Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB8688

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
26-11-2007
Zaaknummer
20-001168-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldigheid dagvaarding: Naar het oordeel van het hof voldoet de dagvaarding in hoger beroep aan de eisen die in artikel 412 van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 260 van die wet daaraan worden gesteld en is het blijkens het verhandelde ter terechtzitting voor verdachte duidelijk waartegen hij zich had te verdedigen.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie: Naar het oordeel van het hof is van een zogenaamde voorkeursbehandeling van [medeverdachte] ten opzichte van verdachte geen sprake. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat [medeverdachte] door de politierechter is veroordeeld ter zake van valsheid in geschrifte betreffende het onderhavige feitencomplex. Nu verdachte door de politierechter is vrijgesproken van het onderhavige feitencomplex, acht het hof het alleszins redelijk en begrijpelijk dat het openbaar ministerie hiertegen hoger beroep heeft ingesteld en kan daar geen grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in ontwaren.

Medeplegen: Gelet op de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, een en ander bezien in onderlinge samenhang en in (tijds)verband ook met de overige bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat verdachte door aldus te handelen een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de oplichting zoals bewezen verklaard en dat er sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en die [medeverdachte], dat van medeplegen kan worden gesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer : 20-001168-06

Uitspraak : 20 juli 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 10 maart 2006 in de strafzaak met parketnummer 01/840290-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven, dat het hoger beroep moet worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de vrijspraak ter zake van hetgeen aan verdachte onder 1 ten laste is gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 85 uur subsidiair 42 dagen hechtenis zal opleggen. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - worden vernietigd, omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en voor zover aan het oordeel van het hof onderwerpen - ten laste gelegd dat:

1.

dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 maart 2005 tot en met 31 maart 2005 te Boxtel en/of Tilburg en/althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de ING Bank heeft bewogen tot de afgifte van 12.600,00 Euro, in elk geval een geldbedrag, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid op een (balie)overschrijvingskaart/ -bewijs bij 'Naam opdrachtgever' de gegevens van rekeninghoudster [benadeelde] ingevuld en/of bij 'Naam begunstigde' de gegevens en het rekeningnummer van verdachte ([naam verdachte]) ingevuld en/of bij 'Bedrag' bovengenoemd geldbedrag ingevuld en/of bij 'handtekening' een handtekening, die door moest gaan voor die van die rekeninghoudster, geplaatst en/of in een kantoor van de ING Bank die/dat overschrijvingskaart/ -bewijs klaargelegd ter tekening/parafering, (voor verwerking en akkoord) en/of voor verzending (voor overschrijving) waardoor de ING Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden;

dat [medeverdachte] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 maart 2005 tot en met

31 maart 2005 te Boxtel en/of Tilburg en/althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander. althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de ING Bank heeft bewogen tot de afgifte van 12.600.00 Euro, in elk geval een geldbedrag, in elk geval van enig goed, hebbende die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid op een (balie)overschrijvingskaart/ -bewijs bij 'Naam opdrachtgever' de gegevens van rekeninghoudster [benadeelde] ingevuld en/of bij 'Naam begunstigde' de gegevens en het rekeningnummer van verdachte ([naam verdachte]) ingevuld en/of bij 'Bedrag' bovengenoemd geldbedrag ingevuld en/of bij 'handtekening' een handtekening, die door moest gaan voor die van die rekeninghoudster, geplaatst en/of in een kantoor van de ING Bank die/dat overschrijvingskaart/ -bewijs klaargelegd ter tekening/parafering (voor verwerking en (akkoord) en/of voor verzending (voor overschrijving) waardoor de ING Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,

welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 maart 2005 tot en met 31 maart 2005 te Boxtel en/of Tilburg en/althans elders in Nederland door een of meer gift(en) en/of belofte(n) en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt door een pistool, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op de nek van die [medeverdachte] te zetten, althans aan die [medeverdachte] te tonen/voor te houden en/of door zijn, verdachtes, girorekeningnummer en/of giropas en/of pincode aan die [medeverdachte] ter beschikking te stellen,

althans,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 1 maart 2005 tot en met 31 maart 2005 te Boxtel en/of Tilburg en/althans elders in Nederland opzettelijk medeplichtig is geweest door het verschaffen van gelegenheid, middelen en/of inlichtingen en/of bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, toen aldaar opzettelijk behulpzaam is geweest, immers heeft hij, verdachte, zijn girorekeningnummer en/of giropas en/of pincode aan die [medeverdachte] ter beschikking gesteld.

