Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BC1299

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
07/00295
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Op deze plaats geldt als ingelast hetgeen het Hof heeft overwogen in zijn rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.8 van zijn uitspraak van heden met nummer 06/00420 alsmede hetgeen het Gerechtshof te Amsterdam heeft overwogen in zijn rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.7 van zijn uitspraken van 25 mei 2005 in de zaken met kenmerk 02/01694, 02/01696, 03/3111 en 03/03347. Al deze uitspraken worden hierna gezamenlijk aangeduid als de Vpb-uitspraken.

De vastgestelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat ten gevolge van de optietransacties de bedragen welke door de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor 1998 van de onderscheiden vennootschappen als verliespost zijn geweigerd, aan het vermogen van de desbetreffende vennootschappen zijn onttrokken, dat deze bedragen in het vermogen van belanghebbende zijn gevloeid en dat die bedragen werden gedekt door in die vennootschappen aanwezige winstreserves.

In de Vpb-uitspraken is door het Hof en door het Gerechtshof te Amsterdam geconcludeerd dat onder de aldaar vermelde omstandigheden geen redelijk denkende ondernemer zich op de optietransacties zou hebben ingelaten en dat de vennootschappen zulks uitsluitend ten gerieve van belanghebbende als haar (middellijke) aandeelhouder hebben gedaan.

Uit de in de Vpb-uitspraken vermelde feiten en omstandigheden leidt het Hof af dat belanghebbende, handelende voor zichzelf en - in zijn kwaliteit van directeur - voor de vennootschappen, zo hij de optietransacties al niet van meet af aan heeft opgezet met de bedoeling zichzelf in zijn hoedanigheid van (middellijk) aandeelhouder te bevoordelen, in ieder geval van de tussen hemzelf en de vennootschappen in het leven geroepen - voor meer dan één uitleg vatbare - verhoudingen gebruik is gaan maken om zich door middel van die optiecontracten in zijn hoedanigheid van (middellijk) aandeelhouder te bevoordelen. Het Hof acht belanghebbendes stelling dat sprake zou zijn van zuiver speculatieve transacties, niet geloofwaardig.

De voor een uitdeling vereiste bevoordelingsbedoeling is naar het oordeel van het Hof met het vorenstaande gegeven, zowel aan de zijde van belanghebbende alsook aan de zijde van de vennootschappen. Gelet op het tempo en de omvang waarin de transacties plaatsvonden acht het Hof het daarbij niet voor twijfel vatbaar dat die bevoordelingsbedoeling - zo al niet van meet af aan aanwezig - in ieder geval reeds in de loop van 1998 bij de betrokken partijen heeft postgevat.

Voorts acht het Hof het aannemelijk dat per ultimo 1998 tussen belanghebbende en de betrokken vennootschappen al dan niet stilzwijgend overeenstemming bestond dat de bedragen die per 31 december 1998 volgens de geprinte overzichten waren "verloren" door de vennootschappen en "gewonnen" door belanghebbende, in de jaarrekeningen 1998 ten gunste van belanghebbende zouden worden geboekt. Aldus hebben de vennootschappen in 1998 bedragen groot in totaal f 1.678.475,= van hun onderscheiden winstreserves aan belanghebbende uitgedeeld, welke bedragen voor belanghebbende zijn aan te merken als evenzovele reguliere voordelen uit zijn aanmerkelijke belang in de vennootschappen. Vraag 3.1.1 dient derhalve te worden beantwoord in de door de Inspecteur voorgestane zin.

Belanghebbende beroept zich op toepassing van het gelijkheidsbeginsel. Het Hof verwerpt dit beroep reeds omdat belanghebbende en X geen van elkaar onafhankelijke partijen zijn, nu X middellijk dan wel onmiddellijk grootaandeelhouder en enig directeur van belanghebbende is, terwijl partijen welke op de AEX-optiebeurs handelen zulks wel onafhankelijk ten opzichte van elkaar doen, zodat geen sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Vraag 3.1.2 dient derhalve eveneens te worden beantwoord in de door de Inspecteur voorgestane zin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-0114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 07/00295

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (hierna: belanghebbende), tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst P van de Rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende de hem voor het jaar 1998 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 1.766.613,=, waarvan een bedrag groot f 1.678.475,= belast naar het tarief van artikel 57a, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), welke aanslag, na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij uitspraak is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Het Hof heeft bij uitspraak van 22 juni 2005, met kenmerk 02/01693, in één geschrift verenigd met zijn uitspraak van gelijke datum met kenmerk 03/03113, het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 20 oktober 2006, nummer 42 402, in één geschrift verenigd met het arrest van gelijke datum met nummer 42 409, de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam vernietigd slechts voor zover betrekking hebbend op het jaar 1998 en het geding verwezen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest.

