Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB9266

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-09-2007
Datum publicatie
04-12-2007
Zaaknummer
02/01388
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan het oordeel van het Hof, dat belanghebbende per 18 december 1996 zijn woonplaats verlegd heeft naar België, doet niet af de verklaring van de Belgische fiscale autoriteiten van 2 oktober 2006 en 30 oktober 2006, opgenomen onder 2.10 , dat belanghebbende voor het aanslagjaar 1997 (inkomsten 1996) nog niet subjectief onderworpen was aan de Belgische personenbelasting. Die verklaring gaat immers uit van de formele inschrijvingsdatum van 7 februari 1997, zonder de overige omstandigheden er bij te betrekken, zoals artikel 3, § 2 van het Belgische Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 (hierna: het W.I.B. 92) voorschrijft. Dit is naar het oordeel van het Hof onjuist gelet op de tekst van artikel 3, § 2, W.I.B. 92, waarin de formele inschrijving slechts als weerlegbaar wettelijk vermoeden van woonplaats geldt en niet als constitutieve voorwaarde. Uit de onder 2.4 aangehaalde uitnodiging van de Stad Y van 18 december 1996 voor inschrijving in de lokale basisadministratie blijkt, dat belanghebbende zich reeds op die datum heeft aangemeld als inwoner van België. Verder blijkt daaruit, dat de gemeente Y belanghebbende op die datum heeft verzocht zich in het kader van zijn inschrijving te melden bij de Dienst Vreemdelingenzaken en diverse gegevens respectievelijk stukken te verstrekken, zoals het paspoort, 6 foto's, het bewijs van uitschrijving uit Nederland, het arbeidscontract met de Nederlandse werkgever en de bevestiging van de politie van "woonst". De inschrijving, die door belanghebbende op 18 december 1996 is aangevraagd, kon - mede gezien de feestdagen - niet voor het einde van het jaar geformaliseerd worden. De formalisering vond plaats op 7 februari 1997 op basis van de door belanghebbende verstrekte en door de Belgische autoriteiten geverifieerde gegevens (zie de "Bevestiging van woonst" van de Belgische politie). Niet gebleken is, dat belanghebbendes situatie gewijzigd is tussen de aanmelding tot inschrijving op 18 december 1996 en de formalisering van die inschrijving op 7 februari 1997. Belanghebbende heeft in die periode slechts gewacht op de formalisering van die inschrijving. Indien de Belgische autoriteiten belanghebbende per 7 februari 1997 als inwoner van België aanmerken, is er naar het oordeel van het Hof dan geen reden hem niet ook per 18 december 1996 als zodanig aan te merken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 2257
V-N 2008/5.1.4

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 02/01388

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X te Y (België) (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 3.491.082,=, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 29,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) hebben belanghebbende en de Inspecteur vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 25 april 2007 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende was oprichter en enig aandeelhouder van A BV (voorheen B Beheer BV) (hierna: de vennootschap). Samen met de houdstermaatschappijen - C BV en D BV - van de twee broers van belanghebbende, de heren F en G, bezat de vennootschap alle aandelen in Beheermaatschappij H BV. In 1996 is Beheermaatschappij H BV door de drie genoemde houdstermaatschappijen verkocht.

2.2. Op 4 december 1996 besloot de aandeelhoudersvergadering van de vennootschap tot verplaatsing van de feitelijke leiding naar België, J-straat 190 te Y. Op 27 december 1996 vond een statutenwijziging plaats voor een Belgische notaris, inhoudende vaststelling van verplaatsing van de feitelijke leiding en aanpassing van rechtsvorm en statuten van de vennootschap aan Belgisch recht. Medio 1997 besloot de aandeelhoudersvergadering tot liquidatie van de vennootschap. De vereffening werd op 10 juli 1997 gesloten en belanghebbende ontving een liquidatieuitkering van ƒ 3.491.082,=.

Tussen partijen is niet in geschil, dat de vennootschap ten tijde van de liquidatie inwoner was van België in de zin van artikel 4 van de Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van het Koninkrijk België tot het vermijden van dubbele belasting op het gebied van belastingen naar het inkomen en naar het vermogen en tot het vaststellen van enige andere regelen verband houdende met de belastingheffing, gesloten te Brussel op 19 oktober 1970 (Trb. 1970,192), hierna: het Verdrag.

