Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BC0132

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
13-12-2007
Zaaknummer
C200501549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na 24 jaar beëindigt werkgever het dienstverband met werknemer. Werknemer vordert schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag. Kantonrechter wijst vordering af. Hof bekrachtigt en weegt mee de financiële situatie van werkgever en haar vennoten. Voorts acht het hof van belang dat de door werknemer uitgeoefende functie is komen te vervallen. Ten slotte kan niet worden geconcludeerd dat de gevolgen van het ontslag voor werknemer te ernstig zijn vergeleken met het belang van werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnr. C0501549/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 4 december 2007,

gewezen in de zaak van:

[A.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 1 november 2005,

procureur: mr. P.J.A.M. Baudoin,

tegen:

1. C-1000 [B.] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

en haar vennoten:

2. [C.],

wonende te [woonplaats],

3. [D.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Sittard-Geleen, gewezen vonnissen van 13 april 2005 en 10 augustus 2005 tussen appellant - [A.] – als eiser en geïntimeerden - C-1000 - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 172580 CV EXPL 04-3233)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [A.] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 10 augustus 2005 waarvan beroep en, kort gezegd, opnieuw rechtdoende, tot veroordeling van C-1000 tot betaling van hetgeen in eerste aanleg is gevorderd, met veroordeling van C-1000 in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft C-1000, onder overlegging van twee producties, de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [A.], geboren op [geboortejaar], is op 1 januari 1980 in dienst getreden van C-1000 dan wel haar rechtsvoorgangster. [A.] was laatstelijk werkzaam als chef van de slagerij. Hij werkte fulltime. Zijn laatstelijk verdiende salaris bedroeg per vier weken € 3.031,21 bruto, exclusief vakantie-toeslag en overige emolumenten.

4.1.2. Op 25 februari 2004 heeft de Centrale Organisatie voor Werk en Inkomen (CWI) aan C-1000 toestemming verleend om de arbeidsverhouding met [A.] op te zeggen (productie 1 inleidende dagvaarding). Vervolgens heeft C-1000 bij brief van 2 maart 2004 (productie 2 inleidende dagvaarding) het tussen partijen geldende dienstverband per 1 juli 2004 opgezegd.

4.1.3. Volgens [A.] is het hem gegeven ontslag kennelijk onredelijk. Bij dagvaarding van 5 oktober 2004 heeft hij C-1000 in rechte betrokken en gevorderd dat C-1000 wordt veroordeeld tot betaling aan hem van:

een bedrag van € 70.517,47 bruto, althans een in goede justitie te betalen bedrag, ter zake van kennelijk onredelijk ontslag,

een bedrag van € 1.542,85 exclusief btw, ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke rente over genoemde bedragen vanaf 1 juli 2004 tot de dag der algehele voldoening,

de proceskosten.

4.1.4. Bij vonnis van 13 april 2005, waarvan appel, heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast. Nadat deze comparitie had plaatsgehad, heeft de kantonrechter bij vonnis van 10 augustus 2005, waarvan appel, de vorderingen van [A.] afgewezen en de proceskosten gecompenseerd, des dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

4.1.5. [A.] is van beide vonnissen tijdig in hoger beroep gekomen.

4.2. Tegen het vonnis van de kantonrechter van 13 april 2005 is geen grief gericht, zodat [A.] in het beroep daarvan niet-ontvankelijk is.

4.3. [A.] heeft tegen het eindvonnis van 10 augustus 2005, zoals gezegd, vier grieven opgeworpen.

