Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BC0489

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-12-2007
Datum publicatie
19-12-2007
Zaaknummer
20-000773-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overval op supermarkt. Een van de twee overvallers gebruikt een steekkarretje, waarvan de handvatten door de politie worden veiliggesteld. Daders vluchten weg. Bij een sorteerproef ruim een jaar later ruikt de hond geurovereenkomsten tussen verdachte en genoemde handvatten. De sorteerproef is uitgevoerd door twee politiemensen die zelf strafrechtelijk worden vervolgd wegens het opzettelijk niet blind uitvoeren van de sorteerproef en het opmaken van een vals proces-verbaal daaromtrent.

Beroep op niet-ontvankelijkheid en op bewijsuitsluiting omdat:

• De toezegging dat raadsvrouwe sorteerproef mocht bijwonen niet is nagekomen;

• Geen gevolg is gegeven aan een verzoek van de verdachte om een tegenonderzoek sorteerproef;

• Sorteerproef niet blind is uitgevoerd en een vals proces-verbaal is opgemaakt;

• Een belastende verklaring van een medeverdachte pas is afgelegd na confrontatie met de uitslag van de niet blind uitgevoerde sorteerproef.

Het hof verwerpt het beroep op niet-ontvankelijkheid, sluit de sorteerproef uit van het bewijs en veroordeelt de verdachte mede op de verklaring van de medeverdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000773-07

Uitspraak : 17 december 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 februari 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-849344-05 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,

thans verblijvende in PI Achterhoek - Gev. Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende bewezen zal verklaren hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 is tenlastegelegd, en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek van voorarrest en toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] en oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie en bewijsuitsluiting

1. De raadsman van de verdachte (hierna: [verdachte]) heeft, kennelijk met het oog op art. 359a Wetboek van Strafvordering, op de volgende gronden bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, althans dat bewijsmateriaal moet worden uitgesloten:

- Bij het uitvoeren van de sorteerproef is de toezegging dat de raadsvrouwe deze mocht bijwonen niet nagekomen. Bovendien is welbewust aan een verzoek van de verdachte om tegenonderzoek geen gevolg gegegeven (pleitnota, nr. 7).

- De sorteerproef is uitgevoerd door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], die beiden worden vervolgd voor het opmaken van valse processen-verbaal juist omtrent het al dan niet blind uitvoeren van de sorteerproef.. Er mag derhalve van worden uitgegaan dat in deze zaak de sorteerproef niet blind is uitgevoerd, dus dat de proef ongeldig is, terwijl het daarvan opgemaakte proces-verbaal vals is. Indien dit niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, dient de sorteerproef te worden uitgesloten van het bewijs. Mocht het hof niet willen aannemen dat de onderhavige sorteerproef vals is, dan verzoekt de raadsman om [verbalisant 1] en [verbalisant 2] hierover te kunnen horen (pleitnota, nr. 12).

- De verklaring van medeverdachte [medeverdachte], waarin deze de verdachte [verdachte] noemt als medepleger, is slechts verkregen door confrontatie van [medeverdachte] met het onrechtmatig verkregen materiaal van de sorteerproef. Ook dit is, wegens doorwerking van de niet-ontvankelijkheid terzake de geurproef, een grond voor niet-ontvankelijkheid, althans het moet leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaring van [medeverdachte] (pleitnota, nr. 25).

- De sorteerproef moet worden uitgesloten van het bewijs omdat [verdachte] op het moment dat hij hieraan moest meewerken niet als verdachte kon worden aangemerkt (pleitnota, nr. 3).

Het hof overweegt hieromtrent als volgt .

2. Bij de beoordeling van de verweren kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

i. Op vrijdag 24 september 2004 omstreeks 06:00 uur wordt de Edah supermarkt te Mill overvallen door twee mannen, die elk een nylonkous of muts over hun hoofd dragen. Een aantal personeelsleden en leveranciers van de supermarkt wordt overmeesterd, geboeid en getapet en vastgezet. Een van de overvallers haalt met blote handen een steekkarretje naar binnen. De vleesleverancier [slachtoffer 5], die omstreeks 07:00 uur bij de supermarkt arriveert, raakt in gevecht met een van de overvallers en trekt deze de nylonkous of muts van het hoofd. Daarna vluchten de beide overvallers weg met een een dag tevoren reeds gestolen auto en met medeneming van een aantal goederen van de van hun vrijheid beroofde personen.

