Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6563

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
26-10-2007
Zaaknummer
KG C200600381/MA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2006:AV1308, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Bedragen in beschikking rechtbank wijken af van bedragen die partijen in convenant zijn overeengekomen. Vrouw vordert in kort geding nakoming afspraken conform convenant. Het hof is van oordeel dat de vrouw in de gegeven omstandigheden geen misbruik van recht heeft gemaakt door het onderhavige kort geding aan te spannen. De vrouw heeft belang bij de door haar ingestelde vorderingen, nu de beschikking in de bodemzaak geen volledige en geldige titel vormt voor inning door de vrouw van de door de man overeenkomstig het tussen partijen gesloten convenant te betalen bijdragen. Hoewel het voor partijen mogelijk is een herstelbeschikking aan de rechtbank te vragen, zijn partijen daartoe nimmer gehouden. Het staat de vrouw vrij via een kort geding procedure een titel te verkrijgen. Bovendien speelt dat de titel, ook wanneer het dictum door middel van een herstelbeschikking zou worden verbeterd, niet eenvoudig te executeren zou zijn, nu partijen in het convenant zijn overeengekomen dat de bijdragen bij bepaalde wijzigingen van omstandigheden zouden wijzigen. Vaststaat dat zich inmiddels relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2008, 7
JPF 2008/28
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KGC0600381/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

negende kamer, van 23 oktober 2007,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 6 maart 2006,

de vrouw,

procureur: mr. N.J.W.M. de Leeuw,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

de man,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht in kort geding gewezen vonnis van 8 februari 2006 tussen appellante – de vrouw - als eiseres en geïntimeerde – de man - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 107100 / KG ZA 05-481)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de vrouw geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zulks mede bij eiswijziging:

1. de man te veroordelen tot nakoming van de kinder- en partneralimentatieverplichtingen zoals in sub III in het echtscheidingsconvenant d.d. 28 mei 2002 opgenomen, danwel de man te veroordelen tot nakoming van de door de rechtbank bij beschikking d.d. 26 september 2002 vastgestelde alimentatieverplichtingen, waarbij de rechtbank uitdrukkelijk het convenant en al hetgeen daaruit volgt heeft opgenomen in die beschikking zoals uit het dictum blijkt, danwel de man te veroordelen tot nakoming van de nadere overeenkomst d.d. 18 oktober 2002, in aanvulling op het echtscheidingsconvenant en op de beschikking van de rechtbank,

2. de man te veroordelen tot (na)betaling aan de vrouw van € 385,99, zijnde de door de man in strijd met bovenstaande verplichtingen eenzijdig ingehouden kinderalimentatie over de maand september 2004,

3. de man te veroordelen tot (na)betaling aan de vrouw van € 310,10, zijnde de door de man in strijd met bovenstaande verplichtingen eenzijdig ingehouden kinderalimentatie over de maand oktober 2004,

4. de man te veroordelen primair aan de vrouw met ingang van 1 februari 2005 de gewijzigde partner- en kinderalimentatie te betalen, zulks vanwege het feit dat de vrouw ultimo januari 2005 haar samenleving heeft beëindigd, hetgeen aan de man kenbaar was, althans subsidiair de man te veroordelen aan de vrouw deze gewijzigde partner- en kinderalimentatie van- wege de ultimo januari 2005 beëindigde samenleving te voldoen met ingang van 1 september 2005 als de maand waarin de man schriftelijk op deze gewijzigde situatie werd gewezen, zodat primair de partneralimentatie met ingang van 1 februari 2005 € 1.026,09 netto en de kinderalimentatie € 195,96 per maand per kind bedraagt, althans subsidiair over de maanden februari 2006 tot en met augustus 2006 (het hof leest verbeterd februari 2005 tot en met augustus 2005) geen partner- alimentatie, maar € 367,15 netto per maand per kind aan kinderalimentatie te voldoen, hetgeen vanaf 1 september 2005 dient te wijzigen in € 1.026,09 netto partneralimentatie per maand en € 195,96 netto kinderalimentatie per maand, per kind,

5. althans alsnog een voorziening te treffen die het hof in goede justitie zal menen te behoren,

6. de man daarbij te veroordelen tot vergoeding van de volledige proceskosten, waaronder begrepen het honorarium van de procureur in beide instanties aan de zijde van de vrouw.