4.4. Blijkens de grieven I tot en met III en de toelichting daarop bestrijdt [A.] dat de ondernemingsresultaten van C-1000 in de periode voorafgaande aan de opzegging bedroevend waren en dat een reorganisatie, waarbij personele maatregelen getroffen moesten worden, onvermijdelijk was. [A.] vraagt zich af of de cijfers over 2003, waarin – vergeleken met 2002 - sprake is van een verdubbeling van de afschrijvingskosten, wel een reëel beeld geven van de daadwerkelijke financiële situatie van de onderneming van C-1000 op dat moment. Voorts betoogt [A.] dat C-1000 ten onrechte heeft aangevoerd dat de onderneming in verband met de door haar gewenste kostenreductie heeft moeten besluiten om de functie van [A.] te laten vervallen. Uit de praktijk blijkt namelijk dat de bijbehorende werkzaamheden, die na zijn vertrek door zijn collega [E.] worden verricht, gewoon zijn blijven bestaan. Enkele weken na het ontslag van [A.] is [F.] als leerling aangenomen, zodat er nog steeds twee werknemers zijn. Er is slechts op papier sprake van een verval van de functie. Ten slotte voert [A.] aan dat de kantonrechter ten onrechte in het kader van de belangenafweging heeft geoordeeld dat onder de gegeven omstandigheden [A.] in redelijkheid niet kan verlangen dat aan hem een financiële blijk van waardering wordt verstrekt. Het ontslag van [A.] levert C-1000 een aanzienlijke jaarlijkse besparing op en in die zin heeft C-1000 onmiskenbaar belang bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [A.]. Wat betreft de financiële gevolgen voor [A.], waarover de kantonrechter heeft vast- gesteld dat [A.] gedurende zekere tijd na de beëindiging van het dienstverband een aanzienlijk lager inkomen heeft gehad, valt niet in te zien waarom C-1000 de gevolgen van het ontslag na een dienstverband van 26 jaar niet zou behoeven te compenseren, mede gelet op het feit dat het ontslag louter is bedoeld om voor de onderneming kosten te besparen, aldus [A.].

4.5. C-1000 heeft deze stellingen gemotiveerd bestreden. Het gemiddelde jaarresultaat van C-1000 voor belastingen over de jaren 2000 tot en met 2003 was € 2.402,--. De door [A.] bedoelde afschrijvingskosten, die betrekking hebben op de verbouwing in 2002, zijn boekhoudkundig gebruikelijk en zijn goedgekeurd door de belastingdienst. C-1000 heeft de verbouwing uitgevoerd in een poging de negatieve tendens te keren. Wat betreft de functie van chef slagerij, deze is inmiddels vervallen. [A.] beschikte over meer kwalificaties dan hij strikt genomen voor de uitvoering van de voorhanden zijnde werkzaamheden nodig had. Het feit dat er geen beëindigingsvergoeding aan [A.] is voldaan, maakt diens ontslag nog niet kennelijk onredelijk. Daarvoor zijn aanvullende omstandigheden noodzakelijk, die in dit geval niet aanwezig zijn.

4.6. [A.] bestrijdt allereerst dat de financiële situatie van C-1000 in de periode voorafgaand aan het ontslag zo slecht was dat een reorganisatie met personele maatregelen onvermijdelijk was. Het hof overweegt als volgt. Volgens de (concept-) resultatenberekening van 2003 bedroeg het negatieve resultaat voor belasting € 8.850,--. Voorts blijkt uit die berekening dat de afschrijvings-kosten € 136.686,-- bedragen, derhalve nagenoeg een verdubbeling van de afschrijvingskosten over 2002. Volgens [A.] zèlf is het pand van C-1000 in 2002 verbouwd. Daardoor worden de hoge afschrijvingskosten vermeld in de resultatenberekening van 2003 naar het oordeel van het hof voldoende verklaard. Dat de financiële situatie van C-1000 in de periode voorafgaand aan de opzegging van het dienstverband met [A.] slecht was, volgt niet alleen uit voormelde resultaten- berekening van 2003, maar blijkt voorts uit de financiële gegevens betreffende de onderneming van C-1000 van 2002 en 2004, welke gegevens als zodanig niet zijn betwist. Blijkens de (concept-)resultatenberekening van 2002 (productie 2 conclusie van antwoord) bedroeg het negatieve bedrijfsresultaat € 142.778,-- en was het positieve resultaat voor belasting

