Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BC2063

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
R200700033
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Bij de echtscheidingsbeschikking heeft de Rechtbank bepaald dat de man in totaal € 342,- per maand dient te betalen voor de drie kinderen van partijen, die bij de vrouw verblijven. Na de uitspraak zijn de kinderen onder toezicht gesteld en uithuis geplaatst. Thuisplaatsing van de kinderen valt voorshands niet te verwachten. De vrouw is aangesproken door het LBIO en betaalt per maand een ouderbijdrage voor de 3 kinderen van € 245,-, zolang zij een WWB uitkering voor alleenstaande ouder ontvangt. De behoefte van de kinderen aan kinderalimentatie dient niet meer gerelateerd te worden aan het netto gezinsinkomen, maar wordt begrensd door de hoogte van de door de vrouw betaalde ouderbijdrage, vermeerderd met de door haar gemaakte omgangskosten. De man mist thans geheel de draagkracht om enige kinderalimentatie te betalen."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2008, 45
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 oktober 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R07/00033

Zaaknummer eerste aanleg 141761 / FA RK 06-1522

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

[woonplaats],

appellant,

hierna: de man,

procureur mr. A. Sanders-Maanurdin,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. P.J.F.X de Poorter.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 oktober 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 12 januari 2007, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft het huurrecht van de echtelijke woning en de aan de man opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en, opnieuw rechtdoende, de bij wege van de zelfstandig verzoek in eerste aanleg geformuleerde verzoeken van de man alsnog toe te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 23 januari 2007, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te bekrachtigen en de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans deze verzoeken af te wijzen,

kosten rechtens.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 september 2007. Bij die gelegenheid zijn de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten, gehoord. Voorts is als belanghebbende namens de William Schrikker Stichting een vertegenwoordiger verschenen, kennelijk mede namens de stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna te noemen: de stichting).

Ondanks behoorlijke oproeping daartoe, is namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) niemand ter zitting verschenen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 september 2006;

- de brief van de procureur van de man d.d. 4 september 2007, met bijlagen.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 5 juli 1991 te Valkenswaard met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [A.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

- [B.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats];

- [C.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

De tussen hen door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 13 oktober 2006 gegeven echtscheidingsbeschikking is op 8 februari 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Valkenswaard. Partijen oefenen tezamen het ouderlijk gezag uit over de kinderen.

Hoofdverblijf

4.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer het verzoek van de man te bepalen dat voornoemde kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben, afgewezen.

De man kan zich niet verenigen met deze beslissing en is daarvan in hoger beroep gekomen.

4.2.1. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ter zitting van het hof heeft de man zijn grief met betrekking tot het hoofdverblijf van de kinderen ingetrokken. Nu de man zijn grief heeft ingetrokken, gaat het hof ervan uit dat hij zijn grief niet langer handhaaft en zal het hof hem niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek het hoofdverblijf van voornoemde kinderen alsnog bij hem te bepalen.

Omgang

4.3. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts het verzoek van de man te bepalen dat de man en de kinderen van partijen gedurende een weekend per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur, alsmede gedurende de helft van de vakanties en de feestdagen gerechtigd zijn tot omgang met elkaar, afgewezen.

De man kan zich daar niet mee verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen.

4.4.1. De man heeft in hoger beroep verzocht zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen, indien en voor zover zijn verzoek het hoofdverblijf bij hem te bepalen wordt afgewezen.

4.4.2. De kinderen van partijen zijn bij beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch met ingang van 14 september 2006 voor de duur van één jaar en derhalve tot 14 september 2007 ondertoezicht gesteld. Bij die beschikking is de stichting benoemd tot gezinsvoogdij-instelling en is bepaald dat de William Schrikker Stichting de ondertoezichtstelling zal uitvoeren. Voorts heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 28 december 2006 de stichting de machtiging verleend tot uithuisplaatsing van de kinderen van partijen tot uiterlijk 14 september 2007. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling ter zitting van het hof is gebleken dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen zijn verlengd tot 14 september 2008. De medewerker van de William Schrikker Stichting heeft daarbij verklaard dat thuisplaatsing van de kinderen niet op korte of middellange termijn te verwachten valt.

