Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7900

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2007
Datum publicatie
15-11-2007
Zaaknummer
03/00503
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onder de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) wordt aan buitenlandse belastingplichtigen die niet kiezen voor de behandeling als binnenlandse belastingplichtigen, in Box III geen heffingsvrij vermogen toegekend. Dit verschil in behandeling is naar het oordeel van het Hof geoorloofd, nu buitenlandse belastingplichtigen zich niet in gelijke situatie bevinden als binnenlandse belastingplichtigen. De laatstgenoemden worden immers in Nederland in de belastingheffing betrokken voor hun wereldinkomen, terwijl buitenlandse belastingplichtigen alleen belast worden voor de in Nederland gelegen bronnen van inkomen (vergelijk arrest Hof van Justitie EG (hierna: het HvJ EG) van 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, BNB 1995/187). Onder de werking van de Wet IB 2001 geeft Nederland niet-inwoners in overeenstemming met het Schumacker arrest de mogelijkheid - met inachtneming van belastingverdragen - gelijk te worden behandeld als inwoners. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende gekozen heeft voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige. Het HvJ EG heeft, naar aanleiding van de prejudiciële vragen van het Hof, op 5 juli 2005, zaak D, nr. C-376/03, BNB 2006/1 (hierna: de zaak D), betreffende de belastingvrije som voor de vermogensbelasting, overwogen, dat een belastingplichtige, die slechts een niet-wezenlijk deel van zijn vermogen bezit in een andere lidstaat, dan de staat waarvan hij ingezetene is, zich in de regel niet bevindt in een situatie, die vergelijkbaar is met die van de ingezetenen van die andere lidstaat. De weigering om hem een belastingvrije som toe te kennen, waarvoor de ingezetenen wel in aanmerking komen, levert geen discriminatie op. Voorts heeft het HvJ EG in de zaak D overwogen, dat het feit, dat wederkerige rechten en verplichtingen in belastingverdragen slechts gelden voor ingezetenen van de verdragsluitende staten, een inherent gevolg is van bilaterale verdragen ter voorkoming van dubbele belasting. Een regel, als bijvoorbeeld die van artikel 25, § 3, van de Belgisch-Nederlandse Belastingverdrag, waarop belanghebbende kennelijk een beroep doet, kan niet worden losgekoppeld van de rest van de overeenkomst, omdat die regel integrerend deel uitmaakt van die overeenkomst en bijdraagt tot het algehele evenwicht ervan. Naar het oordeel van het Hof valt uit de hiervoor weergegeven antwoorden van het HvJ EG in de zaak D af te leiden, dat belanghebbende, die ingezetene van Frankrijk is, moet worden geacht zich met betrekking tot de inkomstenbelasting over de in Nederland gelegen woning niet in dezelfde situatie te bevinden als een belastingplichtige die Belgisch ingezetene is (analoog aan het arrest in de zaak D). Naar het oordeel van het Hof valt hieruit verder af te leiden, dat belanghebbende geen recht heeft op het heffingsvrije vermogen en Nederland niet verplicht is om, in een situatie van ongelijkheid tussen ingezetenen van de verdragsluitende partijen (België en Nederland) en ingezetenen van derde landen die geen verdragspartij zijn (in dezen Frankrijk), de regel van artikel 25, § 3, van het Nederlands-Belgische Belastingverdrag uit te breiden tot de ingezetene van de lidstaat die geen partij is bij die overeenkomst (in dit geval Frankrijk). Naar analogie heeft hetzelfde te gelden voor het Belastingverdrag met Suriname. Gesteld noch gebleken is dat de woning een wezenlijk deel (90% of meer) van belanghebbendes vermogen vormt. Naar het oordeel van het Hof volgt uit hetgeen is beslist in de zaak D, dat belanghebbende geen recht heeft op het heffingsvrije vermogen. Nu belanghebbende ook niet gekozen heeft voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige, behoeft Nederland hem niet als binnenlands belastingplichtige te behandelen. Op Nederland rust niet de plicht met zijn draagkracht rekening te houden door een heffingsvrij vermogen toe te kennen, waar Nederland deze wel aan binnenlandse belastingplichtigen zou geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-2168
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/00503

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van wijlen X, domicilie kiezende te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P/kantoor Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de Inspecteur) op de bezwaarschriften betreffende na te melden aanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2001 en 2002 voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting opgelegd telkens naar een verzamelinkomen van € 3.611,=, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur zijn gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 31,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 5 september 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

1.4. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 19 juli 2007, met nummer 3S RRRK 0000000, aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie.