€ 7.911,--. Blijkens de voorlopige cijfers van 2004 over week 1 tot en met week 39 (productie 3 conclusie van antwoord) bedroeg het negatieve bedrijfsresultaat € 73.302,-- en het positieve resultaat voor belasting € 6.156,--. Voorts is niet bestreden dat de gemeente Heel blijkens de brief van 27 augustus 2004 (productie 4 conclusie van antwoord) aan geïntimeerden sub 2 en 3 (vennoten van C-1000) met ingang van 1 juli 2004 gedurende zes maanden een tijdelijke periodieke uitkering heeft verstrekt in het kader van het Besluit Bijstandsverlening Zelfstandigen. Blijkens voormelde brief verkeerde het bedrijf van de vennoten van C-1000 op dat moment in moeilijke omstandigheden. Voorts staat vast dat de betreffende gemeente geen vervolguitkering heeft verstrekt, omdat de onderneming 'niet levensvatbaar is te achten'. Ten slotte is niet bestreden dat aan de vennoten van C-1000 bij brief van 6 april 2004 (productie 5 conclusie van antwoord) is medegedeeld dat zij recht hebben op een huursubsidie van € 142,07 per maand. Ook hieruit blijkt dat de financiële situatie van C-1000 in de periode voorafgaande aan de opzegging van het dienstverband met [A.] slecht was. Dat de vennoten van C-1000 in de betreffende periode in het buitenland op vakantie zijn geweest, maakt dit oordeel niet anders. De stelling van [A.] dat de financiële situatie van C-1000 voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband niet tot personele maatregelen noopte, wordt dan ook verworpen.

4.7. [A.] stelt voorts dat de door hem bij C-1000 uitgeoefende functie van chef slagerij, anders dan C-1000 heeft aangevoerd, niet is komen te vervallen en dat er bij C-1000 enkel sprake is geweest van een kostenreductie. Naar het oordeel van het hof was volgens de eigen stellingen van [A.] bij C-1000 al geruime tijd niet meer sprake van een ambachtelijke werkwijze. Het vlees werd al sedert vijftien jaar 'zonder been' aangeleverd, aldus [A.]. [A.] heeft in hoger beroep niet duidelijk gemaakt – hetgeen wel op zijn weg had gelegen - welke specifieke aan de functie van chef slagerij en het daarbij behorende salaris gekoppelde werkzaamheden, die hij voorafgaand aan de opzegging uitvoerde, thans door de door hem genoemde [E.] worden uitgevoerd. [A.]' stelling dat er feitelijk een verschuiving heeft plaatsgevonden van zijn werkzaamheden naar die van zijn collega [E.] is in dit verband in elk geval onvoldoende onderbouwd ten opzichte van het verweer van C-1000 dat strikt genomen al heel lang geen behoefte aan de kwaliteiten van een chef slagerij bestond en dat de door de tegenvallende bedrijfsresultaten noodzakelijke reorganisatie maakte dat die situatie niet langer kon voortduren. Als onvoldoende weer- sproken is derhalve komen vast te staan dat de functie van chef slagerij is komen te vervallen. Het hof verwerpt dan ook de stelling van [A.] dat er bij C-1000 enkel sprake zou zijn geweest van kostenreductie.

4.8. [A.] beroept er zich ten slotte nog op dat zijn ontslag kennelijk onredelijk is wegens schending van het zogenoemde gevolgencriterium (art. 7:681 lid 2 sub b BW). Maatstaf bij de beoordeling is of mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor de werknemer bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Bij de beoordeling van de gevolgen wordt uitgegaan van de ten tijde van de opzegging bestaande situatie. De schadevergoeding in het kader van een kennelijk onredelijk ontslag is een schadevergoeding naar billijkheid. De wet bevat geen voorschriften voor de berekening van die vergoeding. Het bedrag wordt door de rechter bepaald aan de hand van alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag. Tot die omstandigheden worden onder meer gerekend: de financiële situatie van de werkgever, de duur van de dienstbetrekking, de hoogte van het salaris en eventuele emolumenten, de leeftijd van de werknemer, de (voorzien-bare) schade die hij lijdt als gevolg van het verlies van zijn arbeidsplaats etc.. Het is aan de rechter het gewicht dat aan de diverse factoren moet worden toegekend te beoordelen.