Uit de nylonkous of muts wordt een DNA-profiel verkregen (spoornummer [[spoornummer 1]; blz. 156). De handvatten van het steekkarretje worden veiliggesteld (blz. 155).

ii. Op 8 februari 2005 vindt een gewapende overval plaats op de C1000-supermarkt te Heesch. Voor deze zaak worden een aantal dagen later aangehouden [medeverdachte] en [verdachte]. Zij moeten DNA-materiaal afstaan.

Inmiddels zijn beiden onherroepelijk veroordeeld voor deze overval en de daaraan voorafgaande diefstal van een auto. [medeverdachte] is veroordeeld tot vijf jaren gevangenisstraf (vonnis rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 juli 2005, onherroepelijk geworden op 28 november 2005) en [verdachte] tot zeven jaren gevangenisstraf (arrest gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 3 januari 2006, onherroepelijk geworden op 20 februari 2007).

iii. Op 17 juni 2005 brengt het NFI een DNA-rapport uit in de onder ii. bedoelde zaak. In dit rapport wordt tevens aangegeven dat het DNA-profiel van [medeverdachte] overeenkomt met het DNA-profiel verkregen van de muts [[spoornummer 1] in de onder i. bedoelde zaak (blz. 187).

iv. Tussen 25 oktober en 2 november 2005 wordt [medeverdachte] als verdachte verhoord over de overval in Mill. Hij bekent in detail zijn eigen aandeel en verklaart dat hij de overval heeft voorbereid en uitgevoerd met een mededader wiens naam hij niet wil noemen (blz. 194-203). Hij verklaart tevens dat hij van begin 2004 tot eind november 2004 heeft gewoond in een kraakpand in Langenboom en in die tijd [verdachte] heeft leren kennen. Eind november 2004 is hij naar Nijmegen verhuisd en zag hij [verdachte] minder, maar in februari 2005 kwam hij weer in contact met [verdachte]. Hij heeft toen met [verdachte] en een andere jongen, [medeverdachte 2], de overval op de C1000 in Heesch gepleegd (blz. 207-208). [medeverdachte] spreekt over een bedreigende brief die hij van [verdachte] heeft ontvangen met betrekking tot de overval in Heesch (blz. 209).

v. Op 8, 9 en 10 november 2005 is [verdachte] verhoord als verdachte van de overval in Mill. [verdachte] ontkent of beroept zich op zijn zwijgrecht. Op 10 november 2005 is van [verdachte] geur afgenomen.

vi. Op 14 november 2005 is een geuridentificatieproef (sorteerproef) uitgevoerd door verbalisant [verbalisant 2] als hondengeleider en verbalisant [verbalisant 1] als helper. Hierbij heeft de hond geurovereenkomst waargenomen tussen de onder i. bedoelde handvatten van het steekkarretje en de onder v. bedoelde geurdrager die door de verdachte [verdachte] was vastgehouden. [verbalisant 2] schrijft in het proces-verbaal dat hij niet op de hoogte was van de posities van de geurdragers (blz. 189-192). Dit laatste wordt ook wel genoemd het “blind” uitvoeren van de proef.

vii. Op 15 en 16 november 2005 wordt [medeverdachte] opnieuw verhoord als verdachte van de overval in Mill en hem wordt telkens meegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

In het verhoor op 15 november 2005 wordt hem verteld dat de sorteerproef [verdachte] aanwijst als mededader (blz. 218). [medeverdachte] wordt dan gevraagd: “Is [verdachte] jouw mededader van de overval in Mill?” Hij antwoordt: “Ik noem u zijn naam niet in mijn verklaring. (…) Ik ben bang dat hij mij iets wil aandoen. Hij heeft mij ook al een keer een brief gestuurd vanuit het huis van bewaring. Uit angst wil ik hem niet verlinken. In die brief heeft hij onder meer geschreven, dit was naar aanleiding van de uitspraak van de overval op de C1000 winkel te Heesch, dat hij mij een keer zou komen opzoeken. Vluchten had geen zin. Want hij zou mij toch wel weten te vinden.” (blz. 218-219).

