Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB7882

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
15-11-2007
Zaaknummer
C0600461
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu de vordering van GTI door [appellante] gemotiveerd is betwist, dient GTI overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv. haar stelling dat de gefactureerde reizen door haar zijn verzorgd in opdracht van [appellante], te bewijzen, behoudens de reis waarop factuur 20825 ziet, nu [appellante] die factuur erkent. Met betrekking tot factuur 20825 geldt dat de vordering waarop die factuur betrekking heeft, teniet is gegaan door verrekening (art. 6:127, lid 1 BW), nu [appellante] zich, onweersproken, op het bestaan van een tegenvordering ad € 1.562,52 jegens GTI heeft beroepen en heeft verklaard die te willen verrekenen met bedoelde factuur. Grief 2 treft dus doel. GTI heeft in eerste aanleg weliswaar bewijs aangeboden en in haar akte d.d. 6 april 2005 namen van getuigen genoemd, doch in hoger beroep is GTI in gebreke gebleven verweer te voeren tegen de grieven van [appellante]. GTI is in hoger beroep tevens in gebreke gebleven haar stellingen nader feitelijk te onderbouwen door het overleggen van vliegtickets of schriftelijke verklaringen omtrent de gestelde door haar gefactureerde, in opdracht van [appellante] verzorgde reizen. Nu de procureur GTI in hoger beroep heeft gedesisteerd, zal het hof de toewijsbaarheid van de vordering van GTI beoordelen op basis van de thans in het geding gebrachte bewijsmiddelen. Het hof is van oordeel dat, gelet op de betwisting door [appellante], de thans voorhanden bewijsmiddelen ontoereikend zijn om de vordering te kunnen toewijzen. De vordering van GTI moet daarom alsnog worden afgewezen. De grieven 4 en 5 treffen dus doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MBR

rolnr. C0600461/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 30 oktober 2007,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

handelende onder de naam HOLIDAYMAKER,

wonende te [plaats] (België),

appellante bij exploot van dagvaarding van 1 februari 2006,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid GTI TRAVEL B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur gedesisteerd,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 9 november 2005 tussen appellante - [appellante] - als gedaagde en geïntimeerde - GTI - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 100059/HA ZA 05-280)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] onder overlegging van één productie vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van GTI.

2.2. De procureur van GTI heeft gedesisteerd.

2.3. [appellante] heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van [appellante] strekken ten betoge dat de rechtbank de vordering van GTI ten onrechte heeft toegewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [appellante] heeft een reisbureau. GTI is touroperator en verzorgt reizen.

b. In de periode 2002 tot medio 2003 heeft GTI in opdracht van [appellante] reizen verzorgd die klanten bij [appellante] hadden geboekt, blijkens de verklaring van [appellante] ter comparitie voor een bedrag van € 50.000,- á € 60.000,-.

c. De gang van zaken was als regel aldus dat GTI van [appellante] telefonisch opdracht kreeg een door de klant bij [appellante] geboekte reis te verzorgen (te reserveren) en dat GTI, ter bevestiging van deze opdracht, een factuur verstuurde naar [appellante] waarop tevens het reserveringsnummer werd vermeld. De factuur diende door [appellante] betaald te worden voorafgaande aan de reis, waarna GTI de noodzakelijke reisbescheiden toestuurde.

4.2. GTI heeft in eerste aanleg gevorderd [appellante] te veroordelen tot betaling van

1. hoofdsom € 8.427,18

2. wettelijke (handels)rente over de hoofdsom p.m.

3. buitengerechtelijke kosten € 998,48

4. wettelijke rente over deze kosten p.m.

4.3. GTI baseert deze vordering op de stelling dat zij

in de periode augustus 2002 tot en met november 2002 in opdracht en voor rekening van [appellante] reizen heeft verzorgd en gefactureerd tot een totaalbedrag van € 8.427,18 en dat [appellante] die facturen ten onrechte niet heeft betaald. GTI heeft de desbetreffende facturen bij inleidende dagvaarding overgelegd.

4.4. [appellante] heeft bij conclusie van antwoord betwist dat de beweerdelijke reizen zijn gemaakt, althans via [appellante] zijn geboekt. [appellante] stelt dat zij destijds daarvoor ook geen facturen heeft ontvangen, behalve, blijkens haar verklaring ter comparitie, voor wat betreft de laatste factuur d.d. 26 november 2002 nr. 20825. Het bedrag van die factuur wil zij blijkens haar verklaring in de toelichting op grief 1 en 2 mvg (pag. 4, 4de alinea en pag. 5, toelichting op grief 2) verrekenen met het bedrag van € 1.562,52, dat zij van GTI te vorderen heeft wegens een creditfactuur van GTI daterend uit 2003. Het bedrag van deze creditfactuur (prod. 1 mvg) heeft GTI niet aan [appellante] gerestitueerd.

Ter comparitie heeft [appellante] voorts verklaard dat zij de namen die vermeld zijn op de overgelegde facturen heeft gecontroleerd en deze niet in haar administratie heeft kunnen terugvinden.

4.5. Bij vonnis van 9 november 2005 heeft de rechtbank de vordering van GTI, voor wat betreft de hoofdsom, toegewezen en voor wat betreft de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 768,-.

