Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB5996

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
R200601399 T
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aangifte door alimentatiegerechtigde tegen alimentatieplichtige van seksueel misbruik dochtertje geen wangedrag op grond waarvan de alimentatieplicht vervalt.

Objectieve aanwijzingen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 399
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2008, 25
JPF 2008/54
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

EB

7 mei 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200601399 T

Zaaknummer eerste aanleg 136693 / FA RK 05-5176

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Tussenbeschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

de man,

procureur mr. J.W.M. Steenbakkers,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de vrouw,

procureur mr. I. Bakker.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 september 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 7 december 2006, heeft de man verzocht voornoemde beschikking te vernietigen voor wat betreft het hoofdverblijf van [Z.], de partneralimentatie en de kinderalimentatie en, opnieuw rechtdoende, het hoofdverblijf van [Z.] bij de man te bepalen en de vrouw voor wat betreft de partner- en kinderalimentatie niet ontvankelijk te verklaren, althans haar het oorspronkelijk verzochte te ontzeggen, althans een zodanig bedrag te bepalen als het hof in goede justitie juist acht, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 19 februari 2007, heeft de vrouw verzocht de man niet ontvankelijk te verklaren, althans het verzochte af te wijzen, kosten rechtens.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 april 2007. Bij die gelegenheid zijn de man en zijn procureur, de vrouw en haar procureur, mr. H. Werger namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), alsmede mevrouw M. Mous namens de Stichting Bureau Jeugdzorg (hierna: de stichting) en mevrouw K. van de Vaart, de gezinsvoogd, gehoord.

2.4. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroep- en verweerschrift;

- de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg van 10 juli 2006 en 13 juli 2006;

- een brief met bijlage van de procureur van de vrouw d.d. 6 maart 2007;

- een brief met bijlagen van de procureur van de man d.d. 22 maart 2007;

- een brief van de psychiater, dhr. W.A.F. Sondermeijer, van de vrouw, ingebracht ter zitting door de procureur van de vrouw.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 5 september 2002 met elkaar gehuwd. De echtscheidings-beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 september 2006 is op 14 februari 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.2. Uit de relatie van partijen, voorafgaand aan hun huwelijk, is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] [Z.] geboren. Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [Z.].

Bij beschikking van 27 juli 2006 is [Z.] voor de duur van één jaar onder toezicht van de stichting gesteld.

4.3. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [Z.] bij de vrouw zal zijn en dat de man met ingang van 7 september 2006 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [Z.] een bedrag van € 325,- per maand zal voldoen. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de man vanaf de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor haar levensonderhoud een bedrag van € 249,- per maand dient te betalen.

De man kan zich met deze beslissingen niet verenigen en komt hiervan in hoger beroep.

Hoofdverblijf en kinderalimentatie

4.4. Gebleken is dat de vrouw sinds 7 januari 2007 vrijwillig op de afdeling Psychiatrie van het Màxima Medisch Centrum locatie [locatienaam] verblijft. Voorts is gebleken dat [Z.] vanaf die datum, met instemming van de vrouw, bij opa en oma vaderszijde verblijft en dat de vrouw samen met de gezinsvoogd [Z.] daar één dag in de zes weken bezoekt. De stichting heeft aangegeven het verblijf van [Z.] bij opa en oma vaderszijde te willen laten formaliseren met een machtiging uithuisplaatsing, aangezien het herstel van de vrouw langer duurt dan verwacht.

De stichting heeft verder ter zitting aangegeven dat zij gedurende de looptijd van de ondertoezichtstelling het Ambulatorium een onderzoek wil laten doen, in het kader van welk onderzoek tevens de vraag naar het (definitieve) hoofdverblijf van [Z.] aan de orde zal komen. Het onderzoek is nog niet gestart nu de onderzoeks-vraag wegens de psychische gesteldheid van de vrouw nog niet met haar is besproken en de vrouw derhalve hiervoor nog geen toestemming heeft kunnen geven. Nu wel te verwachten is dat de vrouw haar toestemming voor dit onderzoek zal geven en het hoofdverblijf van [Z.] in dit onderzoek wordt meegenomen, heeft de stichting verzocht de beslissing inzake het hoofdverblijf aan te houden in afwachting van de onderzoeksresultaten.

