Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6404

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
26-10-2007
Zaaknummer
20-000557-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BH5233, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BH5233
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 312 lid 3 Sr.: diefstal of afpersing? Vrijspraak na eis 6 jaar gevangenisstraf.

- Verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat zij als medepleger respectievelijk als medeplichtige betrokken is geweest bij diefstal, waarbij jegens [slachtoffer] zodanig geweld is gebruikt dat hij tengevolge daarvan is overleden: hof is van oordeel dat de feitelijke gedragingen van [dader 1] en [dader 2] in de woning van het slachtoffer slechts geduid kunnen worden als afpersing (317 sr) en niet als diefstal met geweld (312 sr). Naar het oordeel van het hof kan immers de voor diefstal karakteristieke eigenmachtige wegnemingshandeling van de dader uit de verklaringen van [dader 2] en, meer in het bijzonder, de verklaring van [dader 1] niet worden afgeleid. Wel volgt uit laatstbedoelde verklaring dat het slachtoffer onder bedreiging met een vuurwapen is gedwongen een bakje weed, geld, zijn pinpasje en zijn pincode aan [dader 1] en [dader 2] ter beschikking te stellen. Aangezien het slachtoffer de heerschappij over deze goederen onder dwang heeft prijsgegeven door deze op de tafel te leggen, waarna [dader 1] vrijelijk daarover kon beschikken en het geld en het briefje met de pincode in zijn jas kon stoppen, is naar het oordeel van het hof sprake van afpersing. “Afpersing” is echter als oorsprongsfeit niet ten laste gelegd. Bewijs, waaruit volgt dat de weed, het geld, de pinpas en de pincode door de verdachte en [dader 1] zijn weggenomen, is niet voorhanden, zodat “diefstal met geweld” als oorsprongsfeit niet bewezen kan worden. Derhalve kan de verdachte evenmin als medepleger van of als medeplichtige aan diefstal worden aangemerkt. Bijgevolg moet de verdachte van het onder parketnummer 01-885054-06 onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

- Geen medeplegen, maar medeplichtigheid aan diefstal uit geldautomaat.

- Wel medeplegen vuurwapenwet: het enkele feit dat de verdachte niet precies wist op welke plaats [dader 1] het wapen had verborgen, brengt echter niet mee dat de verdachte het niet als medepleger ‘voorhanden had’.

- Toch munitie categorie III bewezen verklaard, ondanks ontbreken proces-verbaal van politie hieromtrent: hof neemt hierbij in aanmerking dat in de woning van de verdachte een wapen is aangetroffen van categorie III (artikel 2 onder 1º van de Wet wapens en munitie), te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool, en voorts dat algemeen bekend kan worden verondersteld dat bij dergelijk vuurwapen munitie van categorie III behoort. Dit geldt te meer nu de in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde patronen zich op het moment van aantreffen bevonden in de houder, die zich weer bevond in het hiervoor bedoelde, in de woning van de verdachte aangetroffen pistool.

- Beroep op psychische overmacht, aangezien verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan onder druk van geweld en intimidatie van de zijde van haar partner, de medeverdachte [dader 1], en derhalve niet uit vrije wil, verworpen: verdachte beschikt over een bovengemiddelde intelligentie dat zij in staat is om de consequenties van haar handelen te overzien; hoewel zij moeilijke momenten zal hebben gehad in haar relatie met [dader 1], was verdachte niettemin in staat haar wil te bepalen en had zij derhalve keuzemogelijkheden. Hieraan staat niet in de weg dat het hof zich realiseert dat de verdachte onder grote druk heeft gestaan van haar partner [dader 1]. Met de daardoor veroorzaakte beperking van haar handelingsvrijheid zal het hof rekening houden bij de straftoemeting.

- zie ook LJN: BB6403

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000557-07

Uitspraak: 26 oktober 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 februari 2007 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-885054-06 en 01-885061-06, tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep heeft mede betrekking op de vordering van [de benadeelde partij], wonende te [woonplaats], [adres], zijnde de nabestaande van [slachtoffer].