4.4.3. Ter zitting heeft de man zijn verzoek in hoger beroep, ook nu de kinderen ondertoezicht gesteld en uithuis geplaatst zijn, gehandhaafd, nu de stichting hem met betrekking tot de door hem gewenste omgang naar de rechtbank heeft verwezen.

4.4.4. Nu de kinderen onder toezicht zijn gesteld en uithuis zijn geplaatst voordat de kinderrechter is toegekomen aan een meer definitieve omgangsregeling en de stichting en de William Schrikker Stichting als (uitvoerend) gezinsvoogdij- instellingen inmiddels hebben bepaald dat een contact van één keer per maand tussen de man en de kinderen en de vrouw en de kinderen in het belang van de kinderen is, wenst het hof het beleid van de stichtingen op dit punt niet te doorkruisen.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de thuisplaatsing van de kinderen kennelijk noch op korte noch op middellange termijn te verwachten is.

Gelet op het voorgaande zal het hof het verzoek van de man met betrekking tot de door hem geformuleerde omgangsregeling afwijzen.

Huurrecht

4.5. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de man te bepalen dat hij met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de huurder zal zijn van de voormalige echtelijke woning, afgewezen en is bepaald dat de vrouw met ingang van die datum bij uitsluiting huurster zal zijn van de voormalige echtelijke woning.

De man kan zich niet verenigen met deze beslissing en is daarvan in hoger beroep gekomen.

4.5.1. Gebleken is dat de vrouw de voormalige echtelijke woning nog altijd bewoont. In reactie op de daartoe strekkende stelling van de man, heeft de vrouw verklaard niet de intentie te hebben die woning op korte termijn te verlaten. Wanneer het verzoek van de man te bepalen dat hij huurder is van de voormalige echtelijke woning zou worden toegewezen, zou de vrouw gedwongen worden de voormalige echtelijke woning te verlaten, terwijl zij geen andere woonruimte heeft. Evenals de man zou de vrouw in dat geval geconfronteerd worden met lange wachtlijsten om een nieuwe huurwoning toegewezen te krijgen. Gelet op het feit dat de man thans een chalet huurt en dus woonruimte heeft, terwijl de vrouw wanneer zij thans de voormalige echtelijke woonruimte dient te verlaten, geen woonruimte heeft, zal het hof de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen en het verzoek van de man ook in hoger beroep afwijzen.

Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen

4.6. De rechtbank heeft bij de bestreden beschikking bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw een bedrag van in totaal € 342,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen dient te voldoen.

De man kan zich daar niet mee verenigen en is daarvan in hoger beroep gekomen.

4.6.1. Ten tijde van de uitspraak van de bestreden beschikking woonden de kinderen bij de vrouw. Thans is ten aanzien van de kinderen een machtiging tot uithuisplaatsing tot uiterlijk 14 september 2008 verleend en verblijven de kinderen niet meer bij de vrouw. De medewerker van de stichting heeft ter zitting verklaard dat thuisplaatsing van de kinderen niet op korte, dan wel middellange termijn te verwachten valt.

De man heeft ter zitting betoogd dat, nu de kinderen niet meer bij de vrouw wonen, de vrouw geen behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, zodat het verzoek van de vrouw een dergelijke bijdrage vast te stellen, alsnog dient te worden afgewezen. In reactie daarop heeft de vrouw naar voren gebracht dat zij - vanaf het moment dat de kinderen uithuis geplaatst zijn- uit haar uitkering van alleenstaande ouder, die zij nog steeds ontvangt, maandelijks een bedrag van circa € 245,- aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) betaalt, als bijdrage in de kosten van uithuisplaatsing. De vrouw heeft hieraan toegevoegd, dat zij binnenkort bijstand zal ontvangen nog uitsluitend naar de alleenstaande norm.

De man heeft niet betwist dat het LBIO bij de vrouw bedragen int ten behoeve van de uithuisplaatsing van de kinderen. Evenmin heeft hij gesteld dat het LBIO bij hem (eveneens) ouderbijdragen int. Tot op heden heeft hij ook niet de kinderbijdrage betaald, waartoe hij in de bestreden beschikking veroordeeld is.

