Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6904

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-10-2007
Datum publicatie
01-11-2007
Zaaknummer
R200700206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft de man niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde beperkt hoger beroep ter zake een nevenvoorziening, nu de termijn gedurende welke het verzoek tot de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand kan plaatsvinden ongebruikt is verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RJH

25 oktober 2007

Sector Civiel recht

Rekestnummer R200700206

Zaaknummer eerste aanleg 162643 FA RK 06-3006

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

[woonplaats],

de man,

procureur mr. B.A. van Mens,

t e g e n

[Y.],

[woonplaats],

geïntimeerde,

de vrouw,

procureur mr. C.E.M. Renckens.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Breda van 4 december 2006, waarvan de inhoud bij hen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 1 maart 2007, heeft de man - kort gezegd - verzocht voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen en te bepalen dat Nederlands recht van toepassing is op de verdeling van de onderhavige huwelijksgoederengemeenschap en dat partijen worden veroordeeld om met elkaar over te gaan tot verdeling hiervan, met benoeming van een notaris en onzijdig persoon als volgens de wet.

2.2. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 september 2007. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord. De vrouw is ter zitting tevens bijgestaan door een tolk.

2.4. Het hof heeft verder kennisgenomen van de brieven van de raadsman van de man van 21 september 2007, respectievelijk 27 september 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 10 augustus 2001 te Nador, Marokko, met elkaar gehuwd.

4.2. Voornoemde rechtbank heeft bij tussen partijen gegeven beschikking van 4 december 2006 onder toepassing van Nederlands recht de echtscheiding uitge-sproken, doch zij heeft, onder toepassing van Marokkaans recht, het ook door de man gedane (neven-)verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap afgewezen.

4.2.1. De man heeft zijn appel nadrukkelijk beperkt tot de kwestie van het op het verzoek tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap toe te passen recht.

4.2.2. Per saldo betekent dit dat, wat betreft de tussen partijen uitgesproken echtscheiding, de beschikking van 4 december 2006 op 4 maart 2007 in kracht van gewijsde is gegaan (op die datum verstreek immers de, wat dit onderdeel aangaat, ongebruikte appeltermijn van drie maanden (zie artikel 358 Rv.). Vanaf die datum kon, teneinde de ontbinding van het huwelijk te bewerkstelligen, een verzoek tot inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand worden gedaan zij het, dat ingevolge artikel 1:163 BW een dergelijk verzoek had moeten zijn ingediend uiterlijk zes maanden ná de dag waarop de beschikking kracht van gewijsde kreeg. In het onderhavige geval had het verzoek tot inschrijving dan ook uiterlijk op 4 september 2007 moeten worden gedaan.

4.3. Ter voormelde zitting van het hof is evenwel gebleken, dat op 4 september 2007 nog steeds geen verzoek tot inschrijving was gedaan. Daarmee heeft de beschikking van 4 december 2006 haar kracht verloren (zie artikel 1:163 lid 3 BW), zodat derhalve geen ontbinding van het huwelijk van partijen is bewerkstelligd.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat het belang van het door de man ingestelde hoger beroep daarmede is komen te vervallen, zodat hij (alsnog) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.

4.4. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt er tevens toe dat niet kan worden ingegaan op het verzoek van de raadsman van de man, zoals dat is verwoord in zijn brief van 27 september 2007.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de man (alsnog) niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Breda van 4 december 2006.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Everaars-Katerberg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 25 oktober 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.