De geldigheid van de dagvaarding in hoger beroep

Van de zijde van de verdediging is kort gezegd aangevoerd, dat de dagvaarding in hoger beroep nietig dient te worden verklaard, nu onder 1 aan verdachte zowel het medeplegen van als de medeplichtigheid aan als het uitlokken van oplichting ten laste is gelegd.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Naar het oordeel van het hof voldoet de dagvaarding in hoger beroep aan de eisen die in artikel 412 van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 260 van die wet daaraan worden gesteld en is het blijkens het verhandelde ter terechtzitting voor verdachte duidelijk waartegen hij zich had te verdedigen. Het beroep op nietigheid van de dagvaarding in hoger beroep wordt derhalve verworpen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van de verdediging is kort gezegd aangevoerd, dat [medeverdachte] van het openbaar ministerie ten opzichte van verdachte een voorkeursbehandeling heeft gehad, hetgeen volgens de verdediging tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden. Ter onderbouwing hiervan heeft de raadsman van verdachte gewezen op de omstandigheid, dat het openbaar ministerie niet tegen de vrijspraak door de politierechter van die [medeverdachte] ter zake van poging tot oplichting in hoger beroep is gegaan, maar wel hoger beroep heeft ingesteld tegen de vrijspraak door de politierechter van verdachte ter zake van het medeplegen van dan wel medeplichtigheid aan poging tot oplichting.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Naar het oordeel van het hof is van een zogenaamde voorkeursbehandeling van [medeverdachte] ten opzichte van verdachte geen sprake. Ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat [medeverdachte] door de politierechter is veroordeeld ter zake van valsheid in geschrifte betreffende het onderhavige feitencomplex. Nu verdachte door de politierechter is vrijgesproken van het onderhavige feitencomplex, acht het hof het alleszins redelijk en begrijpelijk dat het openbaar ministerie hiertegen hoger beroep heeft ingesteld en kan daar geen grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in ontwaren. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

dat hij in de periode 1 maart 2005 tot en met 31 maart 2005 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen de ING Bank heeft bewogen tot de afgifte van 12.600,00 Euro, hebbende verdachte en zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk op een (balie)overschrijvingskaart/ -bewijs bij 'Naam opdrachtgever' de gegevens van rekeninghoudster [benadeelde] ingevuld en bij 'Naam begunstigde' de gegevens en het rekeningnummer van verdachte ([naam verdachte]) ingevuld en bij 'Bedrag' bovengenoemd geldbedrag ingevuld en bij 'handtekening' een handtekening, die door moest gaan voor die van die rekeninghoudster, geplaatst en in een kantoor van de ING Bank die/dat overschrijvingskaart/ -bewijs klaargelegd ter tekening/parafering, (voor verwerking en akkoord) en voor verzending (voor overschrijving) waardoor de ING Bank werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

I. Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren, dat:

- verdachte in de periode 1 maart 2005 tot en met 31 maart 2005 in Nederland [medeverdachte], werkzaam bij de ING Bank te Boxtel, een pistool in zijn nek heeft gezet en tegen die [medeverdachte] heeft gezegd dat die [medeverdachte] geld naar zijn, verdachtes, bankrekening moest laten overmaken;

- verdachte die [medeverdachte] heeft gezegd dat die [medeverdachte] verdachtes instructies moest volgen;

- verdachte die [medeverdachte] de opdracht heeft gegeven, dat die [medeverdachte] bij de ING Bank een bankrekening met een ‘fors’ saldo moest uitzoeken;

-die [medeverdachte] hierop de bankrekening van [benadeelde] heeft uitgekozen, op een overschrijvingskaart als opdrachtgever de naam, het adres en het bankrekeningnummer van die [benadeelde] en als begunstigde de naam en het bankrekeningnummer van verdachte heeft ingevuld en voorts op deze overschrijvingskaart een bedrag van € 12.600,00 heeft ingevuld;

- die [medeverdachte] de ondertekende overschrijvingskaart op 21 maart 2005 voor verzending heeft klaargelegd, welke op 22 maart 2005 is verzonden;