1.4. Naar aanleiding van de uitnodiging voor het onderzoek ter zitting voor de zaak bij het Hof bekend onder nummer 06/00420 heeft de Inspecteur bij brief van 12 juni 2007 verzocht de bij onder 1.3 vermeld arrest naar het Hof verwezen zaak gelijktijdig met die zaak te behandelen. Uit onderzoek van de griffier is gebleken, dat onderhavig dossier door de Hoge Raad naar het Hof is gezonden met een aanbiedingsbrief gericht aan het Gerechtshof te Amsterdam. De griffie van het Hof heeft daarop het dossier aan dat laatste Hof gezonden. Op 13 juni 2007 heeft de griffier het dossier opgevraagd bij het Gerechtshof te Amsterdam en op 14 juni 2007 voor aanvang van na te noemen zitting is het dossier door het Hof ontvangen. Partijen hebben verklaard er geen bezwaar tegen te hebben dat met voorbijgaan aan het bepaalde in artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht de zaak gelijktijdig wordt behandeld met de voornoemde zaak 06/00420 en dat hetgeen in die zaak aan stukken is overgelegd en gezegd wordt geacht te zijn overgelegd en gezegd in onderhavige zaak.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 juni 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur. Bij die zitting heeft het Hof de zaak gelijktijdig behandeld met de zaak bekend bij het Hof onder nummer 06/00420.

1.6. Belanghebbende en de Inspecteur hebben beide ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van deze pleitnota's moet als hier ingelast worden aangemerkt.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar hetgeen waar onderdeel 2 van de uitspraak van het Hof van heden, met nummer 06/00420, naar verwijst. Voorts verwijst het Hof voor de feiten naar punt 2 van de in 1.2 bedoelde uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 22 juni 2005 met kenmerk 02/01693.

In de stukken na het arrest van de Hoge Raad en tijdens de zitting zijn door partijen geen andere feiten in het geding gebracht.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen.

3.1. Na verwijzing zijn tussen partijen uitsluitend nog de volgende vragen in geschil:

3.1.1. Zijn de bedragen van:

f 707.075,=, waarvoor belanghebbende door A B.V. (voorheen: AA B.V.),

f 485.700,=, waarvoor belanghebbende door B B.V. (voorheen: BB Beheer B.V.)en

f 485.700,=, waarvoor belanghebbende door A B.V. (voorheen: AA Beheer B.V.),

zijn gecrediteerd in rekening-courant, door de Inspecteur terecht aangemerkt als een in 1998 genoten - al dan niet middellijke - uitdeling van winst door die vennootschappen aan belanghebbende en daarmee als regulier voordeel uit het aanmerkelijke belang dat van belanghebbende bezit in die vennootschappen?

3.1.2. Handelt de Inspecteur door de onderwerpelijke correctie op te leggen in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu belanghebbende ongelijk wordt behandeld betreffende contractsduidingen welke duidingen inhoudelijk gelijk zijn aan die van contracten welke tussen onafhankelijke derden worden gesloten op de AEX-optiebeurs?

Vraag 3.1.1 wordt door de belanghebbende in ontkennende zin en vraag 3.1.2 in bevestigende zin beantwoord, terwijl de Inspecteur telkens de tegenovergestelde opvatting is toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

De naam van de B.V., oorspronkelijk luidende: "AA B.V." is inmiddels statutair gewijzigd in: A B.V. Het bij mijn pleitnota gevoegde herzieningsverzoek wordt hier louter ter informatie overgelegd. Anders dan de Inspecteur telkens stelt, is de B.V. geen opdrachtgever van de transacties, maar uitsluitend belanghebbende. De voorbeeldnota van de NMB wordt louter overgelegd om te laten zien hoe het systeem werkt. Het is een nota van een telefonische opdracht van een cliënt; in casu is de bank koper.

De Inspecteur

Op de vraag van het Hof wat de consequentie is dat vijf van de zevenenvijftig contracten niet op basis van het raamcontract zijn gesloten blijf ik het antwoord schuldig. Ik stel dat de vraag of de contracten al dan niet onder de vigeur van het raamcontract zijn gesloten, voor de in geding zijnde vraag geen verschil maakt. Het gaat om alle contracten, dus ook de genoemde vijf.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil.

