Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB9306

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2007
Datum publicatie
04-12-2007
Zaaknummer
06/00386
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof is van oordeel, dat belanghebbendes primaire standpunt in strijd is met de beslissing van de Hoge Raad dat het uitvoeren van sloopwerkzaamheden aan een gebouw niet kan worden aangemerkt als het verrichten van een verbouwing. Het door belanghebbende in dat verband gemaakte onderscheid tussen het door de sloop ontstaan van een geheel ander bouwwerk met een geheel andere functie - in dit geval een parkeerterrein waar vroeger een loods stond - en een bouwwerk, dat weliswaar een andere functie heeft dan het oude bouwwerk, maar in principe onder hetzelfde "soort" bouwwerk blijft vallen (belanghebbende omschrijft dit als "echte gebouwen"), vindt geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 2247
FutD 2007-2322
V-N 2008/12.25

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00386

Uitspraak van de vierde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

X B.V.,

gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 25 augustus 2006, nummer AWB 05/4836 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer --------- ter zake van de verkrijging in juli 2004 van een parkeerterrein gelegen aan A-straat te B (hierna: het parkeerterrein) een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van € 30.000,=.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 422,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 27 juni 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende en de Inspecteur hebben te dezer zitting ieder een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota's tot de stukken van het geding.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar de onderdelen 2.1 en 2.2 van de uitspraak van de Rechtbank.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Heeft belanghebbende ter zake van de levering van het parkeerterrein recht op de vrijstelling van de overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, lid 1, letter a, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet BRV)?

Belanghebbende is van oordeel, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Belanghebbende is de mening toegedaan, dat de door de verkoper vóór de levering van het parkeerterrein aan deze onroerende zaak verrichte werkzaamheden geleid hebben tot de vervaardiging van een nieuwe onroerende zaak. De Inspecteur stelt zich op het standpunt, dat de werkzaamheden niet als een verbouwing als bedoeld in artikel 11, lid 3, letter b, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB), kunnen worden aangemerkt. De levering is naar zijn mening vrijgesteld van omzetbelasting en belast met overdrachtsbelasting.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

- Zoals een pand ontstaat, doordat er iets op elkaar gelegd wordt, zo is hier een plein - parkeerterrein - ontstaan, doordat er iets weggehaald is.

- Na de sloop zijn niet de gehele 2800 m² van het terrein afgeslepen, wel gedeelten. De gele strepen zijn verwijderd, maar niet allemaal.

- De sloop is verricht door een extern bedrijf, maar de overige werkzaamheden, zoals het egaliseren en gaten vullen, zijn door werknemers van de verkoper verricht. Het terrein moest worden geëgaliseerd, want anders zouden banden van de te parkeren vrachtauto's worden beschadigd.

- De aankoop is geschied met het oog op extra ruimte voor het stallen van vrachtauto's vóór of na reparaties. De reparaties vinden plaats in een eigen hal.

- Ik stel mij primair op het standpunt, dat de sloop in dit geval een vervaardiging vormt als bedoeld in artikel 11, lid 3, letter b, van de Wet OB. Het arrest van de Hoge Raad BNB 2003/193 moet in de context van het daar aan de orde zijnde geval worden gelezen. In BNB 2003/193 ging het om woningen die na de sloop gerealiseerd moesten worden. Hier is sprake van reeds door sloop vervaardigen van een nieuwe onroerende zaak.

- Ik trek mijn verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in. Ik doe beroep op de proceskostenvergoeding overeenkomstig artikel 8:75 van de Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De Inspecteur

- Ik heb navraag gedaan bij deskundigen over het afslijpen van een betonlaag van 2800 m². Dat schijnt een enorme klus te zijn, die niet door een werknemer van de verkoper kon worden gedaan. Er kan wel hier en daar geschuurd zijn aan het terrein, maar er kan geen sprake zijn van afslijpen van een hele laag. Ik bestrijd derhalve, dat er een laag is afgeslepen.

- Ik betwist niet, dat het parkeerterrein een gebouw is in de zin van artikel 11, lid 3, letter a, van de Wet OB. Maar ik stel, dat de werkzaamheden geen verbouwing zijn, waardoor een nieuw onroerend goed is voortgebracht in de zin van die bepaling.

Partijen

- De nieuwe toegang tot het parkeerterrein is door de verkoper vóór de levering gemaakt.

