Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BC0314

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
18-12-2007
Zaaknummer
06/00310
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2006:BC0853, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het Hof dient, in navolging van de Rechtbank, voor de verzekeringsplicht voor de Nederlandse volksverzekeringen eerst gekeken te worden naar internationale regelgeving (zie Hoge Raad 28 februari 2001, nr. 35 151, BNB 2001/198). Met de Inspecteur en de Rechtbank is het Hof van oordeel dat, hoewel Noorwegen geen deel uitmaakt van de Europese Unie, de Verordening ingevolge de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte van toepassing is alsof Noorwegen een EU-lidstaat is. In artikel 3, lid 1, van het op 4 juni 1996 te Oslo gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen inzake sociale zekerheid (Trb. 1996, 208; hierna: het Verdrag) is bepaald dat het Verdrag van toepassing is op de personen die vallen onder de personele werkingssfeer van de Verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008, 59
FutD 2008-0037
V-N 2008/12.20

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00310

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank te Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 juli 2006, nummer AWB 06/665, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.814,=.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij uitspraak, de aanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof van belanghebbende een griffierecht geheven van € 105,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 april 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbende is met bericht niet verschenen.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de Inspecteur tijdens het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is geboren in 1967 en is gehuwd. Hij heeft de Nederlandse nationaliteit en woonde het gehele jaar 2002 in Nederland.

2.2. Belanghebbende is in de periode van 1 januari 1999 tot en met 30 mei 1999 buiten Nederland werkzaam geweest voor een buiten Nederland gevestigde werkgever. In de daarop aansluitende periode van 31 mei 1999 tot en met 31 december 2002 was belanghebbende werkzaam in het buitenland voor een in Nederland gevestigde werkgever, A B.V. (hierna: de werkgever).

2.3. In 2002 werkte belanghebbende uitsluitend buiten Nederland. Belanghebbende verrichtte zijn werkzaamheden voor de werkgever op het Noorse deel van het continentale plat als chief officer van een zogenaamde stenenstorter, een schip varende onder Nederlandse vlag.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur belanghebbende voor het jaar 2002 terecht heeft aangemerkt als verplicht verzekerde en daardoor tevens als premieplichtige voor de Nederlandse volksverzekeringen.

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend. De Inspecteur is de tegengestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en vernietiging van de aanslag premie volksverzekeringen. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Belanghebbende stelt dat zijn verzekeringsplicht louter moet worden beoordeeld aan de hand van de nationale wet en dat artikel 13, lid 2, onderdeel c, van de Verordening nr. 1408/71 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1971 (hierna: de Verordening), niet op hem van toepassing kan zijn, omdat hij zijn werkzaamheden niet verricht aan boord van een schip dat wordt geëxploiteerd in het internationale verkeer.

4.1.2. Naar het oordeel van het Hof dient, in navolging van de Rechtbank, voor de verzekeringsplicht voor de Nederlandse volksverzekeringen eerst gekeken te worden naar internationale regelgeving (zie Hoge Raad 28 februari 2001, nr. 35 151, BNB 2001/198). Met de Inspecteur en de Rechtbank is het Hof van oordeel dat, hoewel Noorwegen geen deel uitmaakt van de Europese Unie, de Verordening ingevolge de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte van toepassing is alsof Noorwegen een EU-lidstaat is. In artikel 3, lid 1, van het op 4 juni 1996 te Oslo gesloten Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Noorwegen inzake sociale zekerheid (Trb. 1996, 208; hierna: het Verdrag) is bepaald dat het Verdrag van toepassing is op de personen die vallen onder de personele werkingssfeer van de Verordening.

De eerste grief van belanghebbende treft geen doel.

4.2.1. Gelet op het in 4.1.2 overwogene moet vervolgens worden bezien of belanghebbende onder de personele werkingssfeer van de Verordening valt.

Artikel 2, lid 1, van de Verordening luidt, voor zover van belang, als volgt:

"Deze verordening is van toepassing op werknemers [...] op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten [...] zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.".

4.2.2. Artikel 12, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 luidt als volgt:

"Niet verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de persoon die in Nederland woont en die gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie maanden uitsluitend buiten Nederland arbeid verricht, tenzij die arbeid uitsluitend wordt verricht uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever.".

Belanghebbende betoogt in dit verband dat, nu hij zijn werkzaamheden in het tijdvak 1999 tot en met 2002 louter buiten Nederland heeft verricht, echter niet uitsluitend uit hoofde van een dienstbetrekking met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever, hij voor het jaar 2002 niet verplicht verzekerd is geweest en mitsdien geen premie is verschuldigd. Belanghebbende verwijst in dezen naar de uitspraken van het Hof in de belanghebbende betreffende zaken met vergelijkbare omstandigheden, kenmerk 01/02973 en 02/02874, waartegen belanghebbende beroep in cassatie heeft ingesteld. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 8 december 2006, nummers

41 095 en 41 094, V-N 2007/4.23, belanghebbendes beroep onder verwijzing naar artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie echter ongegrond verklaard.

4.2.3. Nu, mede gelet op hetgeen is beslist in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 29 juni 1994, C-60/93, Aldewereld, BNB 1995/44, en de onder 4.2.2 aangehaalde beslissingen van de Hoge Raad, de Nederlandse wetgeving op belanghebbende van toepassing is, valt belanghebbende naar het oordeel van het Hof onder de personele werkingssfeer van de Verordening.

4.3.1. Artikel 13, lid 1, van de Verordening luidt als volgt:

"Onder voorbehoud van artikel 14quater zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.".

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende onderworpen is aan Noorse premieheffing.

4.3.2. Ingevolge artikel 13, lid 2, letter c, van de Verordening

"is op degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip, dat onder de vlag van een Lid-Staat vaart, de wetgeving van die Staat van toepassing;".

4.3.3. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift en ook nader gesteld, dat belanghebbende beroepswerkzaamheden heeft uitgeoefend aan boord van een zeeschip, dat onder Nederlandse vlag vaart. Voor zover belanghebbende heeft bedoeld zulks te weerspreken met de stelling dat hij zijn werkzaamheden niet verrichtte aan boord van een schip dat wordt geëxploiteerd in het internationale verkeer, c.q dat hij werkzaam is geweest op het Noorse deel van het continentale plat, is dat daartoe naar het oordeel van het Hof onvoldoende.

4.3.4. In de Verordening is niet omschreven wat als zeeschip heeft te gelden. Gelet op het feit dat sprake is van een stenenstorter werkzaam op het Noorse deel van het continentale plat en varende onder Nederlandse vlag, en gelet op artikel 2, lid 1, van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek (vergelijk Hoge Raad 29 november 2000, nr. 35 522, BNB 2001/63), is het Hof van oordeel dat het schip ook in de zin van de Verordening een zeeschip is. Uit artikel 13, lid 2, letter c, van de Verordening volgt dan dat belanghebbende verzekerd en premieplichtig is in Nederland.

4.5. Gelet op het vorenstaande is het gelijk in dezen aan de zijde van de Inspecteur.

5. Griffierecht

Nu het hoger beroep ongegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig voor vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht.

6. De proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het Hof :

- verklaart het hoger beroep ongegrond en

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 20 september 2007 door J. Swinkels, voorzitter, J.W. van der Voort en F. Sonneveldt, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.