Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB6403

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
26-10-2007
Zaaknummer
20-000556-07
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ7520, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BH5232, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BH5232
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 288 Sr.: gekwalificeerde doodslag: diefstal of afpersing? vrijspraak van het kwalificerende gedeelte; opzetverweer verworpen

- Hof is van oordeel dat de feitelijke gedragingen van de verdachte en de mededader in de woning van het slachtoffer mede gelet op hun intentie, slechts geduid kunnen worden als afpersing (artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht) en niet als diefstal met geweld (artikel 312 van dat wetboek); de voor diefstal karakteristieke eigenmachtige wegnemingshandeling van de dader kunnen uit de verklaringen niet worden afgeleid; slachtoffer heeft de heerschappij over deze goederen onder dwang prijsgegeven door deze op de tafel te leggen, waarna de mededader vrijelijk daarover kon beschikken en het geld en het briefje met de pincode in zijn jas kon stoppen; hieraan doet niet af dat niet blijkt dat het slachtoffer de weed, het geld en het briefje met de pincode ook daadwerkelijk aan de mededader heeft afgegeven.

- Voorwaardelijk opzet: verdachte wist dat zijn mededader een geladen pistool had meegenomen en dat dat wapen bij de ripdeal gebruikt zou worden als dreigmiddel. Bovendien had de verdachte gezien dat de mededader met een sok de patronen, waarmee het vuurwapen was geladen, had schoongepoetst teneinde ze van vinger-afdrukken te ontdoen. Aan het gegeven dat de mededader kennelijk op de plaats van de ripdeal geen sporen wilde achterlaten die tot hem herleid zouden kunnen worden, kan naar het oordeel van het hof geen andere betekenis worden toegekend dan dat de mededader niet slechts voornemens was het pistool bij de ripdeal als pressiemiddel te gebruiken, maar tevens bereid was om er ook werkelijk mee te schieten. De verdachte moet zich, mede vanwege zijn bekendheid met het opvliegende, agressieve karakter van de mededader, hiervan ook bewust zijn geweest. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte aldus het risico genomen, niet alleen dat er bij de uitvoering van de ripdeal met gebruikmaking van het pistool met geweld gedreigd zou worden, maar met name ook dat daadwerkelijk geweld jegens het slachtoffer uitgeoefend zou worden, met mogelijk fatale gevolgen voor het slachtoffer van de ripdeal. Niettemin heeft de verdachte zich op dat moment niet gedistantieerd van het gezamenlijk plan om de ripdeal uit te voeren. Weliswaar noopt de mate van geweldsuitoefening door de verdachte niet tot de conclusie dat hij het (zuiver) opzet op de dood van het slachtoffer had, maar wel volgt uit de handelwijze van de verdachte dat hij, door te verhinderen dat het slachtoffer kon vluchten of minst genomen zich tegen [mededader] kon verweren, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een naar ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans dat het slachtoffer door toedoen van de mededader het leven zou laten.

- verweer contra-indicatie voor de aanname dat verdachtes opzet op de dood van het slachtoffer was gericht omdat de verdachte zichzelf in levensgevaar had gebracht, doordat hij zeer dicht in de nabijheid van het slachtoffer stond op het moment dat de mededader het eerste schot op het lichaam van het slachtoffer loste: verweer verworpen omdat de stelling van de verdediging reeds niet opgaat omdat het niet de verdachte zelf was, maar een ander (de mededader), die door het schieten met een vuurwapen op het slachtoffer, terwijl de verdachte zich in diens onmiddellijke nabijheid bevond, het levensgevaar voor de verdachte veroorzaakte. Bovendien was verdachtes (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer reeds volledig door de feitelijke handelingen van de verdachte voorafgaand aan het daadwerkelijk beschieten van het slachtoffer door de mededader.

- zie ook LJN: BB6404

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000556-07

Uitspraak: 26 oktober 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 februari 2007 onder parketnummer 01-889049-06 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 02-800847-05, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

(in eerste aanleg en in hoger beroep gedagvaard als [verdachte]),

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,

thans verblijvende in P.I. Vught - Nieuw Vosseveld 2 HVB te Vught.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Schadevergoeding

Het hoger beroep heeft mede betrekking op de vordering van [de benadeelde partij], wonende te [adres], zijnde de nabestaande van [slachtoffer].

