Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB5976

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
18-10-2007
Zaaknummer
06/00144
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2006:AW3034, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende stelt dat de situering van de bedrijfsgebouwen in de nabijheid van de woning en de omstandigheid dat de gebouwen en de woning door een gezamenlijke oprit worden ontsloten, een afzonderlijke verkoop of verhuur onmogelijk maken. Het Hof is, gelet op de overgelegde en getoonde foto's en tekeningen, van oordeel dat de situering van de bedrijfsgebouwen ten opzichte van de woning en de gemeenschappelijke oprit geen belemmeringen vormen voor het zelfstandig in het economische verkeer rendabel maken van de bedrijfsonderdelen, los van de woning. Het tegendeel ervan is door belanghebbende ook niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/55.18 met annotatie van Redactie
FutD 2007-2165
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

UITSPRAAK

GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk BK 06/00144

Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep ingesteld door mevrouw mr. A, verbonden aan B te C,

namens de heer X, wonende te Y, D-straat 4, hierna: belanghebbende,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 april 2006, nummer AWB 05/463, aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op 10 april 2006, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 127.398,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 105,--.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft schriftelijk gerepliceerd en de Inspecteur heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. Het onderzoek ter zitting van het Hof heeft plaatsgevonden op 20 maart 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord, namens belanghebbende, mevrouw A voornoemd, alsmede, namens de Inspecteur, de heer E en de heer F.

1.6. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht ter zitting te zijn voorgedragen. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.7. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.8. Desgevraagd door het Hof heeft de gemachtigde van belanghebbende ter zitting het origineel van de reeds in (kleuren)kopie als bijlagen bij de conclusie van repliek in hoger beroep overgelegde foto's getoond en hebben partijen zich daarover, alsmede over de ter zitting eveneens getoonde plattegrond uitgelaten.

1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

1.10. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Vaststaande feiten

2.1. Het Hof verwijst voor de feiten naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.6 van de uitspraak van de Rechtbank. Voorts zijn in deze zaak op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting van het Hof de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.2. De omstandigheid dat belanghebbende D-straat 4 destijds als woning heeft betrokken, was in het belang van de onderneming.

2.3. Het achterhuis is verbonden met de woning van belanghebbende. Het achterhuis heeft een afzonderlijke ingang en is kadastraal af te splitsen van de woning.

De overige gebouwen bestaan uit:

* garage. Deze is tegen de woning aangebouwd;

* paardenstal. Deze ligt los van de woning op een afstand van 4 meter tot de woning;

* berging/schuur. Deze ligt los van de woning op een afstand van 5 meter tot de woning. De opstal heeft een geringe hoogte. De gordingen liggen op een hoogte van ongeveer 2 meter.

De toegang tot de woning en de overige gebouwen maakt deel uit van de 2.500 m² overige omliggende grond en erf.

Het woonhuis was op het moment van staking duurzaam bewoond door belanghebbende, die daar ook thans nog woont.

De garage werd ten tijde van de staking en ook nu nog gebruikt voor stalling van de personenauto van belanghebbende.

De paardenstal werd ten tijde van de staking van de onderneming en ook nu nog gebruikt voor de stalling van twee privé-paarden en de opslag van hooi en stro.

De berging/schuur werd ten tijde van de staking van de onderneming en ook nu nog gebruikt als hobbyruimte.

Het achterhuis met aanbouw werd na de staking van de onderneming gebruikt als bergruimte. Voorts is er een biljart geplaatst.

Op het moment van staken hadden de onroerende zaken een agrarische bestemming. Op grond van de Regeling beëindiging veehouderijtakken mag gedurende 10 jaar na staking niet het kippenbedrijf worden uitgeoefend.

2.4. De genoemde onroerende zaken hebben voor zover hier van belang op het moment van staking onderstaande waarden in het economische verkeer.

(hierna te noemen: de bedrijfsonderdelen).

Bij de bepaling van deze waarden is uitgegaan van de waarde die het gehele complex, inclusief het woonhuis met bijbehorende grond, zou kunnen opbrengen bij verkoop in vrij opleverbare staat tegen de best haalbare prijs aan de hoogst biedende.

2.5. Bij de berekening van de landbouwvrijstelling is per abuis een boekwaarde van € 2.500,-- niet in mindering gebracht.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of bij de berekening van de stakingswinst de onder 2.4 genoemde waarde in het economische verkeer van de bedrijfsonderdelen moet worden verminderd met een waardedruk van 35% als gevolg van duurzame zelfbewoning (hierna: de waardedruk). Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Het percentage van 35 is niet in geschil.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het aan deze uitspraak gehechte procesverbaal van het onderzoek ter zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op het bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 90.298,--. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de waardedruk doorwerkt naar de bedrijfsonderdelen, hetgeen belanghebbende stelt, dan wel in het geheel niet doorwerkt, gelijk de Inspecteur verdedigt. Het Hof is van oordeel dat in dezen heeft te gelden dat de waardedruk niet doorwerkt naar de bedrijfsonderdelen welke zelfstandig (los van de woning) in het economisch verkeer rendabel te maken zijn, zonder dat daarmee het woongenot, anders dan in ondergeschikte mate, wordt beperkt.

