Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BC2058

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
17-01-2008
Zaaknummer
R200701037
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De minderjarige is geboren voor de inwerkingtreding van het huidige artikel 1:200 BW. Derhalve dient beoordeeld te worden of het vóór 1 april 1998 geldende recht van toepassing is (zoals door de vrouw betoogd), dan wel het huidige artikel 1:200 BW, zoals door de man betoogd.

De wet van 24 december 1997 tot herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie kent een eigen specifieke overgangsregeling. Nu geen van de situaties als omschreven in de in deze wet opgenomen overgangsregeling zich hier voordoet, is op de onderhavige situatie het huidige artikel 1:200 BW van toepassing. Ingevolge art. 1:200 lid 5 BW heeft de man een jaar de tijd om een verzoek tot gegrond¬verklaring van de ontkenning van zijn vaderschap in te dienen, welke termijn ingaat op het moment dat hij bekend wordt met het feit dat hij vermoedelijk niet de vader is van het kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 december 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer 200701037

Zaaknummer eerste aanleg 148561/ FA RK 06-3779

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[A.],

[woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

[B.],

[woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J.W. Weehuizen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 januari 2007 en 21 augustus 2007, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 18 september 2007, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen, en, opnieuw rechtdoende, de man alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, dan wel dit verzoek alsnog af te wijzen.

2.2. Bij brief van 12 oktober 2007 heeft mevrouw mr. A.J.C.W. van de Ven als bijzonder curator van [X.], hierna te noemen: de bijzonder curator, het hof bericht dat zij het beroepschrift van de vrouw ondersteunt.

2.3. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 oktober 2007, heeft de man verzocht de bestreden beschikkingen te bekrachtigen, met niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw in haar appel, althans af te wijzen hetgeen de vrouw hieromtrent aan het hof heeft verzocht.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 november 2007. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mevrouw mr. C.E.M. Renckens;

- mr. W.J. Aberson, advocaat van de man;

- de bijzonder curator.

Alhoewel behoorlijk opgeroepen is de man niet ter zitting verschenen.

[X.] is door het hof in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken en heeft daarvan gebruik gemaakt. Hij is voorafgaand aan de mondelinge behande¬ling afzonderlijk in raadkamer gehoord, van welk verhoor ter zitting de inhoud zakelijk is weergegeven.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het inmiddels ontbonden huwelijk van partijen is onder meer geboren het volgende, thans nog minderjarige kind:

- [X.] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar].

4.2. Op 26 september 2006 heeft de man bij de rechtbank een verzoek ingediend tot gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap van [X.].

4.3. Bij de bestreden beschikking van 16 januari 2007 heeft de rechtbank de man ontvankelijk verklaard in zijn verzoek nu hij zijn verzoek binnen de wettelijke termijn heeft ingediend. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het huidige afstammingsrecht van toepassing is, op grond waarvan de man ingevolge art. 1:200 lid 5 BW een verzoek als het onderhavige kan indienen binnen een jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader is van het kind. Volgens de rechtbank heeft de man genoegzaam aangetoond dat hij eerst in augustus 2006 bekend is geworden met het feit dat hij niet de biologische vader is van [X.]. De rechtbank heeft vervolgens een deskundigenonderzoek gelast omtrent de vraag of de man de biologische vader is van [X.] en heeft de zaak voor het overige aangehouden.

4.4. Bij de bestreden beschikking van 21 augustus 2007 heeft de rechtbank de ontkenning van het door huwelijk ontstane vaderschap van de man gegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat blijkens het rapport betreffende vaderschapsonderzoek van de man van 28 juni 2006 (het hof begrijpt: 28 juni 2007), de man is uitgesloten van het vaderschap van [X.]. De rechtbank heeft voorts bepaald dat de vrouw een bedrag van € 575,= ter zake van de kosten van de deskundige dient te voldoen.