2.3. Tot de stukken van het geding behoort de factuur van het in België gevestigde verhuisbedrijf K de dato 19 december 1996 gericht aan belanghebbende aan het adres J-straat 190, ---- Y, met als omschrijving:

"... Re: Uw verhuis van L, Nederland naar Y, België

KOSTEN VOLGENS OVEREENKOMST

VOLGENS ONZE OFFERTE DD 18/12/96

..."

met een totaalbedrag van BEF 34.485.

2.4. Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het "Uittreksel basisadministratie (vertrek naar buitenland)" van de gemeente L de dato 20 december 1996, waaruit blijkt, dat belanghebbende zich per 19 december 1996 heeft doen uitschrijven uit de basisadministratie van de gemeente L als zijnde geëmigreerd naar België, Y, J-straat 190. Voorts behoort tot de gedingstukken een kopie van de uitnodiging van de Stad Y de dato 18 december 1996 voor inschrijving in de lokale basisadministratie. Onder aan dit formulier staat de volgende verklaring:

"Politie

P/C/PA

BEVESTIGING VAN WOONST

----------------------

ONDERGETEKENDE, BEVESTIGT DAT DE BOVENVERMELDE PERSOON WEL DEGELIJK WOONACHTIG IS OP HET ADRES:

J-STRAAT 190

VERDIEPING:

APPARTEMENT NR: 30

STUDIO NR: Y, 22/1/97

De kwartieragent

M

(handtekening)"

2.5. Belanghebbendes broer, de heer F, enige aandeelhouder van de onder 2.1 genoemde vennootschap C BV, heeft op 29 november 1996 een huurovereenkomst ondertekend als huurder van het appartement J-straat 190 te Y, omvattend een living, keuken, badkamer, WC en twee slaapkamers. Het appartement mocht volgens de huurovereenkomst betrokken worden door maximaal twee personen. De huurovereenkomst ging in op 1 december 1996 en eindigde op 30 november 1997 met een mogelijkheid tot verlenging van de totale duur tot maximaal 3 jaren.

2.6. Op 23 december 1996 heeft belanghebbende bij de N-Bank te Y een bankrekening geopend.

2.7. Op 7 februari 1997 hebben de Belgische autoriteiten aan belanghebbende "Attest van immatriculatie" afgegeven, waarin als belanghebbendes verblijfplaats J-straat 190 te Y staat vermeld. Eveneens op 7 februari 1997 is aan belanghebbende door de Belgische autoriteiten een Belgisch rijbewijs afgegeven.

2.8. Op 27 maart 1997 heeft belanghebbende een huurovereenkomst getekend als huurder van het appartement gelegen aan P-straat 153 te Y. De huurovereenkomst ging in op 1 april 1997 en eindigde op 31 maart 2000 met een - bij gebreke van een tijdige opzegging - automatische verlenging van de totale duur tot 9 jaren. Belanghebbende woont tot op de dag van de zitting op P-straat 153.

2.9. Op 9 juni 1997 is door de Belgische fiscale autoriteiten, Q-kantoor Y, District I, aan belanghebbende een aangifte in de personenbelasting aanslagjaar 1997 (inkomsten van het jaar 1996) uitgereikt, met als inleverdatum 9 juli 1997. Het aangifteformulier vermeldt als nationaal nummer van belanghebbende --.--.--.---.--.

2.10. In de brief van 2 oktober 2006 van de Federale Overheidsdienst Financiën, Belastingen en Invordering, gericht aan FIOD-ECD, schrijft de Belgische fiscus:

"(...) Daar de heren X, ..., respectievelijk op 7 februari 1997, ... als Belgisch rijksinwoner in het Belgisch Rijksregister werden ingeschreven (cfr. Mijn brief van 8 augustus 2006) zijn zij overeenkomstig het Belgische interne recht pas vanaf 1997 (aanslagjaar 1998) aan de Belgische personenbelasting onderworpen, met andere woorden waren zij voor het aanslagjaar 2007 (inkomsten 2006) nog niet subjectief onderworpen aan de Belgische personenbelasting. (...) ".