De benadeelde partij voornoemd heeft zich in eerste aanleg in het strafgeding gevoegd met een vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 9.385,37, te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij vonnis waarvan beroep is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van EUR 8.185,37. Voor zover de vordering is toegewezen duurt de voeging van rechtswege voort in hoger beroep.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep - binnen de grenzen van de in eerste aanleg ingediende vordering - opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij strekt in hoger beroep derhalve tot betaling van EUR 9.385,37, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Tenuitvoerlegging

Het hoger beroep heeft voorts mede betrekking op de beslissing van de eerste rechter op de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van 2 maanden gevangenis-straf, aan de verdachte voorwaardelijk opgelegd bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter te Breda van 17 januari 2006 met parketnummer 02-800847-05.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De vordering van de advocaat-generaal behelst voorts de hierna te vermelden standpunten met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de vordering tot tenuitvoerlegging.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof komt tot een andere bewezenverklaring dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Nadat de opgave van de feiten in de inleidende dagvaarding, waarin kon worden volstaan met de omschrijving van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, ter terechtzitting in eerste aanleg alsnog in overeenstemming is gebracht met de in het eerste en tweede lid van dat artikel gestelde eisen, is aan de verdachte ten laste gelegd:

1.

dat hij op of omstreeks 07 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet een vuurwapen op en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] gericht en/of tweemaal, in elk geval een of meerdere malen, schoten op en/of in de richting van die [slachtoffer] gelost, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de diefstal met geweld van twee, in elk geval een of meer bankpasje(s) en/of geld en/of een hoeveelheid hennep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren,

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij op of omstreeks 7 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen

en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, in elk geval een of meer bankpasje(s) en/of geld en/of hennep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) een vuurwapen op en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft/hebben gericht en/of twee, in elk geval een of meerdere schoten heeft/hebben gelost op en/of in de richting van die [slachtoffer], welk feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;

2.

dat hij op of omstreeks 8 juni 2006 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 750 euro en/of 250 euro, in elk geval enig geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van (een) valse sleutel(s), te weten met (een) door misdrijf verkregen bankpasje(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en

onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:

1.

dat hij op 7 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft zijn mededader met dat opzet een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer] gericht en tweemaal een schot op die [slachtoffer] gelost, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

dat hij op 8 juni 2006 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met een ander, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 750 euro en

250 euro, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten met een door misdrijf verkregen bankpasje.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Met betrekking tot de partiële vrijspraak onder 1 overweegt het hof in het bijzonder als volgt. Aan de verdachte is onder 1 primair ten laste gelegd, kort gezegd, het medeplegen van gekwalificeerde doodslag en - impliciet subsidiair - het medeplegen van doodslag. In de visie van de steller van de tenlastelegging is de opzettelijke levensberoving van het slachtoffer [slachtoffer] voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van diefstal met geweld, gepleegd door twee of meer personen (artikel 312 Wetboek van Strafrecht). Uit het onderzoek ter terechtzitting

is komen vast te staan dat de relevante feiten zich hebben voltrokken in de woning van [slachtoffer] te Beek en Donk.

Zakelijk weergegeven heeft de verdachte op 4 juli 2006 (proces-verbaal van verhoor, door-genummerde dossierpagina 494 e.v.) tegenover de politie onder meer het volgende verklaard:

[mededader] en ik hadden er al eerder over gesproken om een jongen in Beek en Donk zijn weed af te pakken. [mededader] en ik spraken af dat [mededader] een wapen zou meenemen om die jongen te bedreigen om zodoende de weed te kunnen krijgen. Ik zag dat [mededader] het pistool in zijn rechterhand had en rechtstreeks naar die jongen liep. Ik hoorde [mededader] roepen: “Geld, weed, bankpasje, pincode!” Ik zag dat [mededader] bij de jongen stond en de jongen bedreigde. [mededader] had het wapen op het hoofd van die jongen gezet.

De verklaring, die de verdachte op 19 juli 2006 tegenover de politie heeft afgelegd (proces-verbaal verhoor, doorgenummerde dossierpagina 544), houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:

Ik hoorde dat [mededader] riep: “Waar is die weed?”

Ik zag dat [mededader] met kracht de loop van het vuurwapen tegen het hoofd, de nek en de borst van die jongen duwde. Dit om die jongen te bewegen zijn weed af te geven.”