4.5. De vrouw kan zich met de bestreden beschikkingen niet verenigen en komt daarvan in beroep. In haar beroepschrift heeft zij aangevoerd dat niet van het huidige, maar van het oude afstammings¬recht dient worden uitgegaan, omdat ten tijde van de geboorte van [X.] het oude afstammingsrecht gold. Ingevolge art. 1:203 oud BW kon de man zijn verzoek tot ontkenning slechts instellen binnen zes maanden nadat te zijner kennis gekomen was dat de moeder het kind ter wereld heeft gebracht, welke termijn reeds was verstreken op [datum]. Volgens de moeder geldt als hoofdregel bij de inwerkingtreding van het nieuwe afstammingsrecht dat daaraan geen terugwerkende kracht wordt verleend, waarbij zij verwijst naar art. 15 lid 3 Overgangsbepalingen Invoeringswet Nieuw BW. Volgens de vrouw heeft de rechtbank de man ten onrechte ontvangen in zijn verzoek, nu de gestelde termijnen uit oogpunt van rechtszekerheid onverkort dienen te worden gehandhaafd.

4.6. De bijzonder curator ondersteunt het beroepschrift van de moeder.

4.7. De man heeft verweer gevoerd en heeft gesteld dat het overgangsrecht bepaalt dat als een procedure tot ontkenning van het vaderschap vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de nieuwe wet aanhangig is gemaakt, het vóór de inwerkingtredende recht van toepassing blijft. Volgens de man leidt dit tot de conclusie dat een inleidend verzoekschrift dat ná de datum van inwerkingtreding is ingediend, beoordeeld moet worden conform de nieuwe artikelen 1:200 e.v. BW, ook al is het kind geboren vóór bedoelde datum.

4.8. Het hof overweegt als volgt.

4.8.1. Nu [X.] is geboren voor de inwerkingtreding van het huidige artikel 1:200 BW, dient beoordeeld te worden of het vóór 1 april 1998 geldende recht van toepassing is (zoals door de vrouw betoogd), dan wel het huidige artikel 1:200 BW, zoals door de man betoogd.

Het hof stelt vast dat op een situatie als de onderhavige geen overgangsregeling van toepassing is. Weliswaar heeft de vrouw verwezen naar art. 15 lid 3 Overgangsbepalingen Invoeringswet Nieuw BW, doch deze overgangsregeling ziet op de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1992. De wet van 24 december 1997 tot herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van adoptie (Staatsblad 1997, 772) kent een eigen specifieke overgangsregeling. Nu geen van de situaties als omschreven in de in deze wet opgenomen overgangsregeling zich hier voordoet, is op de onderhavige situatie het huidige artikel 1:200 BW van toepassing. Ingevolge art. 1:200 lid 5 BW heeft de man een jaar de tijd om een verzoek tot gegrondverklaring van de ontkenning van zijn vaderschap in te dienen, welke termijn ingaat op het moment dat hij bekend wordt met het feit dat hij vermoedelijk niet de vader is van het kind. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat hij eerst bekend is geworden met dit feit op 2 augustus 2006, zodat de man tot 2 augustus 2007 de tijd had om zijn verzoek in te dienen. Nu vaststaat dat hij het onderhavige verzoek heeft ingediend op 26 september 2006, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de man kan worden ontvangen in zijn verzoek. Nu alle grieven betrekking hebben op dan wel verband houden met de ontvankelijkheid van de man in zijn verzoek, behoeven deze geen verdere bespreking meer. Aan een belangenaf¬weging zoals door beide partijen al dan niet subsidiair bepleit, komt het hof, gelet op het hiervoor overwogene, evenmin toe. De bestreden beschikking van 16 januari 2007 dient derhalve te worden bekrachtigd.

4.8.2. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, tot de bestreden beschikking van 21 augustus 2007 is gekomen. Naar het oordeel van het hof dient deze beschikking eveneens te worden bekrachtigd.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikkingen van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 januari 2007 en 21 augustus 2007.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Raab, Lamers en Hompus en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 18 december 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.