunnen ondersteunen. [het kind] kan de vrijheid die hij heeft gekregen niet aan, om welke reden hij nu gesloten geplaatst is. De samenwerking tussen de stichting en de vrouw is niet tot stand gekomen. De vrouw voert een continue strijd met de stichting.

4.6. In zijn schriftuur stelt [het kind] dat, gelet op het bepaalde in artikel 1:261 BW, telkens onderzocht moet worden of er nog sprake is van ernstige gedragsproblemen en of er een passend alternatief voorhanden is. [het kind] ervaart zijn verblijf in Het Keerpunt als zinloos en prefereert een verblijf bij zijn moeder, gecombineerd met onderwijs bij scholengroep Kristallis en ambulante behandeling.

4.7. Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, overweegt het hof als volgt.

4.7.1. Mr. Dronkers heeft namens [het kind] ter zitting betoogd, dat nu [het kind] als belanghebbende door het hof in de gelegenheid is gesteld om een verweerschrift in te dienen, hij op grond van artikel 358, lid 5 Rv ontvangen kan worden in zijn incidenteel appel.

Het hof stelt voorop dat [het kind] - als gesloten geplaatste minderjarige - het recht had om zelfstandig appel in te stellen tegen de beschikking d.d. 1 augustus 2007. Een minderjarige die in een gesloten justitiële inrichting verblijft, heeft immers op grond van verdragsrechtelijke bepalingen, met name de artikelen 16 en 37 IVRK en artikel 5 EVRM, het recht om zelf- standig het rechtsmiddel van hoger beroep aan te wenden tegen de uitspraak waarop zijn vrijheidsbeneming is gebaseerd.

[het kind] heeft van deze mogelijkheid evenwel binnen de appeltermijn geen gebruik gemaakt.

De moeder van [het kind], de vrouw, heeft wel (tijdig) geappelleerd.

Het is juist dat [het kind] als belanghebbende op grond van het bepaalde in artikel 361, lid 3, Rv de mogelijkheid is geboden om een verweerschrift in te dienen tegen het appelschrift. De strekking van deze bepaling is om degene die het niet eens is met het ingestelde appel de gelegenheid te bieden zich daartegen te verweren. Gezien de inhoud van het door [het kind] ingediende “verweerschrift” is [het kind] het echter niet oneens met de vrouw. Integendeel: hij onderschrijft geheel het standpunt van de vrouw en verzoekt evenals de vrouw vernietiging van de door de rechtbank verleende machtiging tot uithuisplaatsing. Het door hem ingediende “verweerschrift” is daarom geen verweerschrift in de zin van artikel 361, lid 3, Rv en derhalve evenmin in de zin van artikel 358, lid 5, Rv, maar een schriftuur waarin hij het appel van de vrouw ondersteunt. Daarmee neemt hij materieel gezien de positie in van principaal appellant naast de vrouw.

[het kind] kan het feit dat hij de termijn voor principaal appel ongebruikt heeft laten verlopen niet helen door nu, gekoppeld aan een oneigenlijk verweerschrift, incidenteel appel in te stellen.

[het kind] kan dan ook niet ontvangen worden in zijn incidenteel appel.

Overigens is het de vraag welk belang [het kind] zou hebben bij zijn incidenteel appel, nu dit vrijwel gelijkluidend is aan dat van de vrouw, de vrouw haar appel niet heeft ingetrokken en [het kind] bovendien volgens de regels in de gelegenheid is gesteld om ter zitting zijn mening kenbaar te maken.

4.7.2. Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, stelt het hof vast dat [het kind] ernstige gedrags- problemen heeft. Sinds 2003 is [het kind] al vele malen in contact met politie en justitie gekomen, in verband met onder andere mishandeling en diefstal. Van 29 juni 2005 tot 24 december 2005 heeft [het kind] in JJI De Hunnerberg jeugddetentie uitgezeten. Op 3 maart 2007 is hij op heterdaad betrapt bij een inbraak. Onder andere hiervoor is hij op 18 juni 2007 veroordeeld tot zes maanden jeugddetentie. De rechtbank heeft daarbij de voorwaardelijke invrijheidstelling bevolen met ingang van de datum dat [het kind] geplaatst kon worden in een justitiële jeugdinrichting. De Pro Justitia rapportage, opgesteld in het kader van de strafzaak, vermeldt dat er bij [het kind] sprake is van een gedragsstoornis en dat [het kind] over een zwakke impuls-en agressieregulatie beschikt, moeite met regels en gezag heeft en anti-sociale en narcistische kenmerken in zijn persoonlijkheidsontwikkeling vertoont.

Er is sprake van een blijvend neerwaartse spiraal doordat [het kind] weinig verantwoordelijkheidsgevoel heeft en makkelijk wordt meegezogen in negatief groepsgedrag.

[het kind] heeft te kampen met grote loyaliteitsproblemen jegens zijn ouders. Er is onvoldoende samenwerking tussen de vrouw en de stichting alsmede tussen de ouders onderling, met alle negatieve gevolgen van dien. In de thuissituatie bij de vrouw is volgens het rapport sprake van een pedagogisch onmachtig thuismilieu.

4.7.3. Ter zitting heeft [het kind] de bovengenoemde problemen niet betwist. De vrouw heeft ter zitting ook onderkend dat [het kind] problemen heeft, doch zij is van mening dat de huidige plaatsing gezien moet worden als het uitzitten van een straf, omdat [het kind] niet wordt behandeld. [het kind] heeft dit standpunt onderschreven. Uit hetgeen door de stichting naar voren is gebracht, begrijpt het hof echter dat [het kind] sinds begin november 2007 in een behandelgroep verblijft en zich sedert- dien in fase I van de behandeling bevindt. De vrouw heeft ter zitting erkend dat zij niet in staat is [het kind] alleen op te voeden en dat zij, indien zij daar geen hulp bij kan krijgen, voorstander is van een open behandelsetting voor [het kind].

Het hof is van oordeel dat de mogelijkheid van ambulante behandeling of van behandeling in een open setting gepasseerde stations zijn. Een ambulante behandeling zal naar verwachting niet kunnen voorkomen dat [het kind] ’s nachts het huis verlaat en zijn vrienden opzoekt, zoals in het verleden is gebeurd. Het risico dat [het kind] zich aan het toezicht en de behandeling zal onttrekken, acht het hof groot. Gezien de ernstige gedragsproblematiek, die [het kind] ook zelf onderkent, kan het hof niet anders dan aansluiten bij het indicatiebesluit d.d. 30 augustus 2007, waarin wordt gesteld dat de noodzakelijke behandeling van [het kind] slechts in een gesloten setting kan plaatsvinden.

4.7.4. Het hof zal gelet op het voorgaande de beschikking waarvan beroep derhalve bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart [het kind] niet-ontvankelijk in zijn incidenteel appel;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 1 augustus 2007.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Pellis en Everaars-Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 december 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.