Eveneens zakelijk weergegeven, heeft de medeverdachte [mededader] tegenover de politie op 20 juli 2006 (proces-verbaal verhoor, doorgenummerde dossierpagina 410 e.v.) onder meer verklaard:

Ik heb het pistool in mijn rechterhand genomen en ik heb tegen die jongen gezegd dat we kwamen voor zijn geld en zijn weed. Ik zag dat de jongen uit de kast een bakje weed pakte en dit op de tafel zette. Vervolgens zei ik tegen die jongen dat we geld wilden hebben. Ik zag dat de jongen opstond en weer in de richting van de kast liep. Ik zag dat hij vanonder een boek geld pakte en dit op de tafel legde. Ik zag een aantal briefjes van 50 euro op de tafel liggen. Vervolgens heb ik de jongen gevraagd naar zijn pinpas en pincode. Ik zag dat de jongen weer opstond en een portemonnee pakte, waarna hij mij een pinpasje gaf. Ik zag vervolgens dat de jongen een stukje papier afscheurde en hierop een code schreef. Ik heb de pinpas, de pincode en het geld in mijn jaszak gestopt.

Anders dan de steller van de tenlastelegging, de rechter in eerste aanleg en de advocaat-generaal, maar met de verdediging, is het hof van oordeel dat de feitelijke gedragingen van de verdachte en de mededader [mededader] in de woning van het slachtoffer, voor zover die uit hun verklaringen kunnen blijken - opgemerkt wordt dat het hof voor wat betreft dit onderdeel van de tenlastelegging in het dossier geen andersluidende verklaringen heeft aangetroffen - mede gelet op hun intentie, slechts geduid kunnen worden als afpersing (artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht) en niet als diefstal met geweld (artikel 312 van dat wetboek). Naar het oordeel van het hof kan immers de voor diefstal karakteristieke eigenmachtige wegnemingshandeling van de dader uit de verklaringen van de verdachte en, meer in het bijzonder, de verklaring van [mededader] niet worden afgeleid. Wel volgt uit laatstbedoelde verklaring dat het slachtoffer onder bedreiging met een vuurwapen is gedwongen een bakje weed, geld, zijn pinpasje en zijn pincode aan de verdachte en [mededader] ter beschikking te stellen. Aangezien het slachtoffer de heerschappij over deze goederen onder dwang heeft prijsgegeven door deze op de tafel te leggen, waarna [mededader] vrijelijk daarover kon beschikken en het geld en het briefje met de pincode in zijn jas kon stoppen, is naar het oordeel van het hof sprake van afpersing. Hieraan doet niet af dat uit de hiervoor weergegeven verklaring van [mededader] niet blijkt dat het slachtoffer de weed, het geld en het briefje met de pincode ook daadwerkelijk aan hem, [mededader], heeft afgegeven. “Afpersing” is echter niet ten laste gelegd. Bewijs, waaruit volgt dat de weed, het geld, de pinpas en de pincode door de verdachte en [mededader] zijn weggenomen, is niet voorhanden, zodat niet bewezen kan worden dat de doodslag is voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van diefstal met geweld. Derhalve moet vrijspraak volgen van het kwalificerende gedeelte van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Van de zijde van de verdachte is, evenals in eerste aanleg, met betrekking tot het onder

1 primair ten laste gelegde het verweer gevoerd, dat de verdachte niet het opzet had - ook niet in de voorwaardelijke vorm - op de dood van [slachtoffer].

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Aan de rechter in eerste aanleg en de verdediging kan worden toegegeven dat niet is gebleken van een tevoren beraamd gezamenlijk plan om het slachtoffer van het leven te beroven en dat evenmin is gebleken dat de verdachte enige relevante uitvoeringshandeling heeft verricht die (mede) heeft geleid tot het overlijden van het slachtoffer. Niettemin is het hof, met de advocaat-generaal, van oordeel dat de verdachte het opzet heeft gehad op de levensberoving van het slachtoffer en daarbij bewust en nauw heeft samengewerkt met de mededader [mededader]. Het hof acht hiertoe in de eerste plaats de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte, toen hij en [mededader] op de late avond van 7 juni 2006 op weg gingen naar de woning van het slachtoffer te Beek en Donk, wist dat [mededader] een geladen pistool had meegenomen. Ook wist de verdachte - verwezen wordt naar de hierboven reeds aangehaalde verklaring van de verdachte van 4 juli 2006, voor zover deze inhoudt: “[mededader] en ik spraken af dat [mededader] een wapen zou meenemen om die jongen te bedreigen om zodoende de weed te kunnen krijgen” - dat dat wapen bij de ripdeal gebruikt zou worden als dreigmiddel. Bovendien had de verdachte gezien dat [mededader] met een sok de patronen, waarmee het vuurwapen was geladen, had schoongepoetst teneinde ze van vinger-afdrukken te ontdoen. Aan het gegeven dat [mededader] kennelijk op de plaats van de ripdeal geen sporen wilde achterlaten die tot hem herleid zouden kunnen worden, kan naar het oordeel van het hof geen andere betekenis worden toegekend dan dat [mededader] niet slechts voornemens was het pistool bij de ripdeal als pressiemiddel te gebruiken, maar tevens bereid was om er ook werkelijk mee te schieten. De verdachte moet zich, mede vanwege zijn bekendheid met het opvliegende, agressieve karakter van [mededader], hiervan ook bewust zijn geweest.

Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte aldus het risico genomen, niet alleen dat er bij de uitvoering van de ripdeal met gebruikmaking van het pistool met geweld gedreigd zou worden, maar met name ook dat daadwerkelijk geweld jegens het slachtoffer uitgeoefend zou worden, met mogelijk fatale gevolgen voor het slachtoffer van de ripdeal. Niettemin heeft de verdachte zich op dat moment niet gedistantieerd van het gezamenlijk plan om de ripdeal uit te voeren.

De verdachte is immers samen met [mededader] naar de woning van het slachtoffer in Beek en Donk gereden en zij zijn vervolgens die woning binnen gegaan. Aangenomen moet worden - onder meer op grond van de door de verdachte bij gelegenheid van de schouw in de woning van het slachtoffer afgelegde verklaring - dat zich in de woning van het slachtoffer vervolgens het volgende heeft voorgedaan. Direct na binnenkomst in de woning is [mededader] met het pistool in de hand naar het slachtoffer gelopen. Het slachtoffer bevond zich toen in de van de woonkamer afgescheiden slaap/computerruimte. De verdachte is aanvankelijk in het woongedeelte blijven staan. Korte tijd later is de verdachte door [mededader] naar de slaap/computerruimte geroepen. Het slachtoffer zat toen op de grond en [mededader] hield het pistool tegen het hoofd van het slachtoffer. [mededader] heeft de verdachte vervolgens opgedragen bij het slachtoffer te blijven, terwijl hij, [mededader], naar de woonruimte is gegaan. Op dat moment hoorde de verdachte dat [mededader] het pistool doorlaadde en naar eigen zeggen dacht de verdachte toen: “Dit loopt uit de hand” (vide de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juli 2007).

Ook op dat moment heeft de verdachte zich niet gedistantieerd van de - ook in zijn beleving - bestaande dreiging van een gewelddadig optreden van [mededader]. In tegendeel: nadat het slachtoffer na het doorladen van het pistool was opgestaan, heeft de verdachte naar eigen zeggen het slachtoffer vastgepakt teneinde te voorkomen dat hij via de woonkamer de buitendeur zou bereiken. Uit de verklaringen van de verdachte volgt voorts dat hij het slachtoffer nog steeds vasthad toen zij samen vanuit de slaap/computerruimte de woonruimte bereikten en daar oog in oog kwamen te staan met [mededader], die het pistool op het slachtoffer richtte en vuurde. Dusdoende heeft de verdachte een actieve bijdrage geleverd aan het geweld jegens het slachtoffer. Weliswaar noopt de mate van geweldsuitoefening door de verdachte niet tot de conclusie dat hij het (zuiver) opzet op de dood van het slachtoffer had, maar wel volgt uit de handelwijze van de verdachte dat hij, door te verhinderen dat het slachtoffer kon vluchten of minst genomen zich tegen [mededader] kon verweren, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een naar ervaringsregels aanmerkelijk te achten kans dat het slachtoffer door toedoen van [mededader] het leven zou laten.

Aldus heeft de verdachte bewust samengewerkt met [mededader] en in de voorwaardelijke vorm het opzet gehad op de levensberoving van het slachtoffer.

Door de verdediging is voorts nog aangevoerd dat het gegeven dat de verdachte zichzelf in levensgevaar had gebracht, doordat hij zeer dicht in de nabijheid van het slachtoffer stond op het moment dat [mededader] het eerste schot op het lichaam van het slachtoffer loste, een contra-indicatie oplevert voor de aanname dat verdachtes opzet op de dood van het slachtoffer was gericht.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat de stelling van de verdediging reeds niet opgaat omdat het niet de verdachte zelf was, maar een ander ([mededader]), die door het schieten met een vuurwapen op het slachtoffer, terwijl de verdachte zich in diens onmiddellijke nabijheid bevond, het levensgevaar voor de verdachte veroorzaakte. Bovendien gaat naar het oordeel van het hof het verweer niet op omdat verdachtes (voorwaardelijk) opzet op de dood van het slachtoffer reeds volledig was door de feitelijke handelingen van de verdachte voorafgaand aan het daadwerkelijk beschieten van het slachtoffer door [mededader].

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, in verband met het bepaalde in artikel 47, eerste lid, aanhef en

onder 1º, van dat wetboek.