2.2. Bij akte uitlating wijziging van eis heeft de man geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging aan de zijde van de vrouw.

2.3. Bij memorie van antwoord heeft de man de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van beide instanties.

2.4. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, de vrouw door mr. P.M.J. Graus en de man door mr. J.E.H.R. Vluggen. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ter zitting is de zaak met instemming van partijen doorverwezen naar mediation.

2.5. De vrouw heeft ter rolzitting van 5 juni 2006 een akte genomen.

2.6. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 23 mei 1986 te Landgraaf getrouwd. Uit het huwelijk van partijen zijn twee kinderen geboren:

[minderjarige dochter A.], geboren op [geboortejaar] en [minderjarige dochter B.], geboren op [geboortejaar].

Beide kinderen verblijven thans bij de vrouw.

4.2.1. Partijen hebben een gezamenlijk echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank. Van dat verzoek maakte een echtscheidingsconvenant d.d. 28 mei 2002 deel uit, waarin afspraken zijn opgenomen met betrekking tot de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, alsmede de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde kinderen.

4.2.2. De rechtbank Maastricht heeft bij beschikking van 26 september 2002 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de man een bedrag van € 681,- per maand als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw en € 341,- per maand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige dochter B.], die destijds als enige van de kinderen bij de vrouw woonde, aan de vrouw dient te voldoen. Voor het overige heeft de rechtbank verwezen naar de afspraken in het convenant. Het convenant is aangehecht aan de beschikking.

4.2.3. De bedragen die de rechtbank in het dictum van de beschikking voor wat betreft de door de man te betalen bijdragen heeft opgenomen, wijken af van de bedragen die partijen in het convenant zijn overeengekomen.

4.2.4. Partijen hebben, nadat zij dit verschil hadden geconstateerd, ter verduidelijking op 18 oktober 2002 een nadere overeenkomst gesloten. In de door partijen ondertekende vastlegging daarvan is vermeld dat de tussen partijen geldende en bindende afspraken over de alimentatie uitsluitend deze zijn zoals deze zijn verwoord in het convenant, met uitdrukkelijke uitsluiting van de bepalingen zoals opgenomen in de beschikking van de rechtbank.

4.3. Na verloop van tijd zijn er, zo stelt de vrouw, problemen ontstaan met betrekking tot de door de man te betalen bijdragen voor de vrouw en de kinderen, zodat de vrouw nakoming daarvan door de man wilde vorderen. De vrouw werd daarbij geconfronteerd met het vooromschreven verschil. Hoewel de vrouw van mening was dat zij een geldige titel had om over te gaan tot executie, heeft zij een procedure bij de voorzieningenrechter geïnitieerd, en daarbij gesteld dat de man van mening was dat er geen executoriale titel was voor tenuitvoerlegging. De vrouw heeft daarbij, zakelijk weergegeven, de nakoming door de man van de tussen partijen gemaakte afspraken zoals neergelegd in het convenant, gevorderd.

4.4. De voorzieningenrechter heeft bij het thans bestreden vonnis de door de vrouw gevorderde voorzieningen afgewezen en de vrouw daarbij veroordeeld in de proceskosten.

4.5.1. De vrouw heeft in de memorie van grieven onder meer gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw geen belang zou hebben bij haar vorderingen, omdat de vrouw al een titel heeft die zij kan executeren om de door de man te betalen bijdragen te innen. Voorts heeft de vrouw gesteld dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw misbruik van recht maakt door in een kort geding een nieuwe titel te vorderen.

4.5.2. Het hof overweegt dat de man in zijn memorie van antwoord heeft erkend dat hij voorafgaand aan de door de vrouw geïnitieerde procedure bij de voorzieningenrechter ondubbelzinnig aan de vrouw heeft aangegeven dat zij niet over een geldige titel beschikte. Voorts heeft hij erkend dat hij destijds aan de vrouw heeft aangegeven dat hij, indien de vrouw deze titel toch ten uitvoer zou leggen, jegens haar een kort geding zou initiëren. Gelet op voorgaande omstandigheden is het hof van oordeel dat de vrouw geen van misbruik van recht heeft gemaakt door het onderhavige kort geding aan te spannen.