4.9. Anders dan [A.] met zijn derde grief beoogt, kan niet worden geconcludeerd dat de gevolgen van het ontslag voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van C-1000 bij dat ontslag, ook al is dat hem na een langdurig dienstverband, op 49-jarige leeftijd, verleend.

In dit verband is het volgende van belang. C-1000 heeft (vóór het einde van het dienstverband tussen partijen) aan [A.] voorgesteld om als chef slagerij te solliciteren bij een filiaal van C-1000 te [vestigingsplaats]. [A.] is op dit voorstel niet ingegaan. De door hem ter comparitie in eerste aanleg gegeven (in een proces-verbaal neergelegde) verklaring dat hij een aanzienlijk hoger salaris dan het salaris dat hij bij C-1000 verdiende, wenste te ontvangen omdat hij in het filiaal van C-1000 te [vestigingsplaats] meer verantwoordelijkheid en meer personeel onder zich zou hebben, acht het hof onvoldoende redengevend. Voorts heeft [A.] (blijkens het proces-verbaal van voormelde comparitie) op 30 april 2004 zijn werkzaamheden voor C-1000 gestaakt en is hij met ingang van 1 mei 2004 werkzaamheden gaan verrichten voor een Duitse werkgever, zulks door tussenkomst van een uitzendbureau. Dat [A.] laatstbedoelde werkzaamheden niet meer kon verrichten als gevolg van ziekte (vanaf een onbekende datum tot 13 december 2004) en hij in die periode een ziekte-uitkering ontving, is niet aan C-1000 te verwijten. Ten slotte heeft [A.] ter comparitie verklaard, kort gezegd, dat hij werkloos is geweest vanaf 13 december 2004 tot 18 juli 2005 (in welke periode hij een WW-uitkering, met aftrek van inkomsten uit werkzaamheden gedurende 3 uren per week, ontving) en dat hij vanaf laatstgenoemde datum als zelfstandig ondernemer een slagerij in [vestigingsplaats] exploiteert. [A.] heeft onvoldoende duidelijkheid verschaft over de inkomsten die hij - na zijn ontslag bij C-1000 - heeft ontvangen. Voorts is niet gesteld of gebleken welke eventuele sollicitatie-activiteiten [A.] gedurende de periode van werkloosheid heeft verricht.

Gezien voormelde feiten en omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat de perspectieven van [A.] op de arbeidsmarkt niet gunstig waren. Het hof concludeert dat onvoldoende feiten zijn gesteld of gebleken die bij toepassing van het in rechtsoverweging 4.8 genoemde criterium kunnen leiden tot het oordeel dat de opzegging van het dienstverband met [A.] (bij gebreke van een vergoeding ten gunste van [A.]) kennelijk onredelijk is.

4.10. Nu [A.] te weinig heeft gesteld omtrent de gevolgen voor hem van de opzegging van het dienstverband is een financiële compensatie door concern [G.], zoals door [A.] bepleit, niet aan de orde.

4.11. De slotsom is dat de grieven I, II en III falen. De vierde grief heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen afzonderlijke bespreking. Het vonnis van 10 augustus 2005 wordt bekrachtigd. [A.] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart [A.] niet-ontvankelijk in het beroep tegen het vonnis van 13 april 2005;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van 10 augustus 2005;

veroordeelt [A.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van C-1000 worden begroot op € 244,-- aan griffierecht en € 1.631,-- aan salaris procureur;

verklaart dit arrest, wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Venner-Lijten, Slootweg en Walsteijn en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 4 december 2007.