Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB9302

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2007
Datum publicatie
04-12-2007
Zaaknummer
04/02533
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het Hof, dat de belanghebbende door het inleveren van 205 uren verlof, waar tegenover hij is bevrijd van zijn schuld aan de werkgever, enerzijds (belast) loon heeft genoten en anderzijds de kosten van ter zake van de studie tot een bedrag van € 5.712,50 voor zijn rekening heeft genomen.

Mitsdien heeft de belanghebbende uitgaven gedaan, die op hem drukken en komt hem de gevraagde aftrek toe op basis van artikel 6.27 van de Wet IB 2001. Nu de Inspecteur voor het geval het Hof tot dit oordeel zou komen subsidiair niet heeft gesteld, dat alsnog met een belast loon rekening dient te worden gehouden zou het Hof buiten de rechtsstrijd treden indien het ter zake van het onder 4.9 bedoelde loon het belastbaar inkomen uit werk en woning zou verhogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 2246
FutD 2007-2311
V-N 2008/13.4

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/02533

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, tiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: de belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan de belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een verzamelinkomen van € 51.459,=, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. De belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft - met instemming van partijen in het openbaar - plaatsgehad op 23 mei 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.4. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. De belanghebbende is geboren op 2 juni 1965 en gehuwd met mevrouw A.

2.2. De belanghebbende was in 2002 in dienstbetrekking werkzaam bij B (hierna: B of ook wel werkgever). Belanghebbendes werkgever bood de gelegenheid aan haar werknemers om loon om te zetten in belastingvrije componenten, zoals een onbelaste studiekostenvergoeding.

2.3. De belanghebbende is in augustus/september van het onderhavige jaar gestart met een (parttime) opleiding bedrijfskunde aan de C Universiteit te D. De totale kosten van deze opleiding bedroegen € 22.850,=. De belanghebbende en zijn werkgever hebben een studieovereenkomst d.d. 16 september 2002 gesloten. Uit de overeenkomst blijkt dat B 75% van de studiekosten (€ 17.137,50) voor haar rekening neemt en dat 25% van de kosten (€ 5.712,50) voor rekening van de belanghebbende komen. De werkgever heeft vervolgens de gehele factuur betaald. Het aandeel van de belanghebbende in de vorenbedoelde factuur is voldaan door het inleveren van 205 verlofuren tegen een bruto-uurloon van € 27,75. De tegenwaarde hiervan bedroeg in totaal € 5.688,75 (205 x € 27,75). Deze verlofuren zijn volgens de loonstrook van november 2002 afgeboekt op het verlof dat stamt uit het jaar 2001.

2.4. De waarde van de ingeleverde verlofuren is niet opgenomen in het fiscaal loon van de belanghebbende. Op de waarde van de ingeleverde verlofuren is geen loonbelasting/premie volksverzekeringen ingehouden.

2.5. Vaststaat dat de door de belanghebbende gevolgde studie een studie is als bedoeld in artikel 6:27 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2.6. In zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2002 heeft de belanghebbende een bedrag groot € 5.462,= in mindering gebracht wegens studiekosten/scholingsuitgaven. Dit bedrag is als volgt gespecificeerd:

25% bijdrage aan werkgever 5.712,=

pc-gebruik en klein studiemateriaal 250,=

Totaal scholingsuitgaven 5.962,=

Af: drempel 500,=

Aftrek 5.462,=

2.7. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur het bedrag van de door de belanghebbende geclaimde scholingsuitgaven volledig gecorrigeerd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de belanghebbende in aanmerking komt voor de aftrek van scholingsuitgaven in de zin van artikel 6.27 van de Wet IB 2001.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen partijen hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting.

3.3. De belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag tot naar een verzamelinkomen van € 45.997,=. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Belanghebbendes stelling houdt in dat hij recht heeft op de aftrek van scholingsuitgaven aangezien hij 25% van de studiekosten aan zijn werkgever heeft (terug)betaald door middel van inlevering van 205 verlofuren. Hij wenst de geldswaarde van de genoemde verlofuren, die hij minder geniet, als scholingsuitgave in aanmerking nemen bij de bepaling van zijn verzamelinkomen.

4.2. De Inspecteur verdedigt, dat de door de werkgever verstrekte vergoeding voor de ingeleverde 205 verlofuren a € 27,75 = € 5.688,75 een op de voet van artikel 15a, eerste lid, aanhef, onderdeel h van de Wet op loonbelasting 1964 (tekst 2002; hierna: Wet LB 1964) vrijgestelde vergoeding is en dat, gelet hierop, de scholingsuitgaven niet op de belanghebbende drukken, zodat de door de belanghebbende geclaimde aftrek terecht is gecorrigeerd.

4.3. Het Hof stelt voorop, dat ingevolge artikel 6.1, eerste lid, aanhef, onderdeel a van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) scholingsuitgaven slechts aftrekbaar zijn indien deze op de belanghebbende drukken.