De benadeelde partij voornoemd heeft zich in eerste aanleg in het strafgeding gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 9.385,37, te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van EUR 8.185,37. Voor zover de vordering is toegewezen duurt de voeging van rechtswege voort in hoger beroep.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep - binnen de grenzen van de in eerste aanleg ingediende vordering - opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij strekt in hoger beroep derhalve tot betaling van EUR 9.385,37, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-885054-06 onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde en het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-885061-06 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur

van 6 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De vordering van de advocaat-generaal behelst voorts het hierna te vermelden standpunt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof komt tot een andere bewezen-verklaring dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Omdat in de inleidende dagvaarding met parketnummer 01-885054-06 voor wat betreft de opgave van de feiten kon worden volstaan met de omschrijving van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, is die opgave ter terechtzitting in eerste aanleg alsnog in overeenstemming gebracht met de in het eerste en tweede lid van dat artikel gestelde eisen. Nadat aldus de tenlastelegging was gewijzigd, is aan de verdachte onder parketnummer 01-885054-06 ten laste gelegd:

1.

dat zij op of omstreeks 7 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, in elk geval een of meer bankpasje(s) en/of geld en/of hennep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan haar mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat zij, verdachte en/of haar mededader(s) een vuurwapen tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of op het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of twee, in elk geval een of meerdere schoten heeft/hebben gelost op en/of in de richting van die [slachtoffer], welk feit de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat [dader 1] en/of [dader 2] op of omstreeks 7 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen twee, in elk geval een of meer bankpasje(s) en/of geld en/of hennep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [dader 1] en/of [dader 2] en/of aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [dader 1] en/of [dader 2] een vuurwapen tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gehouden en/of op het lichaam heeft/hebben gericht en/of twee, in elk geval een of meerdere schoten heeft/hebben gelost op en/of in de richting van die [slachtoffer], welk feit de dood van die [slachtoffer] tengevolge heeft gehad,

tot het plegen van welk misdrijf verdachte

- in of omstreeks de periode van 5 juni 2006 tot en met 7 juni 2006 te Eindhoven opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft door een vuurwapen in haar woning te bewaren en/of beschikbaar te houden voor die [dader 1] en/of [dader 2] terwijl zij wist en/of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [dader 1] en/of [dader 2] voornemens was/waren om een overval (ripdeal) uit te gaan voeren op voormeld slachtoffer

en/of

- op of omstreeks 7 juni 2006 te Eindhoven, en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door

- bij [betrokkene] telefonisch te informeren tot hoe laat die [slachtoffer] normaal gesproken nog weed verkocht en/of vervolgens aan die [dader 1] en/of [dader 2] mede te delen dat de deur van de woning van die [slachtoffer] altijd open was als hij wakker was en/of

- door aan die [dader 1] en/of [dader 2] mede te delen dat er kilo's weed in huis zouden zijn bij die [slachtoffer] en/of

- door die [dader 1] en/of [dader 2] mondeling en/of schriftelijk te duiden hoe zij zich van Eindhoven naar de woning van die [slachtoffer] te Beek en Donk moesten verplaatsen en/of door voor die [dader 1] en/of [dader 2] een tekening en/of plattegrond te maken met daarop de route van Eindhoven naar de woning van die [slachtoffer] te Beek en Donk;

2.

dat zij op of omstreeks 8 juni 2006 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 750 Euro en/of

250 Euro, in elk geval enig geldsbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten met (een) door misdrijf verkregen bankpasje(s);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat [dader 1] en/of [dader 2] op of omstreeks 8 juni 2006 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (het hof leest in: telkens) met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen 750 Euro en/of 250 Euro, in elk geval enig geldsbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [dader 1] en/of [dader 2] en/of aan verdachte, waarbij die [dader 1] en/of [dader 2] (het hof leest in: telkens) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel, te weten met (een) door misdrijf verkregen bankpasje(s),

tot het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door aan voormelde [dader 1] en/of [dader 2] middelen ter vermomming en/of middelen ter voorkoming van herkenning, te weten een pet (een baseball-cap) en/of shawl, ter beschikking te stellen,

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat zij op of omstreeks 8 juni 2006, in elk geval in de maand juni 2006 te Eindhoven,

in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, 150 Euro, in elk geval een bedrag aan geld heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl zij en/of haar mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die 150 Euro en/of dat geldsbedrag wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-885061-06 is aan de verdachte ten laste gelegd:

dat zij op of omstreeks 30 juni 2006, in elk geval in of omstreeks de maand juni 2006,

te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een of meer wapens van categorie III, te weten een pistool, en/of munitie van categorie III,

te weten 2 patronen voorzien van bodemstempels “25 auto CBC” en/of 2 patronen voorzien van bodemstempels “6,35 S & B”, voorhanden heeft gehad.