In het verhoor op 16 november 2005 verklaart [medeverdachte] onder meer: “Ik wil nu openheid van zaken geven. (…) ik vertel dit uit eigen wil. (…) In mijn eerdere verklaring heb ik u mijn aandeel verteld over de overval op de Edah supermarkt te Mill d.d. 24 september 2004. Ik heb u toen niet de naam van mijn mededader willen noemen. Ik wil u die naam nu wel noemen. Mijn mededader is [verdachte]. [verdachte] is ook betrokken geweest bij de overval op de C1000 te Heesch. U heeft mij gisteren verteld dat er positief gesorteerd is (…) op een steekwagentje die mijn mededader met blote handen heeft vastgehad. (…) [verdachte] heeft toen dat steekwagentje de Edah supermarkt ingereden. (…) [verdachte] had toen zijn handschoenen uitgetrokken (…). Deze positieve sorteerproef is ook een van de redenen dat ik u nu de naam van [verdachte] wil zeggen. Ik kan er eigenlijk nu niet meer onder uit om hem niet te noemen. Ik heb u al eerder verteld dat [verdachte] mij vanuit het huis van bewaring te ’s-Hertogenbosch een brief heeft gestuurd (…). De rechtbank had hem veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar. (…) In die brief schreef hij onder meer dat het mijn schuld was dat hij zeven jaar gevangenisstraf had gekregen. In die zaak had ik namelijk een verklaring afgelegd onder meer over zijn aandeel. Ook [verdachte] heeft toen over mij verklaard. (…) Ik heb nu geheel schoon schip gemaakt. (…) Ik heb nu gebroken met mijn crimineel geleden. Ik heb gebroken met mijn criminele vrienden.” (blz. 220-223).

viii. Op de terechtzitting van de rechtbank van 21 november 2006 is [medeverdachte] gehoord als getuige. Hij verklaart dan onder meer: “ De dreigbrief is dus afkomstig van verdachte [verdachte]. Ik heb uit angst voor [verdachte] niet verklaard. (…) [verdachte] is de mededader geweest bij de overval op de Edah te Mill op 24 september 2004.”

ix. In de onderhavige zaak staat niet vast dat het onder vi. bedoelde proces-verbaal van de geuridentificatieproef vals is. Evenmin staat vast dat deze proef niet blind is uitgevoerd. Wel moet op grond van mededelingen van de advocaat-generaal worden aangenomen dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] strafrechtelijk worden vervolgd voor het opmaken van valse processen-verbaal met betrekking tot geuridentificatieproeven in andere gevallen.

3. Het hof stelt voorop dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderingsgevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

4. Het hof wil veronderstellenderwijs er vanuit gaan dat de geuridentificatieproef niet blind is uitgevoerd en dat het daaromtrent opgemaakte proces-verbaal vals is opgemaakt. Dit uitgangspunt brengt mee dat het resultaat van de proef niet als betrouwbaar kan gelden.

Het voorschrift dat de speurhondengeleider bij de uitvoering van de geuridentificatieproef niet op de hoogte mag zijn van de posities van de geurdragers, is neergelegd in supplement 2 behorende bij het hier geldende Keuringsreglement Politiespeurhond menselijke geur 1997 (herzien in september 2005). Op pagina 23 van dat reglement wordt voorgeschreven:

"De helper bepaalt met behulp van een dobbelsteen welk schema gekozen wordt en stelt op de daartoe bestemde plaats de geurdragers op in twee rijen van ieder 7 verschillende geurdragers (eventueel na elkaar), volgens de voor de hond bekende (en in het certificaat omschreven) aanbiedingsmethode. Dit gebeurt in afwezigheid van de hond en de geleider, de geleider kent de volgorde van de geurdragers in de rij niet en verklaart dit ook (onder ede!) in zijn proces-verbaal."

