Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6771

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
31-10-2007
Zaaknummer
C0600578
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het feit dat tussen [geïntimeerde] en [persoon 1] een geldlening is overeengekomen, brengt echter niet noodzakelijk mee dat ook tussen [appellant] en [geïntimeerde] met betrekking tot het bedrag van f 25.000,- een overeenkomst van geldlening is gesloten. Het moge zo zijn dat het door [appellant] aan [persoon 1] ter beschikking gestelde bedrag van f 25.000,- in de rechtsverhouding tussen [persoon 1] en [geïntimeerde] is aangemerkt als geleend door [geïntimeerde] aan [persoon 1] op basis van de leningsovereenkomst van 25 augustus 1998, doch dat levert geen bewijs op dat [geïntimeerde] dat bedrag harerzijds heeft geleend van [appellant], laat staan bewijs dat die lening door [appellant] daadwerkeljk aan haar is verstrekt, en wel onder de conditie dat [geïntimeerde] dat bedrag met rente per 25 november 1998 moest terugbetalen aan [appellant], ongeacht de nakoming door [persoon 1] van zijn terugbetalingsplicht jegens [geïntimeerde]. [..] Nu niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] kort na 17 augustus 1998 een bedrag van f 25.000,- ten titel van geldlening heeft ontvangen van [appellant], is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] de in prod. 4 inl. dagv. vermelde toezeggingen gedaan heeft. De rechtbank heeft daarom de vordering van [appellant] tot terugbetaling van het geleende bedrag plus rente per 25 november 1998 terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0600578/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 23 oktober 2007,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding

van 24 april 2006,

procureur: mr. C.W.H.M. Uitdehaag,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. C.F.L.A. Boshouwers,

op het hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch in conventie gewezen vonnis van 22 maart 2006 tussen appellant - [appellant] - als eiser en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 102268/HA ZA 03-2224)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 10 maart 2004 en 26 januari 2005.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van een productie vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vordering.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3. [appellant] heeft een akte genomen en daarbij drie producties overgelegd, waarop [geïntimeerde] bij antwoordakte heeft gereageerd.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van [appellant] komen erop neer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [geïntimeerde] geslaagd is in het leveren van tegenbewijs en voor het overige dat de rechtbank zijn vordering ten onrechte heeft afgewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Partijen zijn op 28 augustus 1994 met elkaar gehuwd en inmiddels gescheiden. De tussen partijen uitgesproken echtscheidingsbeschikking van 9 november 2001 is op 18 september 2002 in de registers van de Burgerlijke Stand ingeschreven (prod. 2 en 3 inl. dagv.).

b. Met ingang van 19 augustus 1998 stond in het handelsregister van de Kamer van Koophandel Oost-Brabant ingeschreven de commanditaire vennootschap [bedrijf 1], gevestigd te [plaats]. Beherende vennoten waren [persoon 1], geboren te [plaats] (Bulgarije) en [geïntimeerde], geboren te [plaats] (Bulgarije) (prod. 5 bij brief d.d. 28 mei 2004 van mr. Uitdehaag bij gelegenheid van de comparitie van partijen, verder brief Uitdehaag). Op 4 januari 1999 is door [persoon 1] opgaaf gedaan aan het handelsregister dat [geïntimeerde] met ingang van 19 augustus 1998 als vennoot is uitgetreden (prod. 6, stuk genummerd 16, brief Uitdehaag; zie ook akte d.d. 5 oktober 2005, punt 6).

c. [persoon 1] heeft op of omstreeks 25 augustus 1998 een bedrag van f 25.000,- (€ 11.344,51) geleend dat afkomstig was [appellant]. [appellant] had dat bedrag verkregen uit een lening van de Stadsbank te [plaats] [leningnummer] (zie prod. 2 bij brief Uitdehaag en prod. 1 akte d.d. 31 oktober 2006).

4.2. [appellant] heeft in dit geding gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling aan hem van voormeld bedrag van € 11.344,51, vermeerderd met contractuele rente daarover tot en met 25 november 1998, totaal belopende € 11.599,76, alsmede de wettelijke rente vanaf 25 november 1998 over laatstgenoemd bedrag tot de dag der voldoening.

4.3. [appellant] heeft daartoe gesteld dat hij voormeld bedrag van f 25.000,- op of omstreeks 25 augustus 1998 aan [geïntimeerde] heeft geleend en dat [geïntimeerde] op haar beurt dit geld aan [persoon 1] heeft geleend met wie zij een zakelijke relatie onderhield. [persoon 1] zou dit bedrag, vermeerderd met rente, totaal belopende f 25.562,50 (= € 11.599,76) uiterlijk op 25 november 1998 terugbetalen aan [geïntimeerde] en [geïntimeerde] zou op haar beurt laatstgenoemd bedrag uiterlijk op 25 november 1998 aan [appellant] terugbetalen. [appellant] beroept zich voor dit laatste op een door hem en [geïntimeerde] ondertekende schriftelijke verklaring (prod. 4 inl. dagv.).