Op 20 juli 2007 heeft de echtgenote van belanghebbende telefonisch contact opgenomen met de griffier en medegedeeld, dat belanghebbende drie jaar geleden is overleden en gevraagd waarover het in de uitnodiging vermelde beroep gaat.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de Inspecteur ter zitting, stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Belanghebbende, geboren op 11 juli 1914, had de Nederlandse nationaliteit en heeft zich met zijn echtgenote geruime tijd geleden metterwoon in Frankrijk gevestigd.

2.2. Belanghebbende bezit in Nederland een tweede woning, die hij gebruikt als pied à terre (hierna: de woning) om contact met familie te onderhouden.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Mag Nederland inkomstenbelasting heffen over de woning?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, heeft

belanghebbende recht op het heffingsvrije vermogen?

Belanghebbende is van oordeel dat de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord en de tweede vraag bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft de Inspecteur hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

- Het verweerschrift behandelt ten onrechte alleen het jaar 2002, terwijl het beroep ook gericht is tegen het jaar 2001. Wij hebben ook over het jaar 2001 uitspraak gedaan. Voor beide jaren zijn voorlopige aanslagen opgelegd naar aanleiding van de ingediende aangifte inkomstenbelasting 2001 en uitgaande van de gegevens 2001. Ook voor het jaar 2001 dient dus door het Hof uitspraak te worden gedaan, maar uiteraard niet voor het jaar 2003.

- Voor het jaar 2002 hebben wij als Box III-vermogen aangehouden het bedrag van € 90.288,=, dat afkomstig was van de aangifte inkomstenbelasting 2001. De WOZ waarde van de woning was in 2002

€ 121.363,=.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraken en vernietiging van de aanslagen.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve

4.1. Blijkens het onder 1.4 vermelde telefoongesprek heeft de aldaar genoemde uitnodiging op 20 juli 2007 de echtgenote van belanghebbende bereikt.

Op grond hiervan is het Hof van oordeel, dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op de juiste wijze heeft plaatsgevonden.

4.2. Belanghebbende betrekt in zijn beroep ook de voorlopige aanslag over het jaar 2003. Het Hof kan evenwel over dat jaar geen uitspraak doen, nu niet gebleken is dat ten tijde van de indiening van het beroepschrift tegen de voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2003 een bezwaarschrift was ingediend, waarop de Inspecteur uitspraak heeft gedaan.

Ten aanzien van het geschil

4.3. Belanghebbende stelt, dat hij zijn domicilie in Frankrijk heeft, waar hij ook inkomstenbelasting betaalt. Hij vraagt zich af, of de inkomstenbelastingheffing over de woning in Nederland wel in overeenstemming is met het Belastingverdrag gesloten op 16 maart 1973 tussen Nederland en Frankrijk (hierna: het Verdrag).

Artikel 6, lid 1, van het Verdrag luidt, voor zover hier van belang als volgt:

"1. Inkomsten uit onroerende goederen, ..., mogen worden belast in de Staat waar deze goederen zijn gelegen."

Hieruit volgt, dat de heffing over de inkomsten uit onroerende zaken toegewezen is aan Nederland. De Inspecteur heeft derhalve in beide hier aan de orde zijnde jaren terecht de woning betrokken in de heffing van de inkomstenbelasting. Dat belanghebbende over de woning tevens de onroerendezakenbelasting betaalt, doet aan dat oordeel niet af, nu de laatstgenoemde heffing geen inkomstenbelasting is doch een gemeentelijke heffing. Evenmin doet aan dat oordeel af het feit, dat de woning door belanghebbende zelf wordt gebruikt. Ook het voordeel uit eigen gebruik wordt door de wetgever - evenals onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 het geval was - als inkomsten gezien.

4.4. Voorts stelt belanghebbende, dat hij - nu de woning in Box III wordt geplaatst - anders wordt behandeld dan binnenlandse belastingplichtigen. Het Hof kan belanghebbende in die stelling niet volgen. De woning is voor belanghebbende een zogenaamde tweede woning, dat betekent een woning die niet als hoofdverblijf geldt. Ook binnenlandse belastingplichtigen, die net als belanghebbende een tweede woning bezitten, worden voor de inkomstenbelasting ter zake in Box III belast.

4.5. Gelet op het vorenoverwogene dient de eerste in geschil zijnde vraag bevestigend te worden beantwoord en is het gelijk met betrekking tot die vraag aan de zijde van de Inspecteur.

4.6. Belanghebbende vraagt zich vervolgens af, waarom bij de berekening van de voorlopige aanslagen geen rekening is gehouden met het heffingsvrije vermogen, terwijl - zo verstaat het Hof belanghebbendes grief - binnenlandse belastingplichtigen en "inwoners van België, Suriname enz." die overigens onder soortgelijke omstandigheden verkeren, wel de aftrek van het heffingsvrije vermogen krijgen.