Voornoemd voorschrift is kennelijk in het voornoemd reglement opgenomen om uit te sluiten dat de speurhondengeleider de speurhond op enigerlei wijze beïnvloedt bij het maken van een keuze voor een bepaalde geurdrager. Bovendien is niet uit te sluiten dat de speurhondengeleider zelf (onbewust) door deze wetenschap wordt beïnvloed bij het beoordelen van het gedrag van de hond, in het bijzonder bij het moment waarop de hond een keuze maakt een bepaalde geurdrager te willen apporteren.

5. De hier veronderstellenderwijs aangenomen fouten bij de geuridentificatieproef worden door het hof als ernstig aangemerkt. Zij kunnen de verdachte stellig benadelen. Dit betekent echter niet dat hierdoor zozeer tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, dat daardoor niet meer kan worden gesproken van een eerlijk proces.

Over de gehele procedure beschouwd, betreft de geuridentificatieproef slechts een onderdeel, dat naast ander bewijsmateriaal steun kan geven aan een bewezenverklaring. Het nadeel dat de verdachte ondervindt van de genoemde fout, wordt hersteld doordat het resultaat van de proef niet tot bewijs wordt gebezigd. De integriteit van de strafprocedure wordt niet zodanig aangetast dat het proces als geheel oneerlijk is geworden.

Het gaat in het strafproces om de beoordeling van het aan de verdachte gemaakte verwijt . Bij de beoordeling welke gevolgen fouten van opsporingsambtenaren moeten hebben voor de beslissing in de strafzaak weegt mee dat de maatschappij in het algemeen en de slachtoffers in de onderhavige zaak in het bijzonder aanspraak hebben op berechting van verdachten.

Mede in dit licht is het hof van oordeel dat de hier aangenomen fout, hoe ernstig op zichzelf ook, niet hoeft te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

6. Het hof acht het - in strijd met het daarvoor geldende reglement - niet blind uitvoeren van de geuridentificatieproef echter wel een dermate ernstige procedurele fout, dat de resultaten van een dergelijke proef terzijde moeten worden gesteld. Zulks heeft ook te gelden voor een geuridentificatieproef waarvan niet met zekerheid vaststaat dat deze is uitgevoerd overeenkomstig voormeld voorschrift.

Op grond hiervan wordt het resultaat van de geuridentificatieproef door het hof niet gebruikt voor het bewijs.

Het verweer dat [verdachte], toen van hem geur werd afgenomen, niet kon worden aangemerkt als verdachte, welk verweer strekt tot bewijsuitsluiting, behoeft dan geen bespreking meer.

7. De raadsman wil de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] horen om te kunnen aantonen, kort gezegd, dat de sorteerproef niet blind is uitgevoerd en dat daaromtrent een vals proces-verbaal is opgemaakt. Nu het hof bij de beoordeling van het hierop gebaseerde verweer reeds veronderstellenderwijs uitgegaan van dit scenario, acht het hof het horen van de verbalisanten niet noodzakelijk.

8. De aanwezigheid van de raadsvrouw bij de uitvoering van de sorteerproef en de mogelijkheid van tegenonderzoek strekken er toe de verdediging in staat te stellen te beoordelen of de proef correct werd uitgevoerd en om eventueel tegenbewijs te kunnen leveren tegen het resultaat van de proef. Het gaat er dus om de verdediging in staat te stellen het resultaat van de sorteerproef te betwisten.

Nu het hof het resultaat van de proef niet tot bewijs zal bezigen, is het geleden nadeel voor de verdediging, hierin bestaande dat de raadsvrouw van de verdachte niet is uitgenodigd om bij de uitvoering van de geuridentificatieproef aanwezig te zijn en het feit dat geen tegenonderzoek is uitgevoerd, volledig weggenomen.

Derhalve is niet tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

9. De enige bemoeienis van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] met dit opsporingsonderzoek is geweest het uitvoeren van de sorteerproef en het daaromtrent verslag doen in een proces-verbaal.

De onder 2.vii. bedoelde verhoren van [medeverdachte] zijn afgenomen door de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5]. Dezen hebben daarbij [medeverdachte] het resultaat van de sorteerproef voorgehouden. Uit niets wordt aannemelijk dat deze verbalisanten wisten dat er fouten waren begaan bij de uitvoering van de proef. Dat zij het hun meegedeelde resultaat van de sorteerproef voorhielden aan [medeverdachte] is dan ook niet onrechtmatig. Dit wordt ook niet alsnog onrechtmatig wanneer achteraf blijkt dat de sorteerproef fout is uitgevoerd.