Het bewezen verklaarde onder 2 is telkens voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht, in verband met het bepaalde in artikel 310 van dat wetboek.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Hetgeen bewezen is verklaard wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De rechter in eerste aanleg heeft het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde bewezen verklaard en de verdachte ter zake veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft, evenals de officier van justitie, gevorderd dat het gerechtshof de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair en onder 2 zal veroordelen tot een gevangenis-straf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

Door de verdediging is bepleit dat uitsluitend het onder 2 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard, zodat de strafoplegging substantieel lager dient uit te vallen dan de eis van de advocaat-generaal.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het hof gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Met de rechter in eerste aanleg en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Hierbij heeft het hof in de eerste plaats rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft, handelend uit puur financieel gewin, uiting gegeven aan zijn boosaardig voornemen om samen met zijn mededader het slachtoffer onder bedreiging met een vuurwapen weed, geld, een bankpas en de daarbij behorende pincode afhandig te maken. Daarbij is de geweldsuitoefening jegens het slachtoffer geëscaleerd en dientengevolge heeft het slachtoffer het leven gelaten. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich niet heeft bekommerd om het lot van het slachtoffer, ook niet nadat het slachtoffer, naar de verdachte wist, door zijn mededader met een pistoolschot was getroffen. Verdachte heeft steeds zijn eigen financiële belangen vooropgesteld, ook toen hij, nadat hij informatie over de dood van het slachtoffer had gekregen, met de bij de overval van het slachtoffer verkregen bankpas en pincode geld is gaan pinnen.

Bij de straftoemeting houdt het hof voorts rekening met het persoonlijk leed dat door het handelen van de verdachte en zijn mededader bij de nabestaanden van het slachtoffer is veroorzaakt. Daarnaast houdt het hof bij de straftoemeting nog rekening met de omstandigheid dat de overval op het slachtoffer plaats vond in een woonwijk in een betrekkelijk klein dorp. Naar algemene ervaringsregels zijn hierdoor de gevoelens van onveiligheid bij veel bewoners toegenomen en is de maatschappelijke orde in ernstige mate geschokt.

Bij de straftoemeting heeft het hof ten bezware van de verdachte voorts nog acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder ter zake soortgelijke strafbare feiten (geweldsdelicten) is veroordeeld, welke veroordelingen de verdachte het laakbare van zijn handelen kennelijk niet hebben doen inzien.

Bij de straftoemeting heeft het hof in de verhouding tot de aan de mededader opgelegde straf

in het voordeel van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte niet degene is geweest die het slachtoffer met het vuurwapen heeft beschoten.

Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor na te melden duur passend en geboden.

Schadevergoeding

[De benadeelde partij], wonende te [adres], heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schade-vergoeding tot een bedrag van EUR 9.385,37, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 8.185,37.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij strekt in hoger beroep derhalve tot betaling van EUR 9.385,37, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij behoort te worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat [de benadeelde partij] als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden zoals gevorderd. Het hof merkt hierbij op dat de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet heeft betwist. De verdachte is derhalve tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De verdachte (en zijn mededaders) zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door de strafbare feiten is toegebracht.

Het hof ziet aanleiding ter zake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie te ’s-Hertogenbosch heeft op 10 oktober 2006 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de politierechter te Breda van 17 januari 2006 onder parketnummer 02-800847-05 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van

2 maanden.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof de vordering van de officier van justitie zal toewijzen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Het hof zal daarom de tenuitvoerlegging gelasten van de bij vonnis van de politierechter te Breda van 17 januari 2006 onder parket-nummer 02-800847-05 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14g, 24c, 36f, 47, 57, 63, 287, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht;

verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het

onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

- voor wat betreft feit 1:

Medeplegen van doodslag.

en

- voor wat betreft feit 2:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels,

meermalen gepleegd.

verklaart verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenis-straf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst toe de vordering van [de benadeelde partij], wonende te [adres];

veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 9.385,37 (negenduizend driehonderdvijfentachtig euro en zevenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf

5 december 2006, met dien verstande dat en indien en voor zover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [de benadeelde partij], wonende

te [adres], aan de Staat een bedrag te betalen van

EUR 9.385,37 (negenduizend driehonderdvijfentachtig euro en zevenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 december 2006, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 76 (zesenzeventig) dagen hechtenis;

bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Breda van 17 januari 2006 onder parketnummer 02-800847-05, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Aldus gewezen door

mr. F. van Beuge, voorzitter,

mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr. N.J.L.M. Tuijn,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 26 oktober 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. N.J.L.M. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.