4.4. [geïntimeerde] betwist de door [appellant] gestelde geldlening. Zij stelt dat [appellant] destijds op 25 augustus 1998 commanditaire vennoot was van [bedrijf 1] en in die hoedanigheid f 25.000,- in die commanditaire vennootschap heeft ingebracht (prod. 10 cva). [persoon 1] heeft, aldus [geïntimeerde], het bedrag van f 25.000,- rechtstreeks van [appellant] geleend.

Met de inhoud van de schriftelijke verklaring waarop [appellant] zich beroept (prod. 4 inl. dagv.) is zij, aldus [geïntimeerde], eerst na de inleidende dagvaarding door de man in deze procedure bekend geraakt.

Zij stelt dat zij die verklaring niet op 25 augustus 1998 kan hebben ondertekend omdat zij in de periode 22 augustus 1998 tot en met 12 september 1998 in Bulgarije verbleef, zoals blijkt uit de datastempels in haar paspoort.

4.5. In eerste aanleg heeft op 13 augustus en 14 oktober 2004 een comparitie van partijen plaatsgevonden.

4.6. Bij vonnis van 26 januari 2005 heeft de rechtbank voorshands bewezen geacht dat [appellant] op 25 augustus 1998 een leningsovereenkomst ten bedrage van f 25.000,- met [geïntimeerde] heeft gesloten en dat bedrag aan haar heeft betaald. Vervolgens heeft de rechtbank [geïntimeerde] toegelaten tot het leveren van tegenbewijs, nu [geïntimeerde] had gesteld dat zij de leningsovereenkomst niet op 25 augustus 1998 ondertekend kán hebben omdat zij toen in Bulgarije verbleef.

4.7. Ter uitvoering van de bewijsopdracht heeft [geïntimeerde] schriftelijk bewijs geleverd, zoals is overgelegd bij akte na tussenvonnis d.d. 29 juni 2005.

[appellant] heeft in contra-enquête twee getuigen doen horen, te weten zichzelf en [persoon 2], assistent accountant.

4.8. Bij vonnis van 22 maart 2006 heeft de rechtbank geoordeeld dat [geïntimeerde] is geslaagd in het leveren van tegenbewijs, en heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen.

4.9. In de toelichting op de grieven 1 en 2 stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte beslissend heeft geacht het antwoord op de vraag of de geldlening exact op 25 augustus 1998 was gesloten en het bedrag van f 25.000,- op die

datum aan [geïntimeerde] was betaald. [appellant] had in eerste aanleg ook gesteld dat de ondertekening van de leningsovereenkomst en de betaling omstreeks de datum van 25 augustus 1998 had plaatsgevonden, met name vóór het vertrek van [geïntimeerde] naar Bulgarije. [geïntimeerde] erkent immers (zie proces-verbaal van de eerste comparitie) dat zij vlak voor haar vakantie in 1998 een handtekening heeft gezet op de - op 25 augustus 1998 gedateerde - leningsovereenkomst tussen haar en [persoon 1] (prod. 1 bij brief Uitdehaag). De leningsovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde] (prod. 4 inl. dagv.) is, aldus [appellant], op dezelfde dag aangegaan.

4.9.1. [appellant] stelt voorts dat hij lijdt aan een psychische stoornis (prod. 1 mvg) en dat hij tijdens het getuigenverhoor op 31 januari 2006 in contra-enquête mogelijk onterecht heeft vastgehouden aan de datum van 25 augustus 1998. De tussen hem en [geïntimeerde] gesloten leningsovereenkomst moet echter kort na 17 augustus 1998 zijn aangegaan, gelet op de getuigenverklaring van de accountant [persoon 2]. Tegelijkertijd heeft [appellant] toen, zo voert hij aan, het geld aan [geïntimeerde] overhandigd. [appellant] betwist dat hij [geïntimeerde] blanco vellen papier liet ondertekenen.

4.10. Het hof oordeelt als volgt.

4.11. In de eerste plaats stelt het hof vast dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Het hof neemt dat oordeel en de daartoe door de rechtbank gebezigde gronden over. In hoger beroep staat derhalve vast dat het schriftelijke stuk waarop [appellant] de door hem gestelde lening en de terugvordering van het geleende bedrag met rente baseert (prod. 4 inl. dagv.), door hem niet op 25 augustus 1998 is opgesteld en toen ook niet door [geïntimeerde] is ondertekend alsmede dat het bedrag van f 25.000,- niet op die datum door hem aan [geïntimeerde] is betaald. Uit de toelichting op de grieven 1 en 2 begrijpt het hof dat [appellant] zijn stelling op dit punt ook niet handhaaft.

