Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6590

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
29-10-2007
Zaaknummer
20-003919-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ONTNEMINGSZAAK.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003919-06 OWV

Uitspraak: 26 oktober 2007

VERSTEK

ONTNEMINGSZAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank

's-Hertogenbosch van 24 oktober 2006 op de vordering ex artikel 36e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01/089087-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1976],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, lid 4, van het Wetboek van Strafrecht is geschat op EUR 179.937,-- en de veroordeelde de verplichting is opgelegd tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel, zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van 24 januari 2006 (parketnummer 20-004498-04)

ter zake van onder meer (kort gezegd) diefstallen in vereniging op of omstreeks

17 november 2003 en op of omstreeks 23 november 2003, medeplegen van opzetheling op

9 november 2003 en medeplegen van verduistering op 23 januari 2004 veroordeeld tot straf.

Het hof gaat bij de schatting van het wederrechtelijk voordeel uit van de in het kader van de kasopstelling opgemaakte berekening door het Boven Regionaal Recherche team, als weergegeven in het terzake opgestelde ontnemingsrapport, met bijlagen d.d. 22 januari 2005, nummer 220105.82282.01.

De periode waarop de kasopstelling betrekking heeft loopt van 1 januari 2003 tot en met 23 maart 2004.

Het hof gaat bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel eveneens van deze periode uit. Deze periode vangt aan voor de pleegdatum van voormelde bewezen verklaarde strafbare feiten. Het hof acht echter voldoende aannemelijk geworden dat verdachte in de voorliggende periode uit soortgelijke strafbare feiten wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

Het hof gaat er vanuit dat veroordeelde in de betreffende periode geen legale inkomsten heeft gehad en bij aanvang van de periode niet de beschikking heeft gehad over vermogen.

Uit de door de belastingdienst verstrekte gegevens blijkt dat veroordeelde over de jaren 2001, 2002 en 2003 nimmer inkomsten heeft opgegeven en evenmin heeft veroordeelde aangegeven dat hij over vermogen beschikte. Ook ten aanzien van 2004 is het hof niet gebleken van enige legale inkomsten zijdens veroordeelde.

Veroordeelde heeft ten aanzien van deze jaren ook niet aangevoerd dat hij de beschikking heeft gehad over legale inkomsten, laat staan dit gestaafd met bescheiden.

Het hof is ook niet gebleken van feiten en omstandigheden op basis waarvan aannemelijk is geworden dat veroordeelde op 1 januari 2003 beschikte over vermogen. Veroordeelde heeft daarin geen inzicht gegeven, noch zulks op enigerlei wijze, bijvoorbeeld middels bescheiden, aangetoond.

In de ontnemingsrapportage is aan de hand van de onderzoeksbevindingen met betrekking tot de uitgaven van veroordeelde een overzicht gemaakt van de uitgaven die aan verdachte te relateren zijn. Een en ander is weergegeven in de opstelling als bijlage 40 gevoegd bij de ontnemingsrapportage.

Met betrekking tot de in die opstelling opgenomen posten kasopnamen en –stortingen is het hof van oordeel dat onvoldoende vaststaat dat deze stortingen en opnamen terug te brengen zijn op verdachte, te meer nu uit de ontnemingsrapportage naar voren komt dat de betreffende, op naam van de vader van veroordeelde staande, bankrekening ook door derden werd gebruikt.

Met betrekking tot de in de opstelling opgenomen posten verband houdende met stortingsbewijzen is naar het oordeel van het hof onvoldoende aannemelijk geworden dat de betreffende stortingen door veroordeelde of met zijn geld zijn gedaan.

Van de overige in de opstelling opgenomen posten is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat dit aan veroordeelde toe te rekenen uitgaven betreffen.

Het gaat hierbij om de navolgende posten:

25-02-03 € 2.743,38

26-02-03 € 380,20

02-04-03 € 1.598,87

18-09-03 € 56.000,00

06-10-03 € 3.000,00

19-11-03 € 1.379,00

20-11-03 € 1.200,00

04-12-03 € 4.000,00

06-12-03 € 161,58

12-12-03 € 309,75

17-12-03 € 350,00

28-12-03 € 109,00

05-01-04 € 740,00

06-02-04 € 13.090,00

26-02-04 € 720,00

15-03-04 € 45.000,00

16-03-04 € 10.000,00

------------------

Totaal € 140.781,78

Verder is voldoende aannemelijk geworden dat de tijdens de huiszoeking in de woning van de vader van veroordeelde en in de fouillering van veroordeelde aangetroffen geldbedragen van respectievelijk EUR 6.000,- en EUR 344,- aan veroordeelde toebehoorden.