- De geronde stukken op de door het Hof via Google Earth van internet gehaalde foto zijn pas na de levering door belanghebbende geasfalteerd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank, van de Inspecteur en van de naheffingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt, dat het slopen van de loodsen op zich voldoende is om de vrijstelling als bedoeld in artikel 15, lid 1, letter a, van de Wet BRV deelachtig te worden. Volgens belanghebbende is uitsluitend van belang, dat hetgeen na de sloop is overgebleven aan te merken is als een nieuw vervaardigde onroerende zaak, welke als zodanig als een gebouw kan worden aangemerkt.

Het Hof kan belanghebbende in dat standpunt niet volgen. De Hoge Raad heeft immers in het arrest van 7 maart 2003, nr. 37 525, BNB 2003/193 (hierna: het arrest BNB 2003/193), overwogen:

"3.6.3. Anders dan met toepassing van de oude tekst van artikel 11 door de Hoge Raad is beslist in zijn arrest van 15 september 1993, nr. 28 979, BNB 1993/314, is de levering van een gebouw niet langer zonder meer uitgezonderd van de vrijstelling indien door het uitvoeren van werkzaamheden - in dat geval door de nagenoeg volledige sloop - een nieuw goed wordt voortgebracht. Dat is sedert 11 juli 1997 alleen het geval indien dat laatste geschiedt door een verbouwing.

Het uitvoeren van sloopwerkzaamheden aan een gebouw kan niet worden aangemerkt als het verrichten van een verbouwing. Derhalve kan het enkele uitvoeren van sloopwerkzaamheden aan een gebouw dat in gebruik is of in gebruik is geweest, niet tot gevolg hebben dat het gebouw tijdens of na die werkzaamheden als zodanig voor het eerst in gebruik kan worden genomen in de zin van artikel 11, lid 1, letter a, 1º, van de Wet, ongeacht of de werkzaamheden meer of minder ingrijpend zijn en ongeacht of deze gericht zijn op volledige afbraak dan wel de aanzet zijn tot een verbouwing in de zin van artikel 11, lid 3, letter a, van de Wet. De levering van een op deze wijze bewerkt gebouw is derhalve niet van de vrijstelling uitgezonderd.".

Het Hof is van oordeel, dat belanghebbendes primaire standpunt in strijd is met de beslissing van de Hoge Raad dat het uitvoeren van sloopwerkzaamheden aan een gebouw niet kan worden aangemerkt als het verrichten van een verbouwing. Het door belanghebbende in dat verband gemaakte onderscheid tussen het door de sloop ontstaan van een geheel ander bouwwerk met een geheel andere functie - in dit geval een parkeerterrein waar vroeger een loods stond - en een bouwwerk, dat weliswaar een andere functie heeft dan het oude bouwwerk, maar in principe onder hetzelfde "soort" bouwwerk blijft vallen (belanghebbende omschrijft dit als "echte gebouwen"), vindt geen steun in het recht.

4.2. Gelet op het vorenoverwogene moet het primaire standpunt van belanghebbende worden verworpen.

4.3. Subsidiair stelt belanghebbende, dat de werkzaamheden, uitgevoerd na de eigenlijke sloop door de werknemers van de verkoper - zoals het verwijderen van de stalen draden, buizen en leidingen, het dichten van gaten en het egaliseren van de betonvloer - als verbouwing in de zin van het bepaalde in artikel 11, lid 3, letter b, van de Wet OB moeten worden aangemerkt. Het Hof verwerpt ook dit subsidiaire standpunt van belanghebbende. Er is in belanghebbendes primaire zienswijze weliswaar een nieuw gebouw ontstaan, maar dat gebouw is niet door verbouwing ontstaan. Naar het oordeel van het Hof werden de genoemde werkzaamheden ter afronding van de sloop uitgevoerd en kunnen ze niet worden gezien als verbouwing in de zin van de meergenoemde wettelijke bepaling. Op grond van het arrest BNB 2003/193 is alsdan sprake van het enkele uitvoeren van sloopwerkzaamheden, zodat de vrijstelling niet van toepassing is.

4.4. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur, dient het hoger beroep van belanghebbende ongegrond te worden verklaard en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden bevestigd.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel, dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten, dat de Staat aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 26 september 2007 door J. Swinkels, voorzitter, J.W. van der Voort en F. Sonneveldt, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.