4.1. Op deze plaats geldt als ingelast hetgeen het Hof heeft overwogen in zijn rechtsoverwegingen 4.2 tot en met 4.8 van zijn uitspraak van heden met nummer 06/00420 alsmede hetgeen het Gerechtshof te Amsterdam heeft overwogen in zijn rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.7 van zijn uitspraken van 25 mei 2005 in de zaken met kenmerk 02/01694, 02/01696, 03/3111 en 03/03347. Al deze uitspraken worden hierna gezamenlijk aangeduid als de Vpb-uitspraken.

4.2. De vastgestelde feiten laten geen andere conclusie toe dan dat ten gevolge van de optietransacties de bedragen welke door de Inspecteur bij de vaststelling van de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor 1998 van de onderscheiden vennootschappen als verliespost zijn geweigerd, aan het vermogen van de desbetreffende vennootschappen zijn onttrokken, dat deze bedragen in het vermogen van belanghebbende zijn gevloeid en dat die bedragen werden gedekt door in die vennootschappen aanwezige winstreserves.

4.3. In de Vpb-uitspraken is door het Hof en door het Gerechtshof te Amsterdam geconcludeerd dat onder de aldaar vermelde omstandigheden geen redelijk denkende ondernemer zich op de optietransacties zou hebben ingelaten en dat de vennootschappen zulks uitsluitend ten gerieve van belanghebbende als haar (middellijke) aandeelhouder hebben gedaan.

4.4. Uit de in de Vpb-uitspraken vermelde feiten en omstandigheden leidt het Hof af dat belanghebbende, handelende voor zichzelf en - in zijn kwaliteit van directeur - voor de vennootschappen, zo hij de optietransacties al niet van meet af aan heeft opgezet met de bedoeling zichzelf in zijn hoedanigheid van (middellijk) aandeelhouder te bevoordelen, in ieder geval van de tussen hemzelf en de vennootschappen in het leven geroepen - voor meer dan één uitleg vatbare - verhoudingen gebruik is gaan maken om zich door middel van die optiecontracten in zijn hoedanigheid van (middellijk) aandeelhouder te bevoordelen. Het Hof acht belanghebbendes stelling dat sprake zou zijn van zuiver speculatieve transacties, niet geloofwaardig.

4.5. De voor een uitdeling vereiste bevoordelingsbedoeling is naar het oordeel van het Hof met het vorenstaande gegeven, zowel aan de zijde van belanghebbende alsook aan de zijde van de vennootschappen. Gelet op het tempo en de omvang waarin de transacties plaatsvonden acht het Hof het daarbij niet voor twijfel vatbaar dat die bevoordelingsbedoeling - zo al niet van meet af aan aanwezig - in ieder geval reeds in de loop van 1998 bij de betrokken partijen heeft postgevat.

4.6. Voorts acht het Hof het aannemelijk dat per ultimo 1998 tussen belanghebbende en de betrokken vennootschappen al dan niet stilzwijgend overeenstemming bestond dat de bedragen die per 31 december 1998 volgens de geprinte overzichten waren "verloren" door de vennootschappen en "gewonnen" door belanghebbende, in de jaarrekeningen 1998 ten gunste van belanghebbende zouden worden geboekt. Aldus hebben de vennootschappen in 1998 bedragen groot in totaal f 1.678.475,= van hun onderscheiden winstreserves aan belanghebbende uitgedeeld, welke bedragen voor belanghebbende zijn aan te merken als evenzovele reguliere voordelen uit zijn aanmerkelijke belang in de vennootschappen. Vraag 3.1.1 dient derhalve te worden beantwoord in de door de Inspecteur voorgestane zin.

4.7. Belanghebbende beroept zich op toepassing van het gelijkheidsbeginsel. Het Hof verwerpt dit beroep reeds omdat belanghebbende en X geen van elkaar onafhankelijke partijen zijn, nu X middellijk dan wel onmiddellijk grootaandeelhouder en enig directeur van belanghebbende is, terwijl partijen welke op de AEX-optiebeurs handelen zulks wel onafhankelijk ten opzichte van elkaar doen, zodat geen sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Vraag 3.1.2 dient derhalve eveneens te worden beantwoord in de door de Inspecteur voorgestane zin.

4.8. Uit al het voorgaande vloeit voort dat het beroep moet worden verworpen.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 26 oktober 2007 door N. van Beelen, voorzitter, A.J. van Soest en P. Fortuin, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op:26 oktober 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.