Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7902

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
15-11-2007
Zaaknummer
04/02677
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BD9220, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BD9220
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet BRV luidt als volgt:

"1. Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend, indien de toestand van vóór de verkrijging zowel feitelijk als rechtens wordt hersteld als gevolg van:

a. de vervulling van een ontbindende voorwaarde;".

F B.V. is ter zake van de levering van de monumenten twee overeenkomsten aangegaan. Beide overeenkomsten bevatten een voorwaarde. De voorwaarde is in beide overeenkomsten gelijkluidend. Bij de vervulling van de voorwaarde worden bovendien de gevolgen van de ene overeenkomst ongedaan worden gemaakt, terwijl de gevolgen van de andere overeenkomst in werking treden. De twee overeenkomsten zijn aldus zozeer met elkaar verbonden dat zij als een geheel moeten worden beschouwd.

Doel en strekking van dat geheel was naar het oordeel van het Hof onmiskenbaar de monumenten blijvend bij F BV weg te houden. Als niet G BV de monumenten zou (kunnen) verkrijgen dan verkreeg belanghebbende ze wel. De monumenten zouden naar de voorstelling van partijen in elk geval nimmer mogen terugkeren naar F BV. Voor zover de overeenkomsten meer of anders pretenderen missen ze naar het oordeel van het Hof reele betekenis. Het geheel kon aldus beschouwd nimmer tot gevolg hebben dat de toestand van vóór de verkrijging zowel feitelijk als rechtens werd hersteld, zoals vereist door artikel 19, eerste lid, van de Wet BRV.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2008, 9
V-N 2008/12.1.5
FutD 2007-2162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/02677

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te noemen beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Bij brief van 22 april 2002 is namens belanghebbende verzocht om teruggaaf van overdrachtsbelasting tot een bedrag van € 26.409,=. Bij beschikking van 11 november 2002 heeft de Inspecteur besloten niet aan dit verzoek tegemoet te komen.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de beschikking gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 273,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 9 november 2005 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord gemachtigde van belanghebbende, alsmede, de Inspecteur.

1.4. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met drie bijlagen toegezonden aan het hof. Deze pleitnota is ter zitting aan de wederpartij overgelegd en door belanghebbende voorgedragen. Het hof rekent deze pleitnota's met drie bijlagen tot de stukken van het geding.

1.5. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de wederpartij. Het hof rekent de pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende is opgericht op 10 februari 1999 en haar aandelen zijn in handen van de kinderen van de heer A, wonende te Y, (hierna: de heer A), te weten zijn dochter B, geboren op 30 juni 1974, en zijn zoon C, geboren op 10 mei 1979, (hierna: de kinderen). De kinderen zijn tevens bestuurders van belanghebbende.

2.2. Bij overeenkomst van 18 juli 2001 heeft de heer A alle aandelen in D B.V. te Y verkocht aan E B.V. te Breda, welke aandelen bij notariële akte van 31 december 2001 zijn geleverd.

2.3. Voorafgaand aan de in 2.2 bedoelde levering zijn, bij notariële akten eveneens van 31 december 2001, achtereenvolgens de volgende rechtshandelingen verricht:

a. F B.V. te Y, een dochtervennootschap van D B.V., (hierna: F B.V.) levert op grond van een tussen partijen aangegane onderhandse, mondelinge overeenkomst van koop en verkoop een vijftal tot haar bezittingen behorende beschermde monumenten in de zin van de Monumentenwet 1988 (hierna: de monumenten) voor een verkoopprijs van in totaal ƒ 970.000,= aan:

- een reeds bestaande vennootschap, te weten belanghebbende, en wel onder de ontbindende voorwaarde van oprichting van G B.V.; en tevens aan

- een nog op te richten vennootschap, te weten de zojuist genoemde G B.V., en wel onder de opschortende voorwaarde van oprichting van deze vennootschap.

Belanghebbende trad hierbij op als koper zowel voor zich als voor de nog op te richten vennootschap G B.V. in de hoedanigheid van enig oprichter.

b. D B.V. draagt alle aandelen in F B.V. voor ƒ 1,= over aan de heer A.

2.4. De akte van de in 2.3 onder a bedoelde levering maakt voor de overdrachtsbelasting onderscheid tussen de twee leveringen:

a. de levering onder ontbindende voorwaarde aan X B.V. vormt een belaste verkrijging;

de overdrachtsbelasting ten bedrage van 6% over ƒ 970.000,=, of ƒ 58.200,= (€ 26.409,=), is afgedragen;

b. de levering onder opschortende voorwaarde aan G B.V. valt onder de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, onderdeel p, van de Wet BRV, op welke vrijstelling in de akte een beroep wordt gedaan.

De akte vermeldt geen termijn binnen welke G B.V. opgericht zou moeten worden, noch enige andere bepaling waarvan de inwerkingtreding afhankelijk is van het wel of niet oprichten van G B.V.

2.5. Op 8 januari 2002 is bij het Ministerie van Justitie verzocht om afgifte van een "verklaring van geen bezwaar" voor de oprichting van G B.V. De daarvoor benodigde vragenlijsten werden op 31 december 2001 ondertekend namens oprichtster, belanghebbende. In deze periode werd tevens het minimum aanvangskapitaal gestort op een ten name van de op te richten vennootschap G B.V. geopende bankrekening, zodat de voor de oprichting wettelijk vereiste bankverklaring zou kunnen worden afgegeven. Met betrekking tot de oprichting van G B.V. werd noch een intentieovereenkomst, noch een voorovereenkomst gesloten. Het betrof de oprichting van een vennootschap met volstorting in contanten in de zin van artikel 2:203a van het Burgerlijk Wetboek, ter zake waarvan een bankverklaring werd afgegeven.