- het genoemde bedrag omstreeks 25 maart 2005 van de bankrekening van die [benadeelde] is afgeschreven;

- verdachte die [medeverdachte] heeft gezegd dat hij moest bewijzen dat de transactie had plaatsgevonden, waarop die [medeverdachte] verdachte een uitdraai uit het systeem van de ING Bank heeft overhandigd, op welke uitdraai wordt vermeld dat een bedrag van € 12.600,00 van de bankrekening van die [benadeelde] wordt overgemaakt naar de bankrekening van verdachte, welke uitdraai in de woning van verdachte is aangetroffen;

- verdachte die [medeverdachte] zijn bankpas en zijn pincode heeft gegeven en die [medeverdachte] heeft gezegd dat hij moest trachten geld van de bankrekening van verdachte op te nemen;

- verdachte in de auto bleef wachten op de momenten dat die [medeverdachte] trachtte geld van de bankrekening van verdachte op te nemen;

- verdachte op 25 maart 2005 bij een giromaat van de Postbank heeft getracht een bedrag van € 10.000,00 op te nemen, maar hierin niet is geslaagd, omdat het bedrag nog niet was gestort;

- verdachte op 29 maart 2005 bij een giromaat van de Postbank te ’s Hertogenbosch in het bijzijn van die [medeverdachte] heeft getracht geld van zijn rekening te pinnen, waarbij de bankpas van verdachte is ingeslikt;

- verdachte hierop met die [medeverdachte] naar een vestiging van de Postbank op de Kerkstraat te ’s Hertogenbosch is gegaan, teneinde te informeren waarom zijn bankpas was ingeslikt.

Gelet op de hiervoor weergegeven gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, een en ander bezien in onderlinge samenhang en in (tijds)verband ook met de overige bewijsmiddelen, is het hof van oordeel dat verdachte door aldus te handelen een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de oplichting zoals bewezen verklaard en dat er sprake was van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en die [medeverdachte], dat van medeplegen kan worden gesproken. Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde, te weten “medeplegen van oplichting”, heeft begaan.

II. Verweren

Van de zijde van de verdediging is zakelijk weergegeven aangevoerd, dat [medeverdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering uit hoofde van zijn dienstbetrekking of beroep bij de ING Bank, zodat niet kan worden bewezen dat verdachte medepleger van dan wel medeplichtig aan dan wel uitlokker van oplichting is geweest en derhalve van het primair en het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

Naar het oordeel van het hof had die [medeverdachte] de gelden van [benadeelde] niet onder zich als bedoeld in artikel 322 van het Wetboek van Strafrecht, nu deze op de bankrekening van die [benadeelde] stonden en niet de ING Bank, maar die [benadeelde] als rekeninghouder gerechtigd was over deze gelden te beschikken. Het hof verwerpt het verweer.

Het hof is van oordeel dat de overige door de verdediging gevoerde verweren, die - zo begrijpt het hof - dienen te leiden tot vrijspraak van verdachte van het onder 1 ten laste gelegde, worden weersproken door de door het hof gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen, die aan het gebruik daarvan in de weg staan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 326 (oud) van het Wetboek van Strafrecht juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1º van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat de verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 5 juni 2007 reeds eerder ter zake een soortgelijk strafbaar feit is veroordeeld;

- de omstandigheid dat verdachte uit geldelijk gewin [medeverdachte] een pistool in zijn nek heeft gezet en in een situatie gebracht, waarin deze een strafbaar feit heeft begaan, met alle gevolgen die dat voor die [medeverdachte] heeft gehad en wellicht in de toekomst zal hebben;

- de omstandigheid dat door verdachtes handelen schade is toegebracht aan het in de maatschappij gestelde vertrouwen in het bancaire betalingssysteem.

Met oplegging van een gedeeltelijke voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Schadevergoeding

De benadeelde partij ING Bank heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 407,88. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering.

De vordering is naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij ING Bank kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 47, 63 en 326 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Medeplegen van oplichting.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de benadeelde partij, ING Bank, in haar vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de benadeelde partij, ING Bank, in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. H. Eijsenga, mr. J.H.J.M. Mertens - Steeghs, voorzitter, en

mr. J.B.H.M. Simmelink,

in tegenwoordigheid van mr. T. Tanghe, griffier,

en op 20 juli 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.B.H.M. Simmelink is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.