4.6.2. Krachtens artikel 72 van de Wet op de Jeugdzorg is de vrouw als ouder die ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang van de zorg recht op kinderbijslag heeft, de ouderbijdrage aan het LBIO verschuldigd. Dit is echter uitsluitend het geval indien bijdrageplichtige ouders gescheiden wonen en door de rechter geen bedrag is bepaald op de voet van de artikelen 406 of 407 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid , onder c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Een kinderalimentatie is in het onderhavige geval wel door de rechter vastgesteld.

Vaststaat in ieder geval, dat de vrouw door het LBIO is aangesproken.

4.6.3. Ofschoon in de bestreden beschikking in het dictum verzuimd is het hoofdverblijf van de kinderen toe te wijzen aan de vrouw, zijn partijen daar wel vanuit gegaan, gelet op het oordeel van de rechter in eerste aanleg dat het in de rede ligt dat de minderjarigen bij de vrouw blijven, aangezien MEE was gestart met noodzakelijke hulp voor woonbegeleiding en pedagogische gezinsondersteuning in de thuissituatie van de vrouw. (zie de eerste rechtsoverweging voorkomend op bladzijde 3 van die beschikking). Als gezagsdragende ouder, die in beginsel de kosten draagt van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, is de vrouw gerechtigd tot haar onder-havige verzoek tot kinderalimentatie. Dit verzoek wordt evenwel beperkt tot haar behoefte aan een bijdrage, die in dit geval bepaald wordt door de hoogte van de door haar aan het LBIO betaalde ouderbijdrage voor de drie kinderen van afgerond € 245,- per maand (ingevolge artikel 70 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg) en van de door haar gemaakte omgangskosten. Het hof taxeert deze laatste kosten op € 25,- per maand. Bijeen is de behoefte dus € 270,- voor de drie kinderen samen.

4.6.4. Bij brief van 4 september 2007 heeft de man een actuele alimentatie-berekening overgelegd. Daarin becijfert hij zijn belastbaar loon op € 22.980,49 op jaarbasis, zijn huur op € 600,- per maand , de nominale premie ziektekosten plus de premie aanvullende verzekering op € 113,35 per maand, de inkomensafhankelijke bijdrage ziektekostenverzekering op

€ 117,- per maand en de premie begrafenis-verzekering op € 29,79 per maand. De kosten van omgang zal het hof stellen op € 25,- per maand (evenals voor de vrouw). Deze posten zijn voldoende met bescheiden onderbouwd en door de vrouw niet betwist.

Dit betekent dat de man een besteedbaar inkomen heeft van € 1.520,- per maand (inclusief vakantietoelage), een draagkrachtloos inkomen van € 1.532,- per maand en een kleine negatieve draagkrachtruimte. De man heeft mitsdien niet de draagkracht enige kinderalimentatie te betalen.

In dit verband merkt het hof ten overvloede op, dat de door de man overgelegde draagkrachtberekening uitkomt op een bedrag van € 168,53, dat de man aan kinderalimentatie zou kunnen bijdragen. Aan deze berekening ligt echter ten onrechte ten grondslag dat de man recht zou hebben op kinderkorting, de combinatiekorting, de alleenstaande ouder korting en de aanvullende alleenstaande ouder korting, waardoor een geflatteerd beeld ontstaat van het aldus berekende besteedbaar inkomen, dat uitkomt op € 1.813,-. De man dient echter slechts als alleenstaande te worden aangemerkt, met een navenant lager besteedbaar inkomen.

4.7. Gelet op al het voorgaande beslist het hof als volgt.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de man niet ontvankelijk in zijn verzoek de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij hem te bepalen;

vernietigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 oktober 2006 doch uitsluitend voorzover daarbij is bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van partijen een bedrag van € 342,- per maand dient te voldoen.

wijst af het oorspronkelijk verzoek van de vrouw tot het betalen van kinderalimentatie door de man.

bekrachtigt voor het overige de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 oktober 2006 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen ;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Philips, Van Teeffelen en Rutten en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 17 oktober 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.