In deze weergave van de ten laste gelegde feiten zijn de door de eerste rechter aangebrachte verbeteringen begrepen. Voor zover in de tenlastelegging nog taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze door het hof verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Betreffende parketnummer 01-885054-06 onder 1 primair en subsidiair

Onder parketnummer 01-885054-06 onder 1 primair en subsidiair wordt de verdachte, kort gezegd, verweten dat zij als medepleger respectievelijk als medeplichtige betrokken is geweest bij de diefstal van bankpasjes, hennep en geld, waarbij jegens [slachtoffer] zodanig geweld is gebruikt dat hij tengevolge daarvan is overleden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de feiten zich hebben voltrokken in de woning van het slachtoffer te Beek en Donk.

Zakelijk weergegeven heeft de medeverdachte [dader 2] op 4 juli 2006 (proces-verbaal van verhoor, doorgenummerde dossierpagina 494 e.v.) tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

[dader 1] en ik hadden er al eerder over gesproken om een jongen in Beek en Donk zijn weed af te pakken. [dader 1] en ik spraken af dat [dader 1] een wapen zou meenemen om die jongen te bedreigen om zodoende de weed te kunnen krijgen. Ik zag dat [dader 1] het pistool in zijn rechterhand had en rechtstreeks naar die jongen liep. Ik hoorde [dader 1] roepen: “Geld, weed, bankpasje, pincode!” Ik zag dat [dader 1] bij de jongen stond en de jongen bedreigde. [dader 1] had het wapen op het hoofd van die jongen gezet.

De verklaring, die de medeverdachte [dader 2] op 19 juli 2006 tegenover de politie heeft afgelegd (proces-verbaal verhoor, doorgenummerde dossierpagina 544), houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Ik hoorde dat [dader 1] riep: “Waar is die weed?”

Ik zag dat [dader 1] met kracht de loop van het vuurwapen tegen het hoofd, de nek en de borst van die jongen duwde. Dit om die jongen te bewegen zijn weed af te geven.”

Eveneens zakelijk weergegeven, heeft de medeverdachte [dader 1] tegenover de politie op 20 juli 2006 (proces-verbaal verhoor, doorgenummerde dossierpagina 410 e.v.) onder meer verklaard:

Ik heb het pistool in mijn rechterhand genomen en ik heb tegen die jongen gezegd dat we kwamen voor zijn geld en zijn weed. Ik zag dat de jongen uit de kast een bakje weed pakte en dit op de tafel zette. Vervolgens zei ik tegen die jongen dat we geld wilden hebben. Ik zag dat de jongen opstond en weer in de richting van de kast liep. Ik zag dat hij vanonder een boek geld pakte en dit op de tafel legde. Ik zag een aantal briefjes van 50 euro op de tafel liggen. Vervolgens heb ik de jongen gevraagd naar zijn pinpas en pincode. Ik zag dat de jongen weer opstond en een portemonnee pakte, waarna hij mij een pinpasje gaf. Ik zag vervolgens dat de jongen een stukje papier afscheurde en hierop een code schreef. Ik heb de pinpas, de pincode en het geld in mijn jaszak gestopt.

Anders dan de steller van de tenlastelegging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de feitelijke gedragingen van [dader 1] en [dader 2] in de woning van het slachtoffer, voor zover die uit hun verklaringen kunnen blijken - opgemerkt wordt dat het hof voor wat betreft dit onderdeel van de tenlastelegging in het dossier geen andersluidende verklaringen heeft aangetroffen - mede gelet op hun intentie, slechts geduid kunnen worden als afpersing (artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht) en niet als diefstal met geweld (artikel 312 van dat wetboek). Naar het oordeel van het hof kan immers de voor diefstal karakteristieke eigen-machtige wegnemingshandeling van de dader uit de verklaringen van [dader 2] en, meer in het bijzonder, de verklaring van [dader 1] niet worden afgeleid. Wel volgt uit laatstbedoelde verklaring dat het slachtoffer onder bedreiging met een vuurwapen is gedwongen een bakje weed, geld, zijn pinpasje en zijn pincode aan [dader 1] en [dader 2] ter beschikking te stellen. Aangezien het slachtoffer de heerschappij over deze goederen onder dwang heeft prijsgegeven door deze op de tafel te leggen, waarna [dader 1] vrijelijk daarover kon beschikken en het geld en het briefje met de pincode in zijn jas kon stoppen, is naar het oordeel van het hof sprake van afpersing.