Nu de verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] niet welbewust valse informatie of onrechtmatige opsporingsresultaten hebben gebruikt om [medeverdachte] te bewegen de naam van diens mededader te noemen, is geen sprake van het doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte tekort doen aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak.

10. Het betoog van de raadsman dat de verklaring van [medeverdachte], waarin deze de naam van [verdachte] noemt, slechts is verkregen door de confrontatie met de onrechtmatige sorteerproef en daarom moet worden uitgesloten van het bewijs, wordt door het hof niet gevolgd.

Weliswaar heeft [medeverdachte] zijn mededader pas genoemd nadat hem het resultaat van de sorteerproef was meegedeeld, maar uit hetgeen onder 2.vii. is weergegeven blijkt dat [medeverdachte] zijn verklaring heeft afgelegd nadat hij zijn angst voor [verdachte], die hem na het vonnis van de rechtbank inzake de overval in Heesch had bedreigd, welke angst hem tot dan toe had weerhouden de naam van [verdachte] te noemen, had overwonnen. [medeverdachte] noemt de “positieve sorteerproef” slechts “een van de redenen dat ik u nu de naam van [verdachte] wil zeggen”. Hij geeft ook aan dat hij schoon schip wilde maken en dat hij heeft gebroken met zijn criminele vrienden.

Voorts wijst het hof erop dat, zoals is aangegeven onder 2.viii., [medeverdachte] als getuige ter terechtzitting van de rechtbank opnieuw de verdachte [verdachte] aanwijst als mededader.

Uit het vorenstaande blijkt dat de hier bedoelde verklaring van [medeverdachte] niet uitsluitend is verkregen als rechtstreeks resultaat van het voorhouden van het resultaat van de sorteerproef. Reeds hierom hoeft deze verklaring niet te worden uitgesloten van het bewijs.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 september 2004 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in/uit/nabij een Edah supermarkt (gelegen aan de [adres]) een sleutelbos en/of een (Samsonite)koffer met inhoud en/of een tas met inhoud, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander en/of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer andere perso(o)n(en), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer andere perso(o)n(en) heeft gedwongen tot de afgifte van een sleutelbos en/of een (Samsonite)koffer met inhoud en/of een tas met inhoud, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer andere perso(o)n(en), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- [slachtoffer 1] heeft/hebben benaderd terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) (een) (bivak)muts(en) en/of een pantykous(en) over zijn/hun hoofd heeft/hadden getrokken en/of (vervolgens) een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op/tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gezet, althans op die [slachtoffer 1] heeft/hebben gericht en/of (vervolgens) een hand op de mond van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gelegd en/of (daarbij/vervolgens) die [slachtoffer 1] de woorden heeft/hebben toegevoegd: “Stil, of ik schiet je door je hoofd”, althans woorden van gelijke strekking en/of (vervolgens) een jas over het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft/hebben gelegd en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] (met kracht) een ruimte heeft/hebben ingeduwd en/of (vervolgens) (de voeten en/of polsen) van die [slachtoffer 1] (met tape) heeft/hebben vastgebonden/gekneveld en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] heeft/hebben gefouilleerd en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] heeft/hebben opgesloten op een toilet en/of

- (daarbij/vervolgens) een voorwerp in/tegen de nek, althans tegen het lichaam van [slachtoffer 2] heeft/hebben geduwd en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] het pand van de Edah supermarkt heeft/hebben ingetrokken en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] heeft/hebben vastgebonden/gekneveld en/of (vervolgens) een jas over het hoofd van die [slachtoffer 2] heeft/hebben gelegd en/of

- (daarbij/vervolgens) [slachtoffer 3] en/of een of meer ander(en) (stevig) heeft/hebben vastgepakt en/of (met kracht) heeft/hebben geduwd en/of heeft/hebben vastgebonden/gekneveld en/of een jas, althans een voorwerp, over het hoofd van die [slachtoffer 3] en/of die ander(en) heeft/hebben gelegd en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op (het hoofd van) die [slachtoffer 3] en/of die ander(en) heeft/hebben gericht en/of (daarbij) die [slachtoffer 3] de woorden heeft/hebben toegevoegd: “Rustig blijven, niet gillen, anders schiet ik je kop eraf”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