4.6. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] in eerste aanleg een houding heeft aangenomen die in strijd is met art. 21 Rv. Daaraan heeft de rechtbank het gevolg verbonden dat zij het ontkennende standpunt van [appellante] niet meer geloofwaardig acht en zij heeft de vorderingen van GTI daarom toegewezen.

4.7. In grief 1 bestrijdt [appellante] dit oordeel.

Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven of [appellante] in eerste aanleg een houding heeft aangenomen die in strijd is met art. 21 Rv, te weten handelen in strijd met de verplichting de voor de beslissing van belang zijn feiten volledig en naar waarheid aan te voeren.

Op grond van hetgeen [appellante] in hoger beroep naar voren brengt, kan in ieder geval niet geconcludeerd worden dat [appellante] in hoger beroep een dergelijke houding heeft aangenomen, zodat het hof de vorderingen van GTI, gelet op de betwisting daarvan door [appellante], op hun gegrondheid zal beoordelen.

Grief 1 slaagt dus, voorzover deze gericht is tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering van GTI, voor wat betreft de hoofdsom, toewijsbaar is zonder nader onderzoek naar de gegrondheid van die vordering.

4.8. [appellante] heeft de vordering van GTI gemotiveerd betwist.

Zij stelt dat zij de sommatiebrieven van 15 juli 2003 en 16 december 2003 (prod. 8 en 9 inl. dagv.) nooit heeft ontvangen, dat zij pas in augustus 2004 de eerste betalingsherinnering ontving (prod. 2 en 3 inl. dagv.; zie ook de verklaring van [persoon 1] van GTI ter comparitie) en dat zij daarop per brief van 20 augustus 2004 (prod. 6 inl. dagv.) heeft gereageerd. Omdat pas via de brief van 13 januari 2005 van de advocaat van GTI (prod. 4 inl. dagv.) de factuurnummers zijn doorgegeven van de facturen die volgens GTI onbetaald zouden zijn gebleven, heeft [appellante] eerst toen in haar administratie kunnen controleren of er nog facturen openstonden.

4.9. Namens GTI heeft [persoon 1] ter comparitie verklaard dat bij GTI achterstanden waren ontstaan, onder meer bij het bijhouden van openstaande debiteuren, en dat daarom de eerste herinnering tot betaling pas begin augustus 2004 is verstuurd. Voorts heeft [persoon 1] verklaard dat GTI via luchtvaartmaatschappijen coupons van vliegtickets tracht te verkrijgen teneinde te bewijzen dat de gefactureerde reizen daadwerkelijk zijn gemaakt. Voorts heeft [persoon 2] namens GTI verklaard dat, doordat de debiteurenbewakingsysteem van GTI kennelijk niet goed werkte, het kan zijn dat in de praktijk de noodzakelijke bescheiden door GTI reeds werden verstuurd terwijl nog niet het hele factuurbedrag was betaald.

4.10. Nu de vordering van GTI door [appellante] gemotiveerd is betwist, dient GTI overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv. haar stelling dat de gefactureerde reizen door haar zijn verzorgd in opdracht van [appellante], te bewijzen, behoudens de reis waarop factuur 20825 ziet, nu [appellante] die factuur erkent.

4.10.1. Met betrekking tot factuur 20825 geldt dat de vordering waarop die factuur betrekking heeft, teniet is gegaan door verrekening (art. 6:127, lid 1 BW), nu [appellante] zich, onweersproken, op het bestaan van een tegenvordering ad € 1.562,52 jegens GTI heeft beroepen en heeft verklaard die te willen verrekenen met bedoelde factuur. Grief 2 treft dus doel.

4.11. GTI heeft in eerste aanleg weliswaar bewijs aangeboden en in haar akte d.d. 6 april 2005 namen van getuigen genoemd, doch in hoger beroep is GTI in gebreke gebleven verweer te voeren tegen de grieven van [appellante]. GTI is in hoger beroep tevens in gebreke gebleven haar stellingen nader feitelijk te onderbouwen door het overleggen van vliegtickets of schriftelijke verklaringen omtrent de gestelde door haar gefactureerde, in opdracht van [appellante] verzorgde reizen.

4.11.1. Nu de procureur GTI in hoger beroep heeft gedesisteerd, zal het hof de toewijsbaarheid van de vordering van GTI beoordelen op basis van de thans in het geding gebrachte bewijsmiddelen. Het hof is van oordeel dat, gelet op de betwisting door [appellante], de thans voorhanden bewijsmiddelen ontoereikend zijn om de vordering te kunnen toewijzen. De vordering van GTI moet daarom alsnog worden afgewezen. De grieven 4 en 5 treffen dus doel.

4.12. Het beroepen vonnis moet worden vernietigd. Grief 3 behoeft daarom geen behandeling.

4.13. Als de in het ongelijk gestelde partij dient GTI te worden veroordeeld in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis d.d. 9 november 2005, waarvan beroep;

veroordeelt GTI in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep, welke kosten, voorzover aan de zijde van [appellante] gevallen worden begroot op

€ 291,- wegens griffierecht in eerste aanleg;

€ 768,- wegens salaris van de procureur in eerste aanleg

€ 480,87 wegens verschotten in hoger beroep

€ 632,- wegens salaris van de procureur in hoger beroep

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Klerk-Leenen en Hofkes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 30 oktober 2007.