Hieraan doet niet af dat uit de hiervoor weergegeven verklaring van [dader 1] niet blijkt dat het slachtoffer de weed, het geld en het briefje met de pincode ook daadwerkelijk aan hem, [dader 1], heeft afgegeven. “Afpersing” is echter als oorsprongsfeit niet ten laste gelegd.

Bewijs, waaruit volgt dat de weed, het geld, de pinpas en de pincode door de verdachte en [dader 1] zijn weggenomen, is niet voorhanden, zodat “diefstal met geweld” als oorsprongsfeit niet bewezen kan worden. Derhalve kan de verdachte evenmin als medepleger van of als medeplichtige aan diefstal worden aangemerkt. Bijgevolg moet de verdachte van het onder parketnummer 01-885054-06 onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Betreffende parketnummer 01-885054-06 onder 2 primair

Onder parketnummer 01-885054-06 onder 2 primair is aan de verdachte ten laste gelegd,

kort gezegd, dat zij als medepleger betrokken is geweest bij de diefstal van geld, waarbij met behulp van de bankpas van [slachtoffer] en de daarbij behorende pincode bij geld-automaten te Eindhoven geldsommen zijn opgenomen van de bankrekening van het slachtoffer.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat het initiatief om met de bij de overval op [slachtoffer] buit gemaakte pinpas en pincode geld te gaan pinnen afkomstig was van [dader 1] en dat de feitelijke uitvoeringshandelingen zijn gepleegd door [dader 2]. De rol van de verdachte bestond hieruit dat zij [dader 2] een shawl ter beschikking heeft gesteld, met behulp waarvan hij zich tijdens het pinnen met de bankpas en de pincode van het slachtoffer kon vermommen teneinde herkenning te voorkomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de verdachte bij de planvorming en de uitwerking daarvan een verdergaande rol heeft gespeeld dan hiervoor is weergegeven. Even-min is het hof gebleken dat de verdachte bij het uitvoeren van de frauduleuze pintransacties persoonlijk aanwezig was, noch dat zij op enigerlei andere wijze feitelijke uitvoerings-handelingen heeft verricht. Samengevat stelt het hof vast dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan de verdachte enerzijds en [dader 2] en [dader 1] anderzijds zouden moeten worden aangemerkt als min of meer gelijkwaardige participanten, wier aandeel in het delict van gelijke betekenis kan worden geacht. De verdachte heeft de uitvoering van de door [dader 1] en [dader 2] voorgenomen frauduleuze pintransacties slechts ondersteund en is daarbij slechts een ‘tweederangsfiguur’ geweest. Het andersluidende door de officier van justitie in de appelmemorie ingenomen en door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep verdedigde standpunt wordt mitsdien verworpen.

Uit het vorenstaande volgt dat het onder parketnummer 01-885054-06 onder 2 primair ten laste gelegde ‘medeplegen’ niet bewezen kan worden, zodat de verdachte ter zake, evenals in eerste aanleg, zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-885054-06 onder 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

dat [dader 1] en [dader 2] op 8 juni 2006 te Eindhoven tezamen en in vereniging met

het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen 750 Euro en

250 Euro, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij die [dader 2] het weg te nemen goed telkens onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten met een door misdrijf verkregen bankpasje,

tot het plegen van welke misdrijven verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door aan voormelde [dader 1] en [dader 2] een middel ter vermomming / ter voorkoming van herkenning, te weten een shawl, ter beschikking te stellen.

Het hof acht voorts wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-885061-06 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

a.

dat zij in de maand juni 2006 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander,

een wapen van categorie III, te weten een pistool, voorhanden heeft gehad

en

b.