Geen van voornoemde aan veroordeelde toegerekende uitgavenposten heeft betrekking op de kosten van levensonderhoud van veroordeelde. Aannemelijk is dat veroordeelde de betreffende periode deze kosten wel heeft gehad en terzake uitgaven heeft gedaan. Van feiten en omstandigheden die tot een andere oordeel kunnen leiden is niet gebleken.

Gerelateerd aan de auto’s die verdachte zich in de betreffende periodes heeft kunnen permitteren ligt de levensstandaard van veroordeelde in de betreffende periode aanmerkelijk boven bijstandsniveau. Het hof zal in het voordeel van veroordeelde bij de vaststelling van de uitgaven voor levensonderhoud toch grotendeels bij het bijstandsniveau aansluiten en de uitgaven terzake stellen op EUR 1.000,- per maand. Voor de periode 1 januari 2003 tot en met 23 maart 2004 zal het hof dan ook rekening houden met uitgaven terzake van levensonderhoud tot een bedrag van EUR 14.750,-

Het totaal van de door veroordeelde gedane uitgaven, waartegenover geen legale inkomsten of vermogen hebben gestaan, komt daarmee afgerond op EUR 162.126,-. Het hof merkt dit bedrag aan als wederrechtelijk verkregen voordeel verkregen uit de strafbare feiten waarvoor verdachte bij arrest van het hof van 24 januari 2006 is veroordeeld en soortgelijke strafbare feiten.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt dan ook door het hof op dit bedrag vastgesteld.

Op te leggen betalingsverplichting

In eerste aanleg is zijdens de verdediging aangevoerd dat op de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, ten voordele van veroordeelde in mindering moet worden gebracht een door de rechtbank Roermond bij vonnis van 25 mei 2005 ten nadele van veroordeelde aan onder andere [bedrijf 1] toegewezen vordering van in totaal EUR 179.923,71. Het hof is van oordeel dat met deze vordering slechts rekening kan worden gehouden tot het bedrag dat veroordeelde als wederrechtelijk voordeel uit het strafbare feit waarop deze vordering betrekking heeft, heeft genoten.

Het onderhavige feit betreft het bij arrest van dit hof van 24 januari 2006 onder twee bewezen verklaarde feit. In de ontnemingsrapportage is het terzake door verdachte verkregen wederrechtelijk voordeel gesteld op EUR 8.800,-. Namens veroordeelde is gesteld dat dit bedrag te hoog is en veroordeelde terzake slechts een bedrag van EUR 3.293 kan worden toegerekend. Nu dit zijdens veroordeelde uitdrukkelijk wordt gesteld zal het hof daar ook vanuit gaan en derhalve dit laatste bedrag in mindering brengen op de aan verdachte op te leggen betalingsverplichting. Nu het terzake van het onder twee bewezen verklaarde feit verkregen wederrechtelijk voordeel reeds geheel in mindering wordt gebracht op de betalingsverplichting op grond van de vordering ad EUR 179.923,71, is er geen ruimte voor verrekening van de terzake van dit feit door het hof toegewezen vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1] van EUR 2.397,28, benevens EUR 225,- aan kosten.

Bij arrest van het hof van 24 januari 2006 is de vordering van [bedrijf 2] toegewezen tot een bedrag van EUR 2.670,-. Deze vordering heeft betrekking op het door het hof bij dit arrest onder drie bewezen verklaarde feit. Noch uit de ontnemingsrapportage, noch uit hetgeen door of namens veroordeelde in eerste aanleg naar voren is gebracht, noch anderszins blijkt van feiten en omstandigheden op grond waarvan aannemelijk is geworden dat verdachte ten aanzien van dit feit wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De toegewezen vordering van [bedrijf 2] komt dan ook niet voor verrekening op het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking.

Met inachtneming van vorenstaande zal het hof de betalingsverplichting van veroordeelde vaststellen op EUR 158.833,-

Van feiten en omstandigheden die aan oplegging van deze betalingsverplichting in de weg staan is niet gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van EUR 162.126,-- (honderdtweeënzestigduizend honderdzesentwintig euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van: EUR 158.833,--(honderdachtenvijftigduizend achthonderddrieëndertig euro).

Aldus gewezen door

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. J.H.J.M. Mertens-Steeghs en mr. F. van Es,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. van der Heijden, griffier,

en op 26 oktober 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.