Ter zitting heeft zowel de man als de vrouw aangegeven in te kunnen stemmen met het verzoek van de stichting tot aanhouding van de beslissing terzake het hoofdverblijf van [Z.]. Het hof zal de zaak met betrekking tot het hoofdverblijf van [Z.] zes maanden aanhouden tot pro forma 1 oktober 2007, teneinde de resultaten van het onderzoek van het Ambulatorium af te wachten.

4.5. Nu het beroep van de man inzake de kinderalimentatie nauw samenhangt met het hoofdverblijf van [Z.] zal het hof eveneens de beslissing terzake de kinderalimentatie aanhouden tot pro forma 1 oktober 2007.

Partneralimentatie

4.6. De man voert aan dat er door de gedragingen van de vrouw jegens de man, waaronder het beschuldigen van de man van seksueel misbruik van [Z.] en het bedreigen van de man met een mes, sprake is van zodanig wangedrag dat in redelijkheid van de man niet kan worden verlangd dat hij bij zal dragen in het levensonderhoud van de vrouw. Volgens de man kan een zeer ernstige beschuldiging door de alimentatiegerechtigde aan het adres van de alimentatie-plichtige, indien niet bewezen, reden zijn om de alimentatie te ontzeggen.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

4.7. Het hof is van oordeel dat het doen van aangifte tegen de man van seksueel misbruik van [Z.], aan de zijde van de vrouw niet kan worden aangemerkt als een zodanige gedraging dat van de man naar redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd een bijdrage te leveren in het levensonderhoud van de vrouw, als bedoeld in artikel 1:399 BW. De vrouw heeft immers, zoals uit de stukken blijkt, de aangifte gedaan op advies van het AMK én de kinderarts die [Z.] onderzocht heeft. De kinderarts heeft objectieve aanwijzingen gevonden die het vermoeden van misbruik ondersteunen. Onder die omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat de vrouw erop uit is geweest de man bewust te beschadigen. Op grond van deze aangifte heeft de man 38 dagen in voorarrest gezeten. Dat de zaak van de man inmiddels is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs doet naar het oordeel van het hof niet af aan het feit dat de vrouw door het doen van aangifte heeft gehandeld in het belang van [Z.].

Verder is het hof van oordeel dat ook de bedreiging met een mes door de vrouw geen aanleiding vormt voor de conclusie dat sprake is van dusdanig wangedrag van de vrouw dat van de man niet kan worden verwacht dat hij zal bijdragen in haar levensonderhoud. Het hof neemt hierbij in aanmerking de psychische toestand waarin de vrouw destijds, ook volgens de man, verkeerde, de omstandigheid dat de man hiervan geen aangifte tegen de vrouw heeft gedaan, alsook het feit dat niet gebleken is van nadelige gevolgen van deze bedreiging voor de man.

4.8. Verder stelt de man dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage in haar levensonderhoud nu zij in staat moet worden geacht betaalde arbeid te verrichten. Volgens de man heeft de vrouw voor aanvang van de echtscheidingsprocedure betaalde arbeid verricht en dient het feit dat zij inmiddels haar dienstverband heeft beëindigd voor haar eigen risico te komen.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is naar het oordeel van het hof gebleken dat de vrouw, gelet op haar opname in het ziekenhuis vanaf 7 januari 2007, derhalve reeds voor de ingangsdatum van de door de man eventueel verschuldigde partneralimentatie, niet in staat kan worden geacht in haar eigen behoefte te voorzien. Verder valt op dit moment, gelet op de psychische stoornis van de vrouw en het te verwachten behandeltraject, ook niet aan te geven op welke termijn de vrouw wel in staat kan worden geacht in haar eigen behoefte te voorzien. Ook indien [Z.] haar hoofdverblijf te zijner tijd niet meer bij de vrouw zal hebben, valt niet te voorzien of en zo ja in welke mate de vrouw in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. De vrouw heeft derhalve behoefte aan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage.

4.9 Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de grieven van de man terzake de partneralimentatie niet kunnen slagen, zodat het hof de beslissing van de rechtbank op dit punt zal bekrachtigen.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 september 2006 voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen en uitsluitend voorzover daarbij het verzoek van de vrouw ten laste van de man een bijdrage in haar levensonderhoud vast te stellen, is toegewezen;

houdt de zaak voor wat betreft het geschil met betrekking tot het hoofdverblijf en de kinderalimentatie pro forma aan tot 1 oktober 2007.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Van Zinnen en Pellis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 7 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.