4.4. Voorts geldt ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef, onderdeel s, ten eerste van de Wet LB 1964 juncto artikel 10, derde lid van de Wet LB 1964 dat aanspraken op verlof niet tot het loon behoren. Deze artikelen gelden ingevolge artikel 3.81 van de Wet IB 2001 tevens voor deze laatste wet. Mitsdien is in ieder geval tot november 2002, de maand waarover de werkgever met instemming van de belanghebbende het verlof met 205 uren heeft verminderd, (de aanspraak op) het verlof onbelast gebleven. (In dit verband wijst het Hof tevens op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 16 september 1992, nr 27 950, onder meer gepubliceerd in BNB 1993/21, r.o. 3.7, tweede volzin.)

4.5. In artikel 15a, eerste lid, aanhef, onderdeel h van de Wet LB 1964 is onder meer bepaald, dat op de werknemer drukkende uitgaven voor het volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning onbelast kunnen worden vergoed. Naar de letter van de tekst van dit artikel is deze vergoeding belast, indien de vorenbedoelde uitgaven niet op de werknemer drukken. Dat doet zich voor indien de werkgever de uitgaven vergoedt. Dit zou impliceren dat letterlijke lezing van vorenbedoeld artikel dwingt tot de conclusie dat elke vergoeding door de werkgever belast zou zijn. Naar het oordeel van het Hof brengt een redelijke wetstoepassing mee, dat artikel 15a, eerste lid, aanhef, onderdeel h van de Wet LB 1964 niet zo letterlijk dient te worden uitgelegd, zoals hiervoor is gebeurd.

4.6. Gelet op het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 24 december 1969, nr 16 249, onder meer gepubliceerd in BNB 1970/60 dient er van uit te worden gegaan, dat het uitgangspunt van de wetgever is geweest dat het niet meetellen bij het loon van een vergoeding van een studie als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, aanhef, onderdeel h van de Wet LB 1964 niet gepaard zou kunnen gaan met een aftrek voor de werknemer uit hoofde van scholingsuitgaven als bedoeld in artikel 6.27 van de Wet IB 2001.

4.7. In het onderhavige geval heeft de werkgever een bedrag ad € 5.712,50 ter zake van de studie rechtstreeks voldaan aan de C Universiteit D. Dit bedrag komt ingevolge de studieovereenkomst voor rekening van de werknemer. De belanghebbende heeft zijn schuld aan de werkgever voldaan door het inleveren van de 205 verlofuren.

4.8. De betaling door de werkgever aan de C Universiteit D van de kosten ter zake van een studie tot een bedrag van € 5.712,50 vormt naar het oordeel van het Hof in het onderhavige geval op zichzelf bezien geen loon, omdat dit bedrag ingevolge de studieovereenkomst voor rekening van de werknemer is. (Vergelijk in dit verband: het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 23 maart 1983, nr. 21 518, onder meer gepubliceerd in BNB 1983/190.)

4.9. Nu de belanghebbende evenwel door het inleveren van de 205 verlofuren zijn schuld ad € 5.712,50 aan de werkgever ter zake van de studie heeft voldaan heeft de belanghebbende naar het oordeel van het Hof loon genoten tot het bedrag waarvoor hij van zijn schuld is bevrijd.

4.10. Anders dan de Inspecteur verdedigt is het onder 4.9 bedoelde loon naar het oordeel van het Hof niet vrijgesteld op de voet van artikel 15a, eerste lid, aanhef, onderdeel h van de Wet LB 1964. Immers, de werkgever wilde het door haar aan de C Universiteit D betaalde bedrag van € 5.712,50 niet voor haar rekening nemen en heeft dat bedrag ook niet voor haar rekening genomen.

4.11. Uit het vorenstaande volgt naar het oordeel van het Hof, dat de belanghebbende door het inleveren van 205 uren verlof, waar tegenover hij is bevrijd van zijn schuld aan de werkgever, enerzijds (belast) loon heeft genoten en anderzijds de kosten van ter zake van de studie tot een bedrag van € 5.712,50 voor zijn rekening heeft genomen.

4.12. Mitsdien heeft de belanghebbende uitgaven gedaan, die op hem drukken en komt hem de gevraagde aftrek toe op basis van artikel 6.27 van de Wet IB 2001. Nu de Inspecteur voor het geval het Hof tot dit oordeel zou komen subsidiair niet heeft gesteld, dat alsnog met een belast loon rekening dient te worden gehouden zou het Hof buiten de rechtsstrijd treden indien het ter zake van het onder 4.9 bedoelde loon het belastbaar inkomen uit werk en woning zou verhogen.

4.13. Uit al het vorenoverwogene volgt, dat het gelijk aan de zijde van de belanghebbende is. Voor dat geval is niet in geschil, dat de belanghebbende een aftrek van scholingsuitgaven toekomt van € 5.462,= en dat het verzamelinkomen dient te worden vastgesteld op € 45.997,=.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

De belanghebbende heeft tijdens het onderzoek ter zitting uitdrukkelijk verklaard geen vergoeding van proceskosten te wensen.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak;

- vermindert de aanslag tot één naar een verzamelinkomen van € 45.997,=;

- gelast dat aan de belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,=; en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.

Aldus gedaan op: 20 september 2007 door P. Fortuin, lid van voormelde kamer, in tegenwoordigheid van M.J.J. van Oorschot, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 20 september 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.