dat zij in de maand juni 2006 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander,

munitie van categorie III, te weten 2 patronen voorzien van bodemstempels “25 auto CBC” en 2 patronen voorzien van bodemstempels “6,35 S & B”, voorhanden heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Met betrekking tot het onder parketnummer 01-885054-06 onder 2 subsidiair ten laste gelegde is door de verdediging het verweer gevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het opzet had de diefstal van geld met behulp van de bankpas en de pincode van het slachtoffer [slachtoffer] te bevorderen. In dit verband is aangevoerd dat de verdachte een shawl heeft gepakt en deze aan de medeverdachte [dader 1] heeft gegeven en niet aan de medeverdachte [dader 2], die de pintransacties zou uitvoeren en ook heeft uitgevoerd.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de verklaring van de verdachte, die zij op 10 juli 2006 tegenover de politie heeft afgelegd (proces-verbaal verhoor, doorgenummerde dossierpagina 669 e.v.), blijkt onder meer dat zij, nadat [dader 2] en [dader 1] vanuit Beek en Donk in de woning van de verdachte waren teruggekeerd, zag dat [dader 2] een pinpas en een briefje in zijn handen had en dat verdachte hoorde dat [dader 1] [dader 2] sommeerde om te gaan pinnen, waarbij [dader 1] haar, verdachte opdroeg, een shawl te pakken, hetgeen zij vervolgens heeft gedaan.

Uit deze verklaring blijkt voorts dat de verdachte op dat moment begreep dat de shawl door [dader 2] gebruikt zou worden om tijdens het pinnen herkenning te voorkomen. Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of de verdachte de shawl aan [dader 2] dan wel aan [dader 1] heeft afgegeven. Voor bewezenverklaring is immers slechts van belang dat uit de verklaring van verdachte volgt dat zij wist dat de shawl bij de diefstal gebruikt zou worden. Door niettemin de shawl te verstrekken, heeft de verdachte het opzet gehad de diefstal van het geld te bevorderen.

Met betrekking tot het onder parketnummer 01-885061-06 onder a en b bewezen verklaarde overweegt het hof nog als volgt.

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het in haar woning aangetroffen vuurwapen en de munitie als medepleger voorhanden had. In dit verband is aangevoerd dat de verdachte feitelijk geen beschikkingsmacht over het wapen had.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft toegegeven dat zij wist dat [dader 1] een vuurwapen in haar woning had gebracht en dat hij dit wapen had verborgen in de keuken. Het enkele feit dat de verdachte niet precies wist op welke plaats [dader 1] het wapen had verborgen, brengt echter niet mee dat de verdachte het niet als medepleger ‘voorhanden had’. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Het hof overweegt voorts dat het, anders dan de rechter in eerste aanleg, bewezen acht dat de verdachte en haar mededader het pistool en de munitie niet op 30 juni 2006 maar in de maand juni 2006 voorhanden hebben gehad. Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat de verdachte en haar mededader reeds op 28 juni 2006 door de politie waren aangehouden en

in verzekering waren gesteld, zodat de verdachte en haar mededader op 30 juni 2006 geen feitelijke beschikkingsmacht over het wapen en de munitie konden uitoefenen.

Met betrekking tot het onder parketnummer 01-885061-06 sub b bewezen verklaarde overweegt het hof in het bijzonder nog als volgt.

Anders dan voor wat betreft het hiervoor onder a bedoelde pistool heeft het hof in het dossier geen relaas van verbalisanten aangetroffen, waaruit volgt tot welke van de in de Wet wapens en munitie genoemde categorieën de in de woning van de verdachte aangetroffen munitie behoort. Niettemin acht het hof bewezen dat die munitie behoort tot categorie III.

Het hof neemt hierbij in aanmerking dat in de woning van de verdachte een wapen is aangetroffen van categorie III (artikel 2 onder 1º van de Wet wapens en munitie), te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool, en voorts dat algemeen bekend kan worden verondersteld dat bij dergelijk vuurwapen munitie van categorie III behoort. Dit geldt te meer nu de in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde patronen zich op het moment van aantreffen bevonden in de houder, die zich weer bevond in het hiervoor bedoelde, in de woning van de verdachte aangetroffen pistool.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder parketnummer 01-885054-06 onder 2 subsidiair ten laste gelegde is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht, in verband met het bepaalde in artikel 310 van dat wetboek, alsmede in verband met het bepaalde in artikel 48, aanhef en onder 2º, van dat wetboek.

Het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-885061-06 ten laste gelegde, voor zover hiervoor onder a bewezen verklaard, is voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en strafbaar gesteld bij artikel 55, derde lid, aanhef en onder a, van die wet.

