Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7885

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2007
Datum publicatie
15-11-2007
Zaaknummer
04/00432
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De afvalstoffenheffing is ingevoerd vanwege de wens om op alle gebruikers van percelen, ongeacht of gebruik wordt gemaakt van de reinigingsdienst, de kosten van de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen te verhalen. De aanleiding van de invoering van de bevoegdheid tot heffing van afvalstoffenheffing was immers de bewijsproblematiek bij de reinigingsrechten. Aangezien de afvalstoffenheffing het karakter heeft van een (bestemmings)belasting hoeft er geen (individuele) tegenprestatie te bestaan, zoals dit bij de rechten wel het geval is. Desalniettemin kan worden gesteld, dat de afvalstoffenheffing is gestoeld op het profijtbeginsel. Zonder dat direct profijt aan de individuele gebruikers of genothebbenden wordt toegerekend, kan toch worden gesteld, dat de groep ten behoeve van wie de inzamelingsverplichting bestaat, een vorm van profijt heeft, omdat iedereen het genot heeft van een schone gemeente en van de inzamelingsdienst gebruik kán maken. Daar waar afvalstoffen worden geproduceerd doch zelf voor de verwijdering zorg wordt gedragen, wordt toch belastingplicht aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2007, 2112

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/00432

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente Brunssum (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslagen en de daarbij gevoegde besluiten.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn onder aanslagbiljetnummer 1 over het jaar 2001 aanslagen in de onroerende zaakbelasting/gebruikersbelasting en in de afvalstoffenheffing opgelegd. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de verweerder bij de bestreden uitspraak de aanslagen gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 31,=. De verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 13 juni 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn echtgenote, alsmede de verweerder.

1.4. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende was in 2001 eigenaar van een woning (hierna: de woning) aan de A-straat 1 te Q. De woning was gestoffeerd en gemeubileerd. Er was sprake van een gering waterverbruik dat (mede) werd veroorzaakt door het wekelijks doorspoelen van het toilet. Dit was een vaste routine met het oog op de verkoop van de woning.

2.2. Belanghebbende heeft enkele malen de milieustraat te Brunssum bezocht om daar oud archief, verfresten enz. naar toe te brengen.

2.3. De woning stond te koop sinds 30 juli 2003 en is verkocht op 1 september 2004.

2.4. Belanghebbende is in het onderhavige jaar betrokken in de heffing van onroerende zaakbelasting (gebruiker) en in de afvalstoffenheffing als gebruiker van de woning.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft, naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard, het antwoord op de vraag of belanghebbende voor het jaar 2001 terecht in de onroerende zaakbelasting (gebruiker) en de afvalstoffenheffing is betrokken.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord.

De verweerder is van oordeel dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende:

Desgevraagd verklaar in mijn grief met betrekking tot de CAI in te trekken, nu ik heb begrepen dat het Hof niet bevoegd is van dit geschilpunt kennis te nemen.

Ik betwist dat ik regelmatig verblijf houd op genoemd perceel.

Er is slechts sprake van opslag van meubilair.

Ik onderhoud de tuin niet. Ik maai het gras en laat dat liggen. Ik stel vast dat ik beter niet naar de milieustraat had kunnen gaan zoals in mijn beroepschrift is vermeld.

De verweerder:

Het gaat om het gebruik. De feitelijke omstandigheden zijn hierbij van doorslaggevende betekenis. Ik persisteer bij het verweerschrift. De aanslagen zijn terecht opgelegd.

Er is sprake van een typefout in de Verordening. De Verordening verwijst naar de artikelen 10.21 (niet 10.11) en 10.22 van de Wet milieubeheer.

Partijen

Belanghebbende is eenmaal aangetroffen in de woning tijdens een controle ter plaatse.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de hem opgelegde aanslagen.

De verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

Onroerende zaakbelasting

4.1. Het bepaalde in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening op de heffing en invordering van onroerende zaakbelastingen van de gemeente Brunssum, waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort, luidt:

" Artikel 1 Belastingplicht

1. Onder de naam "onroerende-zaakbelastingen" worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee belastingen geheven:

a een gebruiksbelasting van degene die - naar omstandigheden beoordeeld - bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

(...)".

4.2. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.1 is vastgesteld alsmede de verklaringen van partijen ter zitting, is het Hof van oordeel dat de woning mede wordt gebruikt voor de opslag van meubilair. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld, dat de woning wordt gebruikt in de zin van de onder rechtsoverweging 4.1 vermelde bepaling van de Verordening.

De aanslag is terecht opgelegd.

Afvalstoffenheffing

4.3. Het bepaalde in artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing van de gemeente Brunssum, waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort, luidt:

" Artikel 2 Belastingplicht

Belastingplichtig voor de afvalstoffenheffing is degene, die naar omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan de gemeente verplicht is tot de in artikel 10.11 (Hof: moet zijn 10.21) van de Wet milieubeheer bedoelde dienstverlening. (...)".

4.4. Gelet op hetgeen onder 2.2 is vermeld, is naar het oordeel van het Hof voldoende om belanghebbende als (feitelijke) gebruiker aan te merken in de zin van de Verordening. Hetgeen belanghebbende voorts nog heeft aangevoerd, te weten dat de woning niet wordt bewoond en dat aan belanghebbende nimmer is verzocht een pasje voor de milieustraat in te leveren, doet aan dat oordeel niet af.

4.5. Belanghebbende stelt, dat hij ten onrechte geen afvalcontainer heeft ontvangen van de verweerder, ondanks herhaald verzoek. De verweerder heeft deze stelling weersproken. Belanghebbende heeft vervolgens zijn stelling niet nader onderbouwd met bijvoorbeeld stukken, zoals een schriftelijke aanvraag tot plaatsing van een afvalcontainer. Het Hof zal daarom belanghebbende niet volgen in zijn stelling.

4.6. De afvalstoffenheffing is ingevoerd vanwege de wens om op alle gebruikers van percelen, ongeacht of gebruik wordt gemaakt van de reinigingsdienst, de kosten van de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen te verhalen. De aanleiding van de invoering van de bevoegdheid tot heffing van afvalstoffenheffing was immers de bewijsproblematiek bij de reinigingsrechten. Aangezien de afvalstoffenheffing het karakter heeft van een (bestemmings)belasting hoeft er geen (individuele) tegenprestatie te bestaan, zoals dit bij de rechten wel het geval is. Desalniettemin kan worden gesteld, dat de afvalstoffenheffing is gestoeld op het profijtbeginsel. Zonder dat direct profijt aan de individuele gebruikers of genothebbenden wordt toegerekend, kan toch worden gesteld, dat de groep ten behoeve van wie de inzamelingsverplichting bestaat, een vorm van profijt heeft, omdat iedereen het genot heeft van een schone gemeente en van de inzamelingsdienst gebruik kán maken. Daar waar afvalstoffen worden geproduceerd doch zelf voor de verwijdering zorg wordt gedragen, wordt toch belastingplicht aangenomen.

4.7. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vragen aan de zijde van de verweerder, zodat dient te worden beslist zoals hierna vermeld.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door J. Swinkels, lid van voormelde Kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van M.J.J. van Oorschot, griffier, in het openbaar uitgesproken op: 05 juli 2007

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op:05 juli 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.