Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BC3166

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-12-2007
Datum publicatie
31-01-2008
Zaaknummer
06/00466
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu België reeds heffingsbevoegd is, Nederland dat niet ook kan zijn. Deze klacht, die erop neer komt dat de toepassing van twee stelsels van sociale zekerheid in strijd zou zijn met het EG-recht, faalt, nu de Verordening immers zelf, onder specifieke omstandigheden, deze dubbele heffingsbevoegdheid voorschrijft, of in ieder geval toestaat. Voor zover belanghebbende met zijn klacht zou bedoelen dat aldus een verboden dubbele heffing van premie zou ontstaan, faalt zijn klacht eveneens. Het HvJ EG heeft beslist dat de uit artikel 14 quater, onderdeel b, voortvloeiende dubbele heffing is toegestaan (dan wel niet in strijd is met het EG-Verdrag), indien tenminste de dubbele heffing ook resulteert in een dubbele sociale bescherming (arresten HvJ EG 19 maart 2002, C-393/99, Hervein II, en C-394/99, Lorthiois). In het onderhavige geval betaalt belanghebbende in Nederland en België premie, maar bouwt hij ook in beide landen uitkeringsrechten op (vergelijk ook Hoge Raad 2 juli 1997, nr. 29 332, BNB 1997/309, einduitspraak De Jaeck).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2008/6.12
V-N 2008/26.18 met annotatie van Redactie
FutD 2008-0259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00466

Uitspraak van de vierde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer X,

wonende te Y (België),

hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 6 november 2006, nummer 05/3858, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag premie Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) opgelegd naar een premie-inkomen van € 38.118,=, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 105,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 september 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5.Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het HofHof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende, geboren op 7 mei 1963, woont te Y (België).

2.2. Belanghebbende is de enige aandeelhouder van A Beheer B.V. (hierna: Beheer B.V.), welke vennootschap op haar beurt de enige aandeelhouder is van A Bouw B.V. (hierna: Bouw B.V.). Belanghebbende is ook de enige aandeelhouder van A B.V.B.A., een naar Belgisch recht opgerichte vennootschap.

2.3. Tussen Beheer B.V. en Bouw B.V. is een managementovereenkomst gesloten op grond waarvan door Bouw B.V. een bedrag van ƒ 98.510,= is overgemaakt aan Beheer B.V..

2.4. Tussen A B.V.B.A. en Bouw B.V. is eveneens een managementovereenkomst opgesteld met dagtekening 1 december 1998. In 1998 heeft deze overeenkomst niet geleid tot kosten voor Bouw B.V.. In 1999 is een bedrag van ƒ 12.000,= gedeclareerd bij Bouw B.V. met betrekking tot projecten in België.

2.5. Belanghebbende heeft door middel van een C-biljet aangifte gedaan van een premie-inkomen van nihil. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur met toepassing van de gebruikelijkloonregeling van artikel 72 van de WAZ en in afwijking van de aangifte een loon van € 38.118,= in aanmerking genomen, naar het Hof verstaat, voor werkzaamheden verricht voor beide Nederlandse vennootschappen. Het premie-inkomen is aldus vastgesteld op € 38.118,=.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

- Is de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op belanghebbende van toepassing?

- Zo ja, is het premie-inkomen op het juiste bedrag vastgesteld?

Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

- Volgens mij mag Nederland niet heffen, maar de hoogte van het gebruikelijke loon staat niet meer ter discussie. Het bedrag van € 38.118,= heeft betrekking op alle werkzaamheden die belanghebbende heeft verricht, zowel in Nederland als in België.

- Belanghebbende heeft 65% van zijn werkzaamheden voor de Nederlandse B.V.'s verricht in Nederland en 35% in België.

De Inspecteur

- Dit geding gaat uitsluitend over het jaar 2001.

- Ik ga akkoord met de verdeelsleutel 65% in Nederland en 35% in België.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en vernietiging van de aanslag. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De Rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat voor de bepaling van de verzekeringsplicht de situatie is ontstaan dat belanghebbende, getoetst aan Verordening (EEG) nr. 1408/71 (hierna: de Verordening), in België werkzaamheden verricht in de hoedanigheid van zelfstandige, terwijl zijn werkzaamheden in Nederland worden verricht in de hoedanigheid van werknemer. Nu deze door partijen gehanteerde kwalificatie van de wijze waarop belanghebbende in beide landen zijn werkzaamheden verrichtte niet blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, heeft de Rechtbank deze terecht overgenomen (zie Hoge Raad 5 oktober 2007, nr. 43 082, VN 2007/47.18).

4.2. De Verordening geeft regels aan de hand waarvan moet worden vastgesteld van welke staat de sociale zekerheidwetgeving in een bepaalde situatie van toepassing is.

Indien, zoals in het onderhavige geval, gelijktijdig werkzaamheden in loondienst in de ene lidstaat en werkzaamheden anders dan in loondienst in een andere lidstaat worden verricht, wijst artikel 14 quater, onderdeel a, van de Verordening de wetgeving aan van de lidstaat waar de werkzaamheden in loondienst worden uitgeoefend. Op deze hoofdregel bestaan echter de in artikel 14 quater, onderdeel b, van de Verordening bedoelde uitzonderingen.