4.2. Het Hof zal vervolgens de bedrijfsonderdelen aan dit criterium toetsen.

4.3. Naar het oordeel van de Rechtbank (r.o. 4.2) heeft de Inspecteur met de gegevens van de door hem geraadpleegde taxateur en de overgelegde foto's en tekeningen, voldoende aannemelijk gemaakt dat het achterhuis en de overige gebouwen bij belanghebbendes woning direct en in volle omvang in gebruik genomen kunnen worden door derden. De omstandigheid dat deze gebouwen alleen bereikbaar zijn via de oprit die ook leidt tot het woonhuis van belanghebbende, doet daaraan niet af.

4.4. Belanghebbende bestrijdt deze conclusie met een vijftal argumenten die het Hof achtereenvolgens zal bespreken.

4.5. Belanghebbende stelt dat de bedrijfsgebouwen door de geringe hoogte van de berging/schuur en hun onderhoudstoestand niet meer geschikt zijn voor afzonderlijke verkoop of verhuur. Het Hof acht het niet aannemelijk dat deze - door belanghebbende niet nader toegelichte of onderbouwde - omstandigheden een beletsel vormen om de bedrijfsonderdelen zelfstandig rendabel te maken. Uit de tot de gedingstukken behorende foto's maakt het Hof op dat de staat van onderhoud niet zo slecht is dat deze een zelfstandige exploitatie in de weg zou staan.

4.6. Belanghebbende stelt dat de situering van de bedrijfsgebouwen in de nabijheid van de woning en de omstandigheid dat de gebouwen en de woning door een gezamenlijke oprit worden ontsloten, een afzonderlijke verkoop of verhuur onmogelijk maken. Het Hof is, gelet op de overgelegde en getoonde foto's en tekeningen, van oordeel dat de situering van de bedrijfsgebouwen ten opzichte van de woning en de gemeenschappelijke oprit geen belemmeringen vormen voor het zelfstandig in het economische verkeer rendabel maken van de bedrijfsonderdelen, los van de woning. Het tegendeel ervan is door belanghebbende ook niet aannemelijk gemaakt.

4.7. Belanghebbende stelt dat de agrarische bestemming op het moment van staken afzonderlijke verhuur bijna niet mogelijk maakt omdat de gemeente daarvoor geen toestemming zal geven. Het Hof acht dit niet aannemelijk. Evenals de Inspecteur is het Hof van oordeel dat een zelfstandige exploitatie los van de woning in de praktijk wel mogelijk is. De omstandigheid dat de eerste tien jaar na staking niet het kippenbedrijf kan worden uitgeoefend, brengt geen wijziging in dit oordeel.

4.8. Belanghebbende stelt dat afzonderlijke verkoop of verhuur niet mogelijk is omdat de bedrijfsgebouwen niet apart zijn aangesloten op nutsvoorzieningen. Het Hof acht dit niet aannemelijk. Evenals de Inspecteur is het Hof van oordeel dat deze - te verhelpen - omstandigheid in de praktijk geen belemmering is voor een afzonderlijke exploitatie van de bedrijfsonderdelen, los van de woning.

4.9. Belanghebbende stelt dat het Bestemmingsplan Buitengebied 2005 van de gemeente Y een zelfstandig in het economische verkeer rendabel maken niet toelaat. Daargelaten of dit juist is, maakt belanghebbende niet aannemelijk dat dit op het moment van staking viel te verwachten. Het Hof leidt uit de uitgebrachte taxatie eerder af dat een dergelijke belemmering, zo die al uit dit bestemmingsplan voortvloeit, niet werd verwacht.

4.10. Het Hof acht op basis van de door de Inspecteur verstrekte gegevens van de door hem geraadpleegde taxateur en de overgelegde foto's en tekeningen, in combinatie met de overige foto's en tekeningen, zoals getoond en besproken ter zitting van het Hof, voldoende aannemelijk gemaakt dat de bedrijfsonderdelen zelfstandig (los van de woning) in het economische verkeer rendabel zijn te maken. Paardenstal en berging/schuur liggen los van de woning. Achterhuis en garage hebben een afzonderlijke toegang. De bedrijfsonderdelen zijn via de gemeenschappelijke oprit voldoende toegankelijk vanaf de openbare weg. Belanghebbende heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

4.11. Een zelfstandig rendabel maken heeft tot gevolg dat