4.12. Thans stelt [appellant] dat de geldlening tussen hem en [geïntimeerde] eerder is aangegaan, te weten kort na 17 augustus 1998 en zulks - naar het hof begrijpt - op de condities die in productie 4 inl. dagv. zijn vermeld. Op

17 augustus 1998 vond ten kantore van de getuige [persoon 2] een bespreking plaats, waarbij naast de getuige aanwezig waren [appellant], [geïntimeerde] en twee heren uit Bulgarije, onder wie [persoon 1].

4.12.1. [persoon 2] heeft dienaangaande als getuige verklaard dat op 17 augustus 1998 gesproken is over de samenwerking tussen [appellant] en [persoon 1] en in dat verband over een lening van [appellant] aan [persoon 1] van f 25.000,- ter ondersteuning van [persoon 1] bij de oprichting van een bedrijf. Daartoe heeft [persoon 2] een leningsovereenkomst op schrift gesteld, die als prod. 10 cva is overgelegd. [appellant] heeft, aldus [persoon 2], vervolgens echter van deze leningsovereenkomst afgezien omdat hij problemen vreesde in verband met zijn werk bij de Kamer van Koophandel. [persoon 2] heeft daarna een leningsovereenkomst tussen [geïntimeerde] en [persoon 1] op schrift gesteld en aan [appellant] afgegeven, conform de tekst van prod. 1 bij brief Uitdehaag. [persoon 2] weet niet wanneer deze overeenkomst tussen [persoon 1] en [geïntimeerde] is ondertekend.

Het stuk dat als productie 4 inl. dagv. is overgelegd is niet door [persoon 2] opgesteld.

4.13. Het hof zal thans eerst beoordelen of hetgeen [appellant], afgezien van genoemde productie 4, als bewijs aanvoert, de conclusie wettigt dat hij het bedrag van f 25.000,- kort na 17 augustus 1998 heeft uitgeleend en betaald aan [geïntimeerde]. In dit verband laat het hof productie 4 inl. dagv. derhalve buiten beschouwing.

4.13.1. [appellant] beroept zich op de getuigenverklaring van [persoon 2] in combinatie met de gebeurtenissen die op 21 augustus 1998 hebben plaatsgevonden, te weten: ontvangst door [appellant] van f 25.470,46 in contanten van de Stadsbank [plaats] (prod. 1 akte d.d. 31 oktober 2006), storting door [appellant] van dit bedrag op de rekening bij de Rabobank [plaats] (die de bewuste lening van de Stadsbank op diezelfde dag had overgenomen), opname door [appellant] van "het voor de geldlening benodigde bedrag" per kas van de rekening bij de Rabobank (gesteld in de akte d.d. 31 oktober 2006, pag. 1) en tenslotte het zetten van handtekeningen door [geïntimeerde] en [persoon 1] ten kantore van de Rabobank [plaats] op de handtekeningenkaart in verband met het openen van een rekeningcourant [rekeningnummer] ten name van [bedrijf 1] en ten name van hen privé (prod. 4 brief Uitdehaag en prod. 2 akte d.d. 21 september 2005).

Deze gebeurtenissen leveren evenwel geen bewijs op van de stelling dat [appellant] het bedrag van f 25.000,- kort na 17 augustus 1998 aan [geïntimeerde] heeft uitgeleend en betaald. De stelling dat [appellant] op 21 augustus 1998 "het voor de geldlening benodigde bedrag" heeft opgenomen van de rekening bij de Rabobank is voorts onverenigbaar met de specificatie van uitgaven ten laste van het doorlopend krediet bij de Rabobank, overgelegd door [appellant] als prod. 12 bij brief Uitdehaag. Op die specificatie is de opname "bestemd voor de lening aan echtgenote" gedateerd op 25 en 26 augustus 1998 en niet op 21 augustus 1998. Ook de getuige [persoon 2] verklaarde ten aanzien van de datum 25 augustus 1998 dat "het bedrag van f 25.000,- op die dag aan de [appellant] ter beschikking zou worden gesteld door de bank". De verklaring van [appellant] dat hij thuis - dus na 17 augustus en vóór 22 augustus (hof) - het geld aan [geïntimeerde] heeft gegeven, wordt door geen enkel feit bevestigd. Betaling kan dus evenzeer hebben plaatsgevonden aan [persoon 1] die het vervolgens op de rekening van [bedrijf 1] bij de Rabobank heeft gestort, nadat de rekening-courant ten name van [bedrijf 1] was geopend.

4.14. [appellant] beroept zich voorts op een reeks van stukken waaruit blijkt dat [geïntimeerde] zich ten opzichte van [persoon 1] als schuldeiser uit de geldlening met [persoon 1] beschouwt (Zie opsomming in mvg pag. 4 laatste alinea, pag. 5 eerste alinea).

4.14.1. Als vaststaand kan worden aangenomen dat het schriftelijke stuk waarin de geldlening tussen [geïntimeerde] en [persoon 1] is opgenomen (prod. 1 brief Uitdehaag) door [geïntimeerde] na 17 augustus 1998 en voor haar vertrek naar Bulgarije is ondertekend. Zij erkent de ondertekening (zie pv van de (eerste) comparitie), maar stelt dat zij toen geen kennis heeft genomen van de inhoud en veronderstelde dat ondertekening nodig was om [appellant] in de gelegenheid te stellen geld van de bank te halen (zie ook mva punt 7). Nu deze overeenkomst de rechtsverhouding tussen [geïntimeerde] en [persoon 1] regelt en geen betrekking heeft op de rechtsverhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde], kan op zichzelf in het midden blijven of [geïntimeerde] zich ervan bewust is geweest of had moeten zijn dat het hier een leningsovereenkomst betrof tussen haar en [persoon 1].

4.14.2. Het feit dat tussen [geïntimeerde] en [persoon 1] een geldlening is overeengekomen, brengt echter niet noodzakelijk mee dat ook tussen [appellant] en [geïntimeerde] met betrekking tot het bedrag van f 25.000,- een overeenkomst van geldlening is gesloten. Het moge zo zijn dat het door [appellant] aan [persoon 1] ter beschikking gestelde bedrag van f 25.000,- in de rechtsverhouding tussen [persoon 1] en [geïntimeerde] is aangemerkt als geleend door [geïntimeerde] aan [persoon 1] op basis van de leningsovereenkomst van 25 augustus 1998, doch dat levert geen bewijs op dat [geïntimeerde] dat bedrag harerzijds heeft geleend van [appellant], laat staan bewijs dat die lening door [appellant] daadwerkeljk aan haar is verstrekt, en wel onder de conditie dat [geïntimeerde] dat bedrag met rente per 25 november 1998 moest terugbetalen aan [appellant], ongeacht de nakoming door [persoon 1] van zijn terugbetalingsplicht jegens [geïntimeerde].

4.15. Als bewijs resteert dan uiteindelijk het schriftelijk stuk dat de tekst bevat als vermeld in prod. 4 inl. dagv. Dat stuk levert echter op zich geen bewijs op dat [geïntimeerde] kort na 17 augustus 1998 f 25.000,- van [appellant] heeft geleend en ontvangen.

4.15.1. [geïntimeerde] betwist gemotiveerd dat zij haar handtekening onder die tekst heeft gezet. Tijdens de (eerste) comparitie heeft zij verklaard dat [appellant] haar regelmatig vroeg om een handtekening te zetten op lege blaadjes, en tijdens de (tweede) comparitie dat het kan zijn dat zij een blanco formulier heeft ondertekend waarboven later de tekst van prod. 4 inl. dagv. is geplaatst. Voorts verklaarde [geïntimeerde] dat zij dat soort formulieren tekende in goed vertrouwen, dat zij alleen een formele rol speelde (omdat haar man niet rechtstreeks betrokken wilde zijn) en dat haar altijd is gezegd dat zij geen verantwoordelijkheid zou dragen voor de documenten die ze tekende.

4.15.2. Weliswaar heeft [appellant] ontkend dat hij [geïntimeerde] blanco blaadjes liet ondertekenen, maar [appellant] heeft, naast de hierboven besproken, niet deugdelijk bevonden bewijsmiddelen, omtrent de door hem gestelde geldlening verder geen feiten of omstandigheden gesteld en te bewijzen aangeboden.

Het schriftelijk ontvangstbewijs d.d. 25 augustus 1998 dat [persoon 1] heeft ondertekend (prod. 2 brief Uitdehaag) levert in ieder geval geen verder bewijs op omdat de daarin opgenomen verklaring van [persoon 1] dat hij op 25 augustus 1998 (feitelijk) f 25.000,- in contanten van [geïntimeerde] heeft ontvangen, onjuist is.

4.15.3. Nu niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] kort na 17 augustus 1998 een bedrag van f 25.000,- ten titel van geldlening heeft ontvangen van [appellant], is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] de in prod. 4 inl. dagv. vermelde toezeggingen gedaan heeft. De rechtbank heeft daarom de vordering van [appellant] tot terugbetaling van het geleende bedrag plus rente per 25 november 1998 terecht afgewezen.

4.16. De grieven 1 en 2 falen dus. Daarom falen ook de grieven 3 en 4.

4.17. Als de in het ongelijk gestelde partijen dient [appellant] te worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde (in conventie) gewezen vonnis d.d. 22 maart 2006 waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit hoger beroep, welke kosten, voorzover aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen worden begroot op € 470,- wegen griffierecht en op € 1.341,- wegens salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Klerk-Leenen en Hofkes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 23 oktober 2007.