In de brief van 30 oktober 2006 van de Federale Overheidsdienst Financiën, Belastingen en Invordering, gericht aan FIOD-ECD, schrijft de Belgische fiscus:

"(...) In mijn brief van 2 oktober 2006, werd inderdaad verkeerdelijk verwezen naar het aanslagjaar 2007 (inkomsten 2006). Mijn besluit luidt dus dat de heren X, ..., voor het aanslagjaar 1997 (inkomsten 1996) nog niet subjectief onderworpen waren aan de Belgische personenbelasting. (...)".

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of, en zo ja op welk moment, belanghebbende inwoner van België is geworden.

Belanghebbende stelt, dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord en wel met ingang van 19 december 1996.

De Inspecteur stelt zich primair op het standpunt, dat belanghebbende op 10 juli 1997 inwoner van Nederland is geweest, zodat Nederland volledig bevoegd is over de liquidatieuitkering te heffen.

Subsidiair is de Inspecteur van mening, dat belanghebbende eerst in de loop van 1997 inwoner is geworden van België en dat op het onmiddellijk daaraan voorafgaande moment de heffing als bedoeld in artikel 20a, lid 6, onderdeel i, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964) aan de orde is.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende (gemachtigde)

- De Inspecteur stelt, dat de bewijslast omtrent de woonplaats van belanghebbende omgekeerd moet worden, omdat belanghebbende niet alle stukken van de vennootschap zou hebben overgelegd. Ik heb de Inspecteur al in de eerdere fase van de procedure gevraagd, welke specifieke stukken hij wenst. Aan het vereiste van verstrekking is voldaan. De Inspecteur heeft niet aangegeven, wat hij precies wilde, althans het was voor ons onvoldoende duidelijk wat hij nu precies wilde. De omkering van bewijslast komt derhalve niet aan de orde.

- De Inspecteur heeft zich in zijn brief van 13 december 2000 expliciet uitgelaten over belanghebbendes woonplaats. Hij heeft daar gesteld, dat belanghebbende per 19 december 1996 geëmigreerd is naar België. Belanghebbende is toen ook als buitenlands belastingplichtige aangeslagen door de Belastingdienst. Er is dus sprake van een bewuste standpuntbepaling door de Inspecteur, waarop thans op grond van HR 30 maart 20007, nr. 42 882, niet meer teruggekomen kan worden.

- De stellingen in de procedures van belanghebbendes broers zijn door de Inspecteur ingetrokken, terwijl sprake is van gelijke gevallen. De feitelijke situatie van belanghebbendes broer wijkt amper af van die van belanghebbende. Aan de Belgische fiscus zijn vragen gesteld over alle drie broers: de namen die in de correspondentie met de Belgische autoriteiten zijn weggestreept, betreffen de andere heren R. Hun situatie is dus feitelijk dezelfde en toch wordt hun procedure door de Inspecteur gestaakt. Dat roept toch vragen op.

- Belanghebbende heeft een schriftelijke verklaring afgelegd omtrent zijn persoonlijke situatie en de spanningen in de relatie met zijn toenmalige partner. Die spanningen zijn al medio 1996 opgetreden. Belanghebbende is bereid dit ook persoonlijk aan het Hof te verklaren. Hij heeft tijdelijk onderdak gezocht en gekregen bij zijn broer, F, die ook alleenstaand was op dat moment, omdat hij - belanghebbende - in 1996 nog niet kon intrekken in het door hem gevonden appartement. Zijn intentie was om in België te gaan wonen en hij woont daar nog steeds.

- De Inspecteur stelt, dat in februari 1999 de auto van belanghebbende bij de heer S (belanghebbendes voormalige partner) zou zijn aangetroffen. Hij zegt niet, wanneer dit exact is gebeurd. Ik neem dat voor kennisgeving aan. Het zegt niets over de vraag waar belanghebbende in 1996/1997 woont.