2.6. Vanaf januari 2002 werd overleg gevoerd met Belastingdienst/Z over de rangschikking van G B.V. als monumenteninstelling in de zin van artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer (hierna: het Uitv.besluit).

2.7. Op 11 april 2002 werd de oprichting van G B.V. voltooid. Op dezelfde dag werd de akte verleden waarbij werd vastgesteld dat de - ontbindende en opschortende - voorwaarde in vervulling was gegaan, zodat belanghebbende de eigendom van de monumenten verloor en G B.V. de eigendom van de monumenten onvoorwaardelijk verkreeg.

Aldus waren de kinderen onmiddellijk aandeelhouder van belanghebbende en vanaf genoemde datum middellijk aandeelhouder van G B.V.

2.8. Bij beschikking van 18 april 2002 werd G B.V. gerangschikt als monumenteninstelling in de zin van artikel 6, tweede lid, aanhef en onderdeel b, van het Uitv.besluit.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

- Heeft belanghebbende op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet BRV recht op teruggaaf van overdrachtsbelasting ten bedrage van ƒ 58.200,= (€ 26.409,=)?

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

- De oprichting van G B.V. was wezenlijk onzeker. Indien bijvoorbeeld de kinderen vroegtijdig zouden overlijden, zou G B.V. nooit zijn opgericht, omdat het uiteindelijke doel was de monumenten aan hen, als (middellijke) aandeelhouders van een monumenten-B.V., over te dragen.

- Het bezwaarschrift vermeldt abusievelijk G B.V. als belanghebbende. De gemachtigde bedoelde vanzelfsprekend namens belanghebbende op te treden.

Inspecteur

- De stelling dat de monumenten-B.V. niet zou zijn opgericht bij vóóroverlijden van de kinderen, acht ik tardief.

- In het bezwaarschrift noemt de gemachtigde G B.V. als zijn cliënt, en niet belanghebbende. Als men het bezwaarschrift letterlijk leest, is dus namens de verkeerde B.V. bezwaar aangetekend. Het was echter duidelijk om welke beschikking het ging. Ik ga ervan uit dat de gemachtigde bedoeld heeft namens belanghebbende bezwaar te maken. De Inspecteur heeft dan ook gewoon uitspraak gedaan. Ik acht mij door deze verschrijving niet in mijn procesbelang geschaad.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en teruggaaf van de gevraagde overdrachtsbelasting. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Ambtshalve en vooraf

4.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift en het beroepschrift oordeelt het hof als volgt.

4.2. De gemachtigden schrijven in het bezwaarschrift respectievelijk het beroepschrift op te treden namens G B.V. Partijen hebben ter zitting desgevraagd verklaard dat tussen hen, ondanks de naamsverwisselingen, volstrekt duidelijk was en is dat de belanghebbende met betrekking tot de in geschil zijnde vraag X B.V. is en verder dat zij op geen enkele wijze door de naamsverwisselingen in hun procesbelang zijn geschaad.

4.3. Nu ook aan het hof aanstonds duidelijk was dat de vermelding in het beroepschrift van G B.V. als belanghebbende kennelijk op een verschrijving berustte, ziet het hof daarom geen reden het bezwaarschrift en/of het beroepschrift (alsnog) niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van het materiële geschil

4.4. Artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet BRV luidt als volgt:

"1. Op verzoek wordt teruggaaf van de belasting verleend, indien de toestand van vóór de verkrijging zowel feitelijk als rechtens wordt hersteld als gevolg van:

a. de vervulling van een ontbindende voorwaarde;".

4.5. F B.V. is ter zake van de levering van de monumenten twee overeenkomsten aangegaan. Beide overeenkomsten bevatten een voorwaarde. De voorwaarde is in beide overeenkomsten gelijkluidend. Bij de vervulling van de voorwaarde worden bovendien de gevolgen van de ene overeenkomst ongedaan worden gemaakt, terwijl de gevolgen van de andere overeenkomst in werking treden. De twee overeenkomsten zijn aldus zozeer met elkaar verbonden dat zij als een geheel moeten worden beschouwd.

Doel en strekking van dat geheel was naar het oordeel van het Hof onmiskenbaar de monumenten blijvend bij F BV weg te houden.

Als niet G BV de monumenten zou (kunnen) verkrijgen dan verkreeg belanghebbende ze wel. De monumenten zouden naar de voorstelling van partijen in elk geval nimmer mogen terugkeren naar F BV. Voor zover de overeenkomsten meer of anders pretenderen missen ze naar het oordeel van het Hof reele betekenis.

4.6. Het geheel kon aldus beschouwd nimmer tot gevolg

hebben dat de toestand van vóór de verkrijging zowel feitelijk als

rechtens werd hersteld, zoals vereist door artikel 19, eerste lid,

van de Wet BRV.

Het gelijk is reeds om die reden aan de zijde van de Inspecteur.

Het karakter en de inhoud van de voorwaarde(n) kan dan hier verder

in het midden blijven.

4.7. Gelet op het vorenstaande is het gelijk aan de zijde van de Inspecteur.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 17 oktober 2007

door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J.W. van der Voort en K.L.H. van Mens, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op:17 oktober 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.