Het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-885061-06 ten laste gelegde, voor zover hiervoor onder b bewezen verklaard, is telkens voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, en strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Hetgeen bewezen is verklaard wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de deskundige C.W.M. Hoefnagel is een psychologisch onderzoek ingesteld omtrent de persoon van de verdachte. In zijn rapport d.d. 1 september 2006 heeft de deskundige geconcludeerd dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar wordt geacht voor het vermelde (levens)delict. Het hof neemt deze conclusie over en maakt deze tot de zijne, ook voor wat betreft de overige aan de verdachte ten laste gelegde (en hiervoor bewezen verklaarde) feiten.

Ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte is door de verdediging, evenals in eerste aanleg, nog het verweer gevoerd dat, voor zover het ten laste gelegde bewezen zou worden verklaard, de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien de verdachte ter zake niet strafbaar is omdat sprake zou zijn van psychische overmacht. In

dit kader is aangevoerd dat de verdachte - kort gezegd – de ten laste gelegde feiten heeft begaan onder druk van geweld en intimidatie van de zijde van haar partner, de medeverdachte [dader 1], en derhalve niet uit vrije wil.

Evenals de rechter in eerste aanleg verwerpt het hof dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Een beroep op psychische overmacht kan slechts slagen indien sprake is van een zodanige van buiten komende druk, dwang of drang, dat de verdachte daartegen geen weerstand kon bieden, dan wel dat het bieden van weerstand daartegen redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd. Het hof acht weliswaar aannemelijk dat de verdachte bedreigd en (incidenteel) ook geslagen is door haar partner [dader 1], maar dat levert geen dusdanige psychische dwang op dat de verdachte daartegen in het geheel geen weerstand kon bieden, in die zin dat zij ten tijde van de bewezen verklaarde delicten in het geheel geen handelingsalternatieven had. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat uit het rapport van voornoemde deskundige Hoefnagel onder meer volgt dat de verdachte beschikt over een bovengemiddelde intelligentie en dat zij in staat is om de consequenties van haar handelen te overzien en dat genoemde deskundige ter terechtzitting in hoger beroep onder meer heeft verklaard dat de verdachte, hoewel zij moeilijke momenten zal hebben gehad in haar relatie met [dader 1], niettemin in staat was haar wil te bepalen en derhalve keuzemogelijkheden had. Voorts neemt het hof in aanmerking dat noch uit de stukken, noch uit het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk is geworden dat haar partner [dader 1], direct voordat de verdachte de medeverdachte [dader 2] een shawl verstrekte, waarmee hij zich bij het plegen van de voorgenomen frauduleuze pin-transacties kon vermommen, een zodanige druk op de verdachte had uitgeoefend, dat de verdachte in redelijkheid niet anders kon doen dan de haar opgedragen medewerking daaraan te verlenen. Hetzelfde geldt voor wat betreft het - stilzwijgend - verlenen van toestemming aan haar partner [dader 1] voor het aanwezig hebben van een vuurwapen met munitie in haar woning. Hieraan staat niet in de weg dat het hof zich realiseert, mede gelet op de inhoud van het rapport van de deskundige Hoefnagel en diens verklaring ter zitting, dat de verdachte onder grote druk heeft gestaan van haar partner [dader 1]. Met de daardoor veroorzaakte beperking van haar handelingsvrijheid zal het hof rekening houden bij de straftoemeting.

Resumerend stelt het hof - met de rechter in eerste aanleg - vast dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte onder drang van geweld en intimidatie door [dader 1] tot deelname aan de bewezen verklaarde feiten is gekomen.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De rechter in eerste aanleg heeft het onder parketnummer 01-885054-06 onder 1 subsidiair

en onder 2 subsidiair en het onder parketnummer 01-885061-06 ten laste gelegde bewezen verklaard en de verdachte ter zake veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar,

met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft, evenals de officier van justitie, gevorderd de verdachte ter zake van het onder parketnummer 01-885054-06 onder 1 primair en onder 2 primair en het onder parketnummer 01-885061-06 ten laste gelegde te veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Voor het geval het hof tot strafoplegging mocht komen, is door de verdediging bepleit een zodanige straf op te leggen dat de verdachte niet opnieuw in detentie zal worden geplaatst.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Evenals de rechter in eerste aanleg en de advocaat-generaal is het hof van oordeel, dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Hierbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten bezware van de verdachte neemt het hof bij de straftoemeting in aanmerking dat zij niets heeft ondernomen om de uitvoering van de door haar partner [dader 1] en [dader 2] voorgenomen ripdeal, waarbij, naar zij wist, [slachtoffer] onder bedreiging van een vuurwapen van zijn weedvoorraad beroofd zou worden, te beletten – meer in het bijzonder rekent het hof het de verdachte aan dat zij geen enkele actie heeft ondernomen, hoewel zij er, mede vanwege haar bekendheid met het opvliegende, agressieve karakter van haar partner, rekening mee had moeten houden dat die ripdeal fatale gevolgen zou kunnen hebben voor het slachtoffer – en dat de verdachte vervolgens, hoewel zij ermee bekend was dat het slachtoffer bij de ripdeal met een vuurwapen was beschoten en ten gevolge daarvan was overleden, met haar mededaders heeft geprofiteerd van de opbrengst van de ripdeal en de daarop volgende frauduleuze pintransacties.