- In de aangifte vennootschapsbelasting 1996 van de vennootschap is een deel van het resultaat 1996 zichtbaar buiten de heffing gelaten. Deze aangifte is door de Inspecteur gevolgd. Hetgeen de Inspecteur in dit kader stelt - dat de Belastingdienst zich niet zou hebben uitgelaten over de toestand eind 1996 - is onjuist.

- Niet de gemachtigde maar belanghebbende schrijft in zijn verklaring, dat de relatie van zijn broer, F, was verbroken. Indien de Inspecteur dit bestrijdt, bied ik bewijs aan.

- Ik heb in mijn reactie van 13 april 2007 op het schrijven van de Inspecteur van 8 januari 2007 al geciteerd uit de Belgische wetsbepalingen. In België wordt - net als in Nederland - naar de omstandigheden beoordeeld, waar iemand woont. Als hij in België woont, is hij aldaar binnenlands belastingplichtig. Indien men in België staat ingeschreven in het Rijksregister, bestaat volgens Belgisch recht het wettelijk vermoeden dat men in België woont. Het is dus niet zo, dat het gegeven, dat de inschrijving pas in februari 1997 rond was, met zich mee brengt, dat belanghebbende niet in december 1996 in België woonde. De conclusie van de Belgische fiscus klopt niet. Hier kan ik desgewenst commentaar op geven met hulp van Belgische experts op dit gebied. De inschrijving in België is überhaupt niet relevant voor deze casus. Ik val echter wellicht in herhaling.

- De Inspecteur brengt in punt 5 van zijn pleitnota een ander belastbaar feit naar voren. Ik vind, dat je niet buiten de termijn zonder een nieuw feit een aanslag naar een ander feit mag converteren. Dit tast de rechtszekerheid van belanghebbende aan.

- Belanghebbende is van T verhuisd naar Y en is binnen het concern van zijn werkgever elders gaan werken, in het zuiden van het land. Belanghebbende is daadwerkelijk in 1996 naar België geëmigreerd en woont er nu nog steeds.

De Inspecteur

- Wij hebben de volledige administratie van de vennootschap opgevraagd bij belanghebbende. Wij hebben naar aanleiding van de vragen van belanghebbende omtrent welke stuk we exact wilde hebben, gemeld, dat we gewoon alle stukken wilden. Één stuk is niet overgelegd, zo bleek later. Maar ik kan nu niet aangeven welke stuk dat was.

- Wij hebben geen standpunt ingenomen over de woonplaats van belanghebbende, het betreft hier een administratieve handeling en geen bewuste standpuntbepaling. Het borduurt voort op de gegevens, die belanghebbende aan de Belastingdienst heeft verstrekt in zijn aangifte. De aangifte werd conform opgelegd.

- De woning, de relatie en de werkzaamheden in Nederland zijn van doorslaggevend belang in deze. Daarom concludeer ik dat belanghebbende nog steeds zijn woonplaats in Nederland had.

- De wettelijke Belgische bepalingen, die belanghebbende aanhaalt, zijn juist. Dat weerspreek ik niet. Ook in België moet naar de omstandigheden worden gekeken, los van de vraag van inschrijving. Naar omstandigheden beoordeeld is in onze opvatting belanghebbende ook naar Belgisch recht niet onderworpen in België, geen woonplaats in België derhalve. Ik weerspreek hetgeen gemachtigde stelt over de brief van de Belgische fiscus van 14 augustus 2006. De informatie in deze brief is wel juist.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en primair vernietiging van de aanslag en subsidiair tot vermindering van de aanslag, omdat verzuimd is de loonbelasting over 1997 als voorheffing in de aanslag te betrekken. Voorts verzoekt belanghebbende om integrale kostenvergoeding.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Aangaande het subsidiaire standpunt van belanghebbende beroept de Inspecteur zich op de interne compensatie en stelt, dat inderdaad de loonheffing niet is verrekend, doch het loon zelf ook niet in de aanslag is opgenomen. Het Hof begrijpt deze stelling van de Inspecteur aldus, dat indien het beroep gegrond wordt verklaard, de uitspraak dient te worden vernietigd en de aanslag dient te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 99.754,=, berekend als volgt:

Loon ƒ 102.352,=

Af: arbeidskostenaftrek ƒ 2.598,=

Belastbaar inkomen ƒ 99.754,=.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In geschil is of, en zo ja, op welk moment belanghebbende inwoner van België is geworden. Belanghebbende stelt, dat hij per 18 december 1996 verhuisd is naar J-straat 190 te Y, waar hij tot 1 april 1997 - in afwachting van het vrijkomen van het appartement op P-straat 153 te Y - heeft gewoond bij zijn broer, de heer F, die in die tijd alleenstaand was. Belanghebbende stelt, dat hij na 18 december 1996 geen woning meer ter beschikking had in Nederland. Hij woonde voordien weliswaar, naar hij stelt, bij zijn partner, doch in die relatie waren in 1996 spanningen ontstaan. Die spanningen hebben er, naar hij stelt, toe geleid, dat hij de samenleving heeft verbroken. De Inspecteur heeft met zijn stelling, dat nadien op enig moment in 1999 de auto van belanghebbende op de oprit van de partner is aangetroffen, de juistheid van belanghebbendes stellingen, naar het oordeel van het Hof, onvoldoende weersproken. Belanghebbende stelt, dat hij met ingang van 18 december 1996 in België woonde. Gelet op hetgeen belanghebbende dienaangaande stelde en gelet op de door belanghebbende overgelegde stukken, aangehaald onder punten 2.3 tot en met 2.7, alles in onderling samenhang beschouwd, is het Hof van oordeel, dat belanghebbende per 18 december 1996 zijn woonplaats verlegd heeft naar België, alwaar hij, zij het in een andere straat van dezelfde stad, tot op heden woonachtig is.

De Inspecteur stelt, dat belanghebbende in 1996 tevens in Nederland een woning ter beschikking had, doch het Hof kan de Inspecteur in die stelling niet volgen. Belanghebbende heeft immers onweersproken gesteld, dat de woning van zijn voormalige partner de eigendom was van die partner. Gelet op de - naar is komen vast te staan - gerezen spanningen in de relatie tussen belanghebbende en de heer S kan niet worden gezegd, dat die woning na belanghebbendes verhuizing in december 1996 aan belanghebbende nog ter beschikking stond.

4.2. Aan het oordeel van het Hof, dat belanghebbende per 18 december 1996 zijn woonplaats verlegd heeft naar België, doet niet af de verklaring van de Belgische fiscale autoriteiten van 2 oktober 2006 en 30 oktober 2006, opgenomen onder 2.10 , dat belanghebbende voor het aanslagjaar 1997 (inkomsten 1996) nog niet subjectief onderworpen was aan de Belgische personenbelasting. Die verklaring gaat immers uit van de formele inschrijvingsdatum van 7 februari 1997, zonder de overige omstandigheden er bij te betrekken, zoals artikel 3, § 2 van het Belgische Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 (hierna: het W.I.B. 92) voorschrijft. Dit is naar het oordeel van het Hof onjuist gelet op de tekst van artikel 3, § 2, W.I.B. 92, waarin de formele inschrijving slechts als weerlegbaar wettelijk vermoeden van woonplaats geldt en niet als constitutieve voorwaarde. Uit de onder 2.4 aangehaalde uitnodiging van de Stad Y van 18 december 1996 voor inschrijving in de lokale basisadministratie blijkt, dat belanghebbende zich reeds op die datum heeft aangemeld als inwoner van België. Verder blijkt daaruit, dat de gemeente Y belanghebbende op die datum heeft verzocht zich in het kader van zijn inschrijving te melden bij de Dienst Vreemdelingenzaken en diverse gegevens respectievelijk stukken te verstrekken, zoals het paspoort, 6 foto's, het bewijs van uitschrijving uit Nederland, het arbeidscontract met de Nederlandse werkgever en de bevestiging van de politie van "woonst". De inschrijving, die door belanghebbende op 18 december 1996 is aangevraagd, kon - mede gezien de feestdagen - niet voor het einde van het jaar geformaliseerd worden. De formalisering vond plaats op 7 februari 1997 op basis van de door belanghebbende verstrekte en door de Belgische autoriteiten geverifieerde gegevens (zie de "Bevestiging van woonst" van de Belgische politie). Niet gebleken is, dat belanghebbendes situatie gewijzigd is tussen de aanmelding tot inschrijving op 18 december 1996 en de formalisering van die inschrijving op 7 februari 1997. Belanghebbende heeft in die periode slechts gewacht op de formalisering van die inschrijving. Indien de Belgische autoriteiten belanghebbende per 7 februari 1997 als inwoner van België aanmerken, is er naar het oordeel van het Hof dan geen reden hem niet ook per 18 december 1996 als zodanig aan te merken.