2.

hij op of omstreeks 24 september 2004 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer andere perso(o)n(en), wederrechtelijk van de vrijheid heeft/hebben beroofd en/of beroofd gehouden, door tezamen en in vereniging met die ander(en), althans alleen voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of een of meer andere perso(o)n(en), opzettelijk en wederrechtelijk in een ruimte van de Edah op te houden en/of (vervolgens) een of meerdere personen te knevelen/vast te binden en/of een jas over het hoofd te trekken en/of onder de bedreiging van een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, en/of een (ijzeren) staaf de woorden toe te voegen dat ze stil moeten zijn en/of zich niet moeten bewegen, althans woorden van gelijke (bedreigende) aard en/of strekking.

3.

hij op of omstreeks 23 september 2004 te Uden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (personen)auto (merk Opel Kadett, [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, te weten door het portierslot en/of het stuurslot en/of het contactslot te forceren en/of te verbreken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1a

hij op 24 september 2004 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in/uit/nabij een Edah supermarkt (gelegen aan de [adres]) een sleutelbos toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededader [slachtoffer 1] hebben benaderd terwijl verdachte en zijn mededader een (bivak)muts of pantykous over hun hoofd hadden getrokken en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] hebben gezet en een hand op de mond van die [slachtoffer 1] hebben gelegd en daarbij die [slachtoffer 1] de woorden hebben toegevoegd: “Stil of ik schiet je door je hoofd”, althans woorden van gelijke strekking en vervolgens een jas over het hoofd van die [slachtoffer 1] hebben gelegd en vervolgens die [slachtoffer 1] een ruimte hebben ingeduwd en vervolgens de voeten en polsen van die [slachtoffer 1] met tape hebben vastgebonden en vervolgens die [slachtoffer 1] hebben gefouilleerd en vervolgens die [slachtoffer 1] hebben opgesloten op het toilet.

en

1b

op 24 september 2004 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen nabij een Edah supermarkt (gelegen aan de [adres]) een (Samsonite)koffer met inhoud toebehorende aan [slachtoffer 2],

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededader een voorwerp tegen de nek van [slachtoffer 2] hebben geduwd en vervolgens die [slachtoffer 2] het pand van de Edah supermarkt hebben ingetrokken en vervolgens die [slachtoffer 2] hebben vastgebonden/gekneveld en een jas over het hoofd van die [slachtoffer 2] hebben gelegd.

en

1c

op 24 september 2004 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 3], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededader [slachtoffer 3] stevig hebben vastgepakt en met kracht hebben geduwd en een jas over het hoofd van die [slachtoffer 3] hebben gelegd en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op het hoofd van die [slachtoffer 3] hebben gericht en die [slachtoffer 3] de woorden hebben toegevoegd: “Rustig blijven, niet gillen, anders schiet ik je kop eraf”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking.

2.

hij op 24 september 2004 te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en andere personen (te weten [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8]) wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden door tezamen en in vereniging met die ander voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6], [slachtoffer 7] en [slachtoffer 8] opzettelijk en wederrechtelijk in een ruimte van de Edah op te houden en meerdere van deze personen vast te binden en een jas over het hoofd te trekken en/of onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp de woorden toe te voegen dat ze stil moeten zijn en/of zich niet moeten bewegen, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking.

3.

hij op 23 september 2004 te Uden tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Opel Kadett, [kenteken]), toebehorende aan [slachtoffer 4], waarbij verdachte en zijn mededader het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, te weten door het portierslot en het stuurslot en het contactslot te forceren.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

De raadsman heeft aangevoerd dat het bewijs tegen [verdachte] uitsluitend bestaat uit de verklaring van [medeverdachte] en dat de enkele verklaring van een medeverdachte nimmer voldoende is voor bewezenverklaring (pleitnota, nr. 26).

De raadsman heeft kennelijk het oog op de regel van artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering: “Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, kan door den rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige.”