In het voordeel van de verdachte laat het hof bij de straftoemeting in de eerste plaats meewegen, zoals hiervoor vermeld, dat de verdachte naar het oordeel van het hof onder druk van geweld en intimidatie van de zijde van haar partner [dader 1] tot het begaan van de bewezen verklaarde feiten is gekomen. Bij de straftoemeting neemt het hof ten voordele van de verdachte voorts in aanmerking dat zij nog niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, alsmede de omstandigheid dat het hof minder bewezen heeft geacht dan de eerste rechter.

Ten slotte houdt het hof bij de bepaling van de op te leggen straf in het voordeel van de verdachte rekening met haar persoonlijke omstandigheden, waaronder meer bepaald het gegeven dat zij moeder is van twee jonge kinderen.

Het hof acht termen aanwezig om het hierna te vermelden gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenis-straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Het hof verbindt aan deze voorwaardelijke straf een proeftijd van twee jaar en stelt als voorwaarde dat verdachte zich in die proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken en de hierna te melden bijzondere voorwaarde zal naleven.

Schadevergoeding

De [benadeelde partij], wonende te [adres], heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schade-vergoeding tot een bedrag van EUR 9.385,37, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 8.185,37.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij strekt in hoger beroep derhalve tot betaling van EUR 9.385,37, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij behoort te worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-885054-06 onder 2 subsidiair aan de verdachte ten laste gelegde en hiervoor bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het hierna te melden bedrag.

De verdachte (en haar mededaders) zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

De verdachte, die de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist, is derhalve in zoverre tot vergoeding van de schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van indiening van de vordering, zijnde 5 december 2006.

Nu aan de verdachte ter zake van het onder parketnummer 01-885054-06 onder 1 primair

en subsidiair ten laste gelegde handelen, waardoor de overigens gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij voor het overige in haar vordering niet worden ontvangen.

Voor zover de vordering wordt toegewezen ziet het hof tevens aanleiding de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36f, 47, 48, 49, 57, 310

en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht;

verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 01-885054-06 onder

1 primair en subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder parketnummer 01-885054-06 onder 2 subsidiair en het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-885061-06 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het onder parketnummer 01-885054-06 onder 2 subsidiair ten laste gelegde en hiervoor bewezen verklaarde oplevert:

Medeplichtigheid tot: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

verklaart dat het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 01-885061-06 ten laste gelegde en hiervoor bewezen verklaarde oplevert:

onder a:

Medeplegen van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

onder b:

medeplegen van: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

verklaart verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd stelt onder het toezicht van de stichting Reclassering Nederland, regio 's-Hertogenbosch, unit Eindhoven, gevestigd te [adres], en dat de verdachte zich gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen, door deze instelling te geven in het reclasseringsbelang van de verdachte, ook indien deze inhouden dat de verdachte zich stelt onder therapeutische behandeling, zoals geadviseerd in het psychologisch rapport betreffende de verdachte van drs. Ch.W.M. Hoefnagel d.d. 1 september 2006;

geeft genoemde instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht in de zaak met parketnummer 01-885054-06, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf daarop geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], wonende te [adres], toe tot een bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 december 2006;

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 december 2006, met dien verstande dat en indien en voor zover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

verklaart de benadeelde partij voornoemd in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk;

legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde] voornoemd aan de Staat te betalen een bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 december 2006, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis;

bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

heft op het tegen de verdachte verleende en laatstelijk op 7 november 2006 geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. F. van Beuge, voorzitter,

mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr. N.J.L.M. Tuijn,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 26 oktober 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. N.J.L.M. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.