4.7. Het Hof overweegt dienaangaande als volgt. Onder de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) wordt aan buitenlandse belastingplichtigen die niet kiezen voor de behandeling als binnenlandse belastingplichtigen, in Box III geen heffingsvrij vermogen toegekend. Dit verschil in behandeling is naar het oordeel van het Hof geoorloofd, nu buitenlandse belastingplichtigen zich niet in gelijke situatie bevinden als binnenlandse belastingplichtigen. De laatstgenoemden worden immers in Nederland in de belastingheffing betrokken voor hun wereldinkomen, terwijl buitenlandse belastingplichtigen alleen belast worden voor de in Nederland gelegen bronnen van inkomen (vergelijk arrest Hof van Justitie EG (hierna: het HvJ EG) van 14 februari 1995, Schumacker, C-279/93, BNB 1995/187).

Onder de werking van de Wet IB 2001 geeft Nederland niet-inwoners in overeenstemming met het Schumacker arrest de mogelijkheid - met inachtneming van belastingverdragen - gelijk te worden behandeld als inwoners. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende gekozen heeft voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige.

4.8. Het HvJ EG heeft, naar aanleiding van de prejudiciële vragen van het Hof, op 5 juli 2005, zaak D, nr. C-376/03, BNB 2006/1 (hierna: de zaak D), betreffende de belastingvrije som voor de vermogensbelasting, overwogen, dat een belastingplichtige, die slechts een niet-wezenlijk deel van zijn vermogen bezit in een andere lidstaat, dan de staat waarvan hij ingezetene is, zich in de regel niet bevindt in een situatie, die vergelijkbaar is met die van de ingezetenen van die andere lidstaat. De weigering om hem een belastingvrije som toe te kennen, waarvoor de ingezetenen wel in aanmerking komen, levert geen discriminatie op.

Voorts heeft het HvJ EG in de zaak D overwogen, dat het feit, dat wederkerige rechten en verplichtingen in belastingverdragen slechts gelden voor ingezetenen van de verdragsluitende staten, een inherent gevolg is van bilaterale verdragen ter voorkoming van dubbele belasting. Een regel, als bijvoorbeeld die van artikel 25, § 3, van de Belgisch-Nederlandse Belastingverdrag, waarop belanghebbende kennelijk een beroep doet, kan niet worden losgekoppeld van de rest van de overeenkomst, omdat die regel integrerend deel uitmaakt van die overeenkomst en bijdraagt tot het algehele evenwicht ervan.

4.9. Naar het oordeel van het Hof valt uit de hiervoor weergegeven antwoorden van het HvJ EG in de zaak D af te leiden, dat belanghebbende, die ingezetene van Frankrijk is, moet worden geacht zich met betrekking tot de inkomstenbelasting over de in Nederland gelegen woning niet in dezelfde situatie te bevinden als een belastingplichtige die Belgisch ingezetene is (analoog aan het arrest in de zaak D).

Naar het oordeel van het Hof valt hieruit verder af te leiden, dat belanghebbende geen recht heeft op het heffingsvrije vermogen en Nederland niet verplicht is om, in een situatie van ongelijkheid tussen ingezetenen van de verdragsluitende partijen (België en Nederland) en ingezetenen van derde landen die geen verdragspartij zijn (in dezen Frankrijk), de regel van artikel 25, § 3, van het Nederlands-Belgische Belastingverdrag uit te breiden tot de ingezetene van de lidstaat die geen partij is bij die overeenkomst (in dit geval Frankrijk). Naar analogie heeft hetzelfde te gelden voor het Belastingverdrag met Suriname.

4.10. Gesteld noch gebleken is dat de woning een wezenlijk deel (90% of meer) van belanghebbendes vermogen vormt. Naar het oordeel van het Hof volgt uit hetgeen is beslist in de zaak D, dat belanghebbende geen recht heeft op het heffingsvrije vermogen. Nu belanghebbende ook niet gekozen heeft voor behandeling als binnenlandse belastingplichtige, behoeft Nederland hem niet als binnenlands belastingplichtige te behandelen. Op Nederland rust niet de plicht met zijn draagkracht rekening te houden door een heffingsvrij vermogen toe te kennen, waar Nederland deze wel aan binnenlandse belastingplichtigen zou geven.

4.11. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de tweede in geschil zijnde vraag eveneens aan de zijde van de Inspecteur.

5. GeHet

riffierecht en proceskosten

5.1. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

5.2. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 17 oktober 2007

door J. Swinkels, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en S. Bosma, leden, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.