Het is vaste rechtspraak dat deze regel slechts geldt voor de gehele bewezenverklaring. Onderdelen van de bewezenverklaring mogen slechts op een enkele getuigenverklaring berusten.

Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte], waarin deze de verdachte [verdachte] aanwijst als mededader, betrouwbaar. [medeverdachte] is als getuige ondervraagd ter terechtzitting van de rechtbank in aanwezigheid van de verdediging, waarbij de verdediging haar ondervragingsrecht heeft kunnen uitoefenen. Vrijwel alles wat [medeverdachte] heeft verklaard en wat kan worden vergeleken met hetgeen uit andere bronnen (verklaringen van getuigen, bevindingen van de opsporingsambtenaren) bekend is, komt overeen met wat uit die andere bronnen is gebleken.

Deze andere bronnen zijn evenzovele bewijsmiddelen voor andere onderdelen van het bewezenverklaarde. Het in artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde geval doet zich hier dus niet voor.

Aan de overtuiging van het hof draagt verder bij dat [verdachte] in februari 2005 eveneens met [medeverdachte] een andere overval op een supermarkt heeft gepleegd met behulp van een gestolen auto.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1a en 1b is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 312, eerste lid en tweede lid onder 2°, juncto de artikelen artikel 310 en 56 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezenverklaarde onder 1c is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 317, eerste en derde lid, juncto artikel 312, tweede lid, aanhef en onder 2°, en artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 282, eerste lid, juncto de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 4° en 5°, juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De advocaat-generaal heeft een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren gevorderd.

Het hof is – met de rechtbank – van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

• de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

• de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder ter zake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen (in 1998 wegens afpersing en diefstal met geweld, gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk; in 2001 wegens diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving, gevangenisstraf van 6 jaren);

• het feit dat verdachte en zijn mededader de door hen gepleegde strafbare feiten hebben begaan na een gedegen voorbereiding en aan de hand van een vooropgezet plan, waarbij zij de situatie bij de supermarkt hebben geobserveerd, de vluchtroute hebben verkend en een vluchtauto hebben gestolen en naderhand in brand hebben gestoken om sporen uit te wissen;

• verdachte heeft zijn mededader van een wapen (metalen pijp) en van handschoenen en gezichtsbedekking voorzien;

• het gewelddadig karakter van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde, waarbij verdachte en zijn mededader de slachtoffers hebben opgewacht in of bij de supermarkt, hen bij het binnengaan van de supermarkt hebben overmeesterd door – gemaskerd – wapens (een nepvuurwapen en een metalen pijp) te tonen en in enkele gevallen de slachtoffers te bedreigen. De slachtoffers zijn daarna een half uur tot anderhalf uur in een ruimte opgesloten met kleding over hun hoofd en sommigen waren daarbij gekneveld. De mobiele telefoons van de slachtoffers werden afgenomen zodat de politie niet kon worden gewaarschuwd. De slachtoffers hebben zich ernstig bedreigd gevoeld en sommigen hebben gevreesd voor hun leven;

• de omstandigheid dat feiten als deze grote onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving veroorzaken.

Het hof merkt hierbij nog op dat – gezien het bovenstaande – een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren passend zou zijn. Het hof ziet echter af van het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren nu verdachte door dit gerechtshof onder parketnummer 20-010136-05 op 3 januari 2006 (zie uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 30 november 2007) tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren is veroordeeld voor misdrijven begaan na die in de onderhavige zaak en het hof rekening houdt met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Daarbij overweegt het hof dat het hof – ware beide zaken gelijktijdig berecht – een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren zou hebben opgelegd voor beide zaken.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 800,-. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] als gevolg van verdachtes onder 3 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 47, 56, 57, 63, 282, 310, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde oplevert:

Voortgezette handeling van 1a, 1b en 1c

1a: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

1b: Diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan zijn mededader hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

1c: Afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

2: Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd.

3: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 800,00 (achthonderd euro) met dien verstande dat indien en voor zover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 4] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [slachtoffer 4], wonende te [adres] [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 800,00 (achthonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. J.A. van Zon en mr. J.J. van der Kaaden,

in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoekstra, griffier,

en op 17 december 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.