Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB9396

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
05-12-2007
Zaaknummer
20-000789-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Noodweer: Verdachte, werkzaam als portier bij een horecagelegenheid, wordt door het hof ontslagen van alle rechtsvervolging, nu het hof het, gelet op de in het arrest weergegeven feiten en omstandigheden, een en ander in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, aannemelijk acht dat verdachte, geconfronteerd met [benadeelde], die na herhaald aandringen en sommeren, weigerde de horecagelegenheid te verlaten, terwijl het aanwenden van enige drang en een beperkte mate van fysiek geweld door verdachte teneinde hem tot het verlaten van de horecagelegenheid te bewegen, van de zijde van [benadeelde] heeft geleid tot oplopend verzet, geweld en volharding in zijn inmiddels wederrechtelijk verblijf in de horecagelegenheid, heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van (eigen) lijf en goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [benadeelde]. Naar het oordeel van het hof is de door verdachte aan

[benadeelde] gegeven klap, gelet op de weergegeven omstandigheden en de aard van de klap zoals bewezen verklaard, niet disproportioneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000789-07

Uitspraak : 4 december 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 februari 2007 in de strafzaak met parketnummer 01/820737-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken, met een proeftijd voor de duur van 2 jaren, en een geldboete van € 500,00 subsidiair 10 dagen hechtenis zal opleggen. Voort heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 1.282,19, bestaande uit een bedrag van € 782,19 aan materiële schade en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schade, met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering zal verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter en voorts, omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 februari 2006 te Eindhoven aan een persoon genaamd

[benadeelde], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken neus en/of afgebroken tand), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meerdere malen, althans eenmaal, met kracht, met (een) tot vuist gebalde hand(en), op/tegen diens neus, althans op/tegen diens gelaat te slaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 18 februari 2006 te Eindhoven opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), met (een) tot vuist gebalde hand(en), meerdere malen, althans eenmaal, met kracht, op/tegen diens neus, althans op/tegen diens gelaat heeft geslagen, ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (gebroken neus en/of afgebroken tand), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Naar het oordeel van het hof kan niet worden bewezen dat verdachte met het voor dit misdrijf vereiste opzet heeft gehandeld, ook niet in voorwaardelijke zin.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 februari 2006 te Eindhoven opzettelijk mishandelend een persoon (te weten

[benadeelde]), met een tot vuist gebalde hand tegen diens neus heeft geslagen, ten gevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (gebroken neus) heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 300, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Van de zijde van verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep met betrekking tot het bewezen verklaarde het verweer gevoerd, dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces en derhalve voor dit feit dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof overweegt dienaangaande het navolgende.

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren:

1. Verdachte, werkzaam als portier in de horecagelegenheid “[naam horecagelegenheid]” te Eindhoven, kreeg in de nacht van 17 op 18 februari 2006 van de eigenares van die horecagelegenheid te horen dat [benadeelde], die op dat moment stond over te geven in het fonteintje op het herentoilet, de horecagelegenheid diende te verlaten;

2. [benadeelde] was reeds gevraagd de horecagelegenheid te verlaten;

3. Ook vrienden die hem vergezelden was gevraagd te bewerkstelligen dat [benadeelde] de horecagelegenheid zou verlaten. Ook zij konden [benadeelde] daartoe niet bewegen;

4. Verdachte heeft hierop enkele collega’s, die zich in een aan de overkant van de weg gelegen horecapand bevonden, via zijn zogenaamde “oortje” om assistentie verzocht, is naar [benadeelde] gelopen en heeft hem meermalen gesommeerd het pand te verlaten;

5. [benadeelde] heeft hier niet op gereageerd en bleef gebogen over het fonteintje in het herentoilet staan;

6. Verdachte heeft [benadeelde] toen vastgepakt, teneinde hem via de nooduitgang de horecagelegenheid uit te geleiden, waarop [benadeelde] de kraan van het fonteintje vastpakte;

7. Verdachte heeft [benadeelde] vervolgens om zijn middel vastgepakt en heeft hem “door iets meer kracht te zetten” van het fonteintje losgetrokken en heeft [benadeelde] in de richting van de nooduitgang, die in een kleine ruimte was gelegen, geleid;

8. [benadeelde] begon zich hierop hevig te verzetten en greep zich onderweg naar de nooduitgang meermalen vast, waaronder aan een sigarettenautomaat, teneinde te voorkomen dat verdachte hem de horecagelegenheid uit kon zetten;

9. Verdachte heeft [benadeelde] vervolgens, door een knie onder in zijn rug te plaatsen, opgetild en verder richting de nooduitgang geleid;

10. [benadeelde] heeft zich op een gegeven moment zodanig afgezet, dat verdachte hem moest loslaten;

11. [benadeelde] heeft toen richting verdachte “uitgehaald”, waarbij hij verdachte slechts schampte doordat deze zich afweerde;

12. Verdachte heeft [benadeelde] hierop met zijn vlakke hand “een waarschuwingstik” tegen diens gezicht gegeven;

13. Na de corrigerende tik bracht [benadeelde] wederom zijn arm naar achteren om voor een tweede maal richting verdachte uit te halen;

14. Verdachte voelde zich op dat moment, mede gelet op de omstandigheid dat twee vrienden van [benadeelde] zich in die kleine ruimte achter verdachte en [benadeelde] bevonden en verdachte niet wist wat hij van hen kon verwachten, verdachte met zijn rug tegen een muur stond en de door verdachte verzochte assistentie nog niet was gearriveerd, ernstig bedreigd;

15. Voordat [benadeelde] verdachte raakte heeft verdachte hem één stomp gegeven, waarop [benadeelde] op de grond viel en bleef liggen;

16. Verdachte heeft hierop gekeken of [benadeelde] bij zijn positieven was, hetgeen het geval was, en heeft [benadeelde] vervolgens aan zijn broeksband vastgepakt en hem via de nooduitgang de horecagelegenheid uitgetrokken.

Gelet op deze feiten en omstandigheden, een en ander in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien, acht het hof het aannemelijk dat verdachte, geconfronteerd met [benadeelde], die na herhaald aandringen en sommeren, weigerde de horecagelegenheid te verlaten, terwijl het aanwenden van enige drang en een beperkte mate van fysiek geweld door verdachte teneinde hem tot het verlaten van de horecagelegenheid te bewegen, van de zijde van [benadeelde] heeft geleid tot oplopend verzet, geweld en volharding in zijn inmiddels wederrechtelijk verblijf in de horecagelegenheid, heeft gehandeld ter noodzakelijke verdediging van (eigen) lijf en goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [benadeelde]. Naar het oordeel van het hof is de door verdachte aan [benadeelde] gegeven klap, gelet op de weergegeven omstandigheden en de aard van de klap zoals bewezen verklaard, niet disproportioneel. De verdachte is daarom niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en dient met betrekking tot dit feit van alle rechtsvervolging te worden ontslagen.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.782,19, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 650,00.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Nu aan verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Verklaart verdachte met betrekking tot het bewezen verklaarde niet strafbaar.

Ontslaat verdachte met betrekking tot dat feit van alle rechtsvervolging.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde] in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde] in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. H. Eijsenga, mr. J.H.J.M. Mertens - Steeghs, voorzitter, en

mr. F. van Es,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier,

en op 4 december 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.