4.3. Artikel 14 quater, aanhef en onderdeel b, van de Verordening luidt, voor zover van belang:

"Op degene die gelijktijdig werkzaamheden in loondienst en werkzaamheden anders dan in loondienst op het grondgebied van verschillende Lid-Staten uitoefent:

[...];

b. zijn in de in bijlage VII genoemde gevallen van toepassing:

- de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij werkzaamheden in loondienst uitoefent [...], en

- de wetgeving van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij werkzaamheden anders dan in loondienst uitoefent [...].".

Genoemde bijlage noemt in onderdeel 1 als een dergelijk geval de "uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst in België en van werkzaamheden in loondienst in een andere lidstaat". Deze bepaling wijst derhalve bij het eerste streepje de wetgeving van Nederland en bij het tweede streepje de wetgeving van België aan. De wetgeving van beide landen is derhalve van toepassing.

4.4. De vraag rijst vervolgens over welk inkomen Nederland premie kan heffen. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG) besliste in zijn arrest van 30 januari 1997, C-340/94, De Jaeck, BNB 1997/308, daarover het volgende:

"39. Zoals het Hof in rechtsoverweging 12 van dit arrest heeft opgemerkt, volgt uit artikel 14 quater, lid 1, sub b, van de verordening, dat in de in bijlage VII bedoelde gevallen op degene die zowel werkzaamheden in loondienst in een Lid-Staat als werkzaamheden anders dan in loondienst in een andere Lid-Staat uitoefent, gelijktijdig de wetgeving van ieder van deze staten van toepassing is. De betrokkene is derhalve verplicht, de premies te betalen die eventueel van hem worden geheven op grond van elk van deze beide wetgevingen.

40. Gelijk de Nederlandse regering en de Commissie terecht hebben opgemerkt, kan ieder van de betrokken Lid-Staten evenwel slechts premies heffen over het gedeelte van de inkomsten die op zijn grondgebied zijn verworven. Volgens artikel 14 quater, lid 1, sub b, van de verordening is in de in bijlage VII genoemde gevallen de wetgeving van ieder van deze staten slechts van toepassing voor wat de op zijn grondgebied uitgeoefende werkzaamheden betreft.".

4.5. Nu belanghebbende op Nederlands grondgebied inkomen in loondienst heeft genoten, is van hem terecht premie WAZ geheven. De Inspecteur heeft de verschuldigde premie berekend over een premie-inkomen van € 38.118,= onder toepassing van de zogenoemde gebruikelijkloonregeling van artikel 72 van de WAZ. Belanghebbende heeft verklaard niet langer bezwaar te hebben tegen de hoogte van het aldus vastgestelde gebruikelijk loon.

4.6. Partijen hebben ter zitting eenparig verklaard dat het gebruikelijke loon van € 38.118,= betrekking had op alle werkzaamheden die belanghebbende ten behoeve van de Nederlandse vennootschappen verrichtte. Partijen hebben voorts eenparig verklaard dat belanghebbende 65% van genoemde werkzaamheden in Nederland en 35% in België verrichtte. Uit het in 4.4 genoemde arrest De Jaeck volgt dat de Nederlandse heffingsbevoegdheid zich beperkt tot het premie-inkomen dat betrekking heeft op de op Nederlands grondgebied uitgeoefende werkzaamheden. Hieruit volgt dat het premie-inkomen dient te worden verminderd tot 65% van € 38.118,=, zijnde € 24.776,=.

4.7. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu België reeds heffingsbevoegd is, Nederland dat niet ook kan zijn. Deze klacht, die erop neer komt dat de toepassing van twee stelsels van sociale zekerheid in strijd zou zijn met het EG-recht, faalt, nu de Verordening immers zelf, onder specifieke omstandigheden, deze dubbele heffingsbevoegdheid voorschrijft, of in ieder geval toestaat. Voor zover belanghebbende met zijn klacht zou bedoelen dat aldus een verboden dubbele heffing van premie zou ontstaan, faalt zijn klacht eveneens. Het HvJ EG heeft beslist dat de uit artikel 14 quater, onderdeel b, voortvloeiende dubbele heffing is toegestaan (dan wel niet in strijd is met het EG-Verdrag), indien tenminste de dubbele heffing ook resulteert in een dubbele sociale bescherming (arresten HvJ EG 19 maart 2002, C-393/99, Hervein II, en C-394/99, Lorthiois). In het onderhavige geval betaalt belanghebbende in Nederland en België premie, maar bouwt hij ook in beide landen uitkeringsrechten op (vergelijk ook Hoge Raad 2 juli 1997, nr. 29 332, BNB 1997/309, einduitspraak De Jaeck).

4.8. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur en met betrekking tot de tweede vraag aan de zijde van belanghebbende, zodat het hoger beroep van belanghebbende gegrond moet worden verklaard.

6. Griffierecht

De Staat dient aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,= respectievelijk € 105,= te vergoeden.

7. Proceskosten

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 4 x € 322,= vermenigvuldigd met een factor van 1,5 wegens het gewicht van de zaak is € 1.932,=.

8. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een premie-inkomen van € 24.776,=;

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 142,= vergoedt;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal € 1.932,=, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 19 december 2007 door J. Swinkels, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en J.W. van der Voort, in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.