Voorts is het hof van oordeel dat de vrouw belang heeft bij de door haar ingestelde vorderingen, nu de beschikking van de rechtbank van 26 september 2002 geen volledige en geldige titel vormt voor inning door de vrouw van de door de man overeenkomstig het tussen partijen gesloten convenant te betalen bijdragen. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw belang bij een executeerbare titel die overeenstemt met het tussen partijen opgemaakte convenant.

De door de man gestelde omstandigheid dat de vrouw niet getracht heeft via een deurwaarder dan wel met hulp van het LBIO over te gaan tot executie, doet aan het voorgaande niet af. Overigens heeft de vrouw betwist dat zij zulks niet heeft geprobeerd.

Daarnaast overweegt het hof dat, hoewel het voor partijen mogelijk is op grond van art. 31 Rv een herstelbeschikking aan de rechtbank Maastricht te verzoeken, partijen daartoe nimmer gehouden zijn. Het staat de vrouw vrij via een kort geding procedure een titel te verkrijgen. Daar komt bij dat, nog afgezien van de onjuiste bedragen in het dictum van de beschikking van 26 september 2002, partijen in het convenant onder meer zijn overeengekomen dat de bijdragen bij wijziging van omstandigheden, waaronder de (beëindiging van de) samenwoning van de vrouw, zullen worden gewijzigd en dat vaststaat dat zich sindsdien voor de bepaling van de omvang van de bijdragen relevante wijzigingen hebben voorgedaan. Dit brengt mee dat de titel, ook wanneer het dictum door middel van een herstelbeschikking zou worden verbeterd, niet eenvoudig te executeren zou zijn.

De onder overweging 4.5.1. weergegeven grieven van de vrouw slagen derhalve. Nu de grieven van de vrouw slagen en de man de door de vrouw in eerste aanleg ter onderbouwing van haar vordering overgelegde berekeningen niet heeft weer- sproken, zal het hof de vorderingen van de vrouw door haar weergegeven onder sub 1 primair en sub 2 en 3 op de hierna vermelde wijze toewijzen. Het hof neemt de door de vrouw in het petitum van de memorie van grieven aan de partner- alimentatie toegevoegde term “netto” niet over, nu de vrouw deze toevoeging niet heeft gemotiveerd en de term in het echtscheidingsconvenant en in de nadere overeenkomst niet voorkomt.

4.5.3. De man heeft niet weersproken dat de samenwoning van de vrouw eind januari 2005 is beëindigd. Overeenkomstig het bepaalde in het convenant heeft de vrouw vanaf februari 2005 weer aanspraak op de overeengekomen bijdrage in haar levensonderhoud. Dit brengt mee dat het sub 4 primair gevorderde eveneens toewijsbaar is.

4.6. De vrouw heeft in de memorie van grieven gesteld dat de rechtbank haar ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten, omdat zij de man onnodig in de procedure zou hebben betrokken. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.5.2 is overwogen, is het hof van oordeel dat de vrouw belang heeft bij de door haar geïnitieerde kortgeding-procedure. Het hof zal de proceskosten op de hierna vermelde wijze compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn. Het hof zal de door partijen over en weer gevorderde proceskostenveroordeling dan ook afwijzen.

4.7. Gelet op het voorgaande beslist het hof als volgt.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 8 februari 2006;

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man tot nakoming van de kinder- en partneralimentatieverplichtingen zoals in sub III in het echtscheidingsconvenant d.d. 28 mei 2002 opgenomen;

veroordeelt de man tot (na)betaling aan de vrouw van € 385,99;

veroordeelt de man tot (na)betaling aan de vrouw van € 310,10;

veroordeelt de man aan de vrouw met ingang van 1 februari 2005 de gewijzigde partneralimentatie te betalen van

€ 1.026,09 en de gewijzigde kinderalimentatie van € 195,96 per maand per kind, beide bedragen met ingang van 1 januari 2006 jaarlijks te indexeren;

verkaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Kranenburg, Draijer-Udo en Philips en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 23 oktober 2007.