4.3. Het Hof wijst in dit verband op rechtsoverweging 3.2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2006, nr. 40 450, BNB 2007/38:

"3.2.2. Indien een Nederlands belastingplichtige in België als inwoner in de belastingheffing is betrokken, dient voor de toepassing van het bepaalde in artikel 4, § 1, van het Verdrag ervan te worden uitgegaan dat die belastingplichtige op grond van Belgische wetten als inwoner van België aan belasting is onderworpen. Dit is slechts anders indien hetzij de Inspecteur aannemelijk maakt dat de gegevens op grond waarvan de Belgische fiscus het inwonerschap van de betrokkene in België naar Belgisch recht heeft aangenomen, onjuist of onvolledig zijn, hetzij de heffing niet in redelijkheid op enige regel van Belgisch recht kan zijn gestoeld. In dit laatste geval dient de Inspecteur zulks gemotiveerd te stellen.

(...)".

Gelet op de vaststaande feiten en omstandigheden kan de in 2.10 aangehaalde verklaring van de Belgische fiscus naar het oordeel van het Hof niet juist zijn en evenmin in redelijkheid gestoeld zijn op enige regel van Belgisch recht. Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 4, § 1, van het Verdrag dient naar het oordeel van het Hof ervan te worden uitgegaan, dat belanghebbende op grond van Belgische wetten reeds per 18 december 1996 als inwoner van België aan belasting werd onderworpen.

4.4. Nu belanghebbende per 18 december 1996 naar het oordeel van het Hof in Nederland geen duurzaam tehuis tot zijn beschikking had, en belanghebbende per die datum inwoner van België is geworden, wordt belanghebbende op grond van artikel 4, § 1, van het Verdrag als inwoner van België aangemerkt in de zin van het Verdrag. Dit betekent dat er voor de heffing over de liquidatieuitkering in 1997 geen plaats is. De overige stellingen van belanghebbende en van de Inspecteur behoeven dan geen behandeling meer, met name niet het beroep van de Inspecteur op de omkering van de bewijslast omtrent de woonplaats van belanghebbende. Als op een belastingplichtige de bewijslast rust met betrekking tot een feitelijke omstandigheid die, indien aannemelijk, tot een lagere belasting voor die belastingplichtige zou leiden, heeft het niet ingaan op een uitnodiging van de Inspecteur ter zake nadere inlichtingen te verstrekken geen gevolg voor de bewijslastverdeling. De bewijslast van die omstandigheid rust immers al op de belastingplichtige (Hoge Raad 3 februari 2006, 41 329, BNB 2006/204).

Naar het oordeel van het Hof rust in casu de bewijslast reeds op belanghebbende en kan deze niet worden omgekeerd.

4.5. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende. Gelet op het - door belanghebbende niet bestreden - beroep van de Inspecteur op de interne compensatie dient de aanslag te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 99.754,=.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, lid 1, van de Awb dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235,

VN 2007/19.12 is het Hof van oordeel, dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Partijen zijn het voor dat geval er over eens, dat de kosten van bezwaar gesteld dienen te worden op € 2.855,=.

Het Hof stelt de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 966,=, is in totaal inclusief de kosten van de bezwaarfase € 3.821,=.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraak,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 99.754,= (€ 45.266,=),

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,=,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3.821,=, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon, die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 11 september 2007 door J. Swinkels, voorzitter, P.J.M. Bongaarts en jhr. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 11 september 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.