Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6685

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
30-10-2007
Zaaknummer
20-004787-06
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI1371, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BI1371
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling verdachte wegens poging tot moord. Op grond van de feiten en omstandigheden kan het naar het oordeel van het hof niet anders kan zijn dan dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft gepoogd het slachtoffer van het leven te beroven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-004787-06

Uitspraak : 30 oktober 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 14 december 2006 in de strafzaak met parketnummer 02-800736-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1971],

Zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Esserheem te Veenhuizen.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] geheel toegewezen. De vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen ten aanzien van het primair ten laste gelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 jaar met aftrek van het voorarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal reeds worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 juni 2006 te Breda, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn medeverdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde] van het leven te beroven, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, staande op korte afstand van de [benadeelde], met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op (het lichaam van) die [benadeelde], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het bovenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat [medeverdachte], althans een ander, op of omstreeks 07 juni 2006 te Breda ter uitvoering van het door hem, [medeverdachte], althans die ander, voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [benadeelde] van het leven te beroven, immers heeft [medeverdachte], althans die ander, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, staande op korte afstand van die [benadeelde], met een vuurwapen een of meer kogel(s) afgevuurd op (het lichaam van) die [benadeelde],

bij het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest dan wel tot het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,

immers heeft hij, verdachte, aan [medeverdachte], althans aan die ander, het vuurwapen verschaft en/of heeft hij, verdachte, aan [medeverdachte], althans aan die ander, verteld waar [benadeelde] zich bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 juni 2006 te Breda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [benadeelde] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, staande op korte afstand van die [benadeelde], met een vuurwapen kogels heeft afgevuurd op het lichaam van die [benadeelde], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast:

- In de nacht van 6 op 7 juni 2006 bevindt verdachte zich samen met [benadeelde] in de omgeving van het [adres] te Breda.

- Op een zeker moment gaat [benadeelde] op één van de banken liggen die zich aldaar bevinden.

- Verdachte gaat vervolgens weg met een fiets waarvan hij zegt dat hij deze gaat verkopen.

- Enige tijd later komt verdachte zwijgend met zijn hoofd naar beneden gebogen teruggelopen in de richting van [benadeelde]. Op de vraag van [benadeelde] of hij weer terug is met de fiets geeft verdachte geen antwoord.

- Verdachte stopt vervolgens op een afstand van ongeveer 150 cm (met zijn hoofd nog steeds naar beneden gebogen) voor [benadeelde] en richt een pistool op [benadeelde].

- Verdachte schiet één maal in de richting van [benadeelde] maar raakt hem kennelijk niet. Verdachte schiet daarop nogmaals in de richting van [benadeelde] en raakt hem in zijn borst vlakbij zijn hart.

- Verdachte loopt vervolgens weg in de richting van het [adres]

Het hof is van oordeel dat het, gezien de bovengenoemde feiten en omstandigheden en daarbij in het bijzonder het feit dat er voorafgaande aan het schietincident geen enkele aanleiding was om aan te nemen dat er sprake was van onenigheid tussen [benadeelde] en verdachte alsmede het rustige en berekenende gedrag van verdachte zowel voorafgaande, tijdens als na het schietincident, niet anders kan zijn dan dat verdachte na kalm beraad en rustig overleg heeft gepoogd [benadeelde] van het leven te beroven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 45, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Bij het bepalen van de straf heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de volgende omstandigheden:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die daarvan het gevolg is;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake geweldsdelicten is veroordeeld.

Schadevergoeding

Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft mr. N.P.C.C. Langenberg in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 17.518,87, alsmede een bedrag van EUR 90,= ter zake van kosten van rechtsbijstand. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Poging tot moord.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde], per adres postbus 1869 4801 BW Breda, aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 17.518,87 (zeventienduizend vijfhonderdachttien euro en zevenentachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 223 (tweehonderddrieëntwintig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 17.518,87 (zeventienduizend vijfhonderdachttien euro en zevenentachtig cent).

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op EURO 90,=.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. A. de Lange en mr. A.H.Q. Goossens,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 30 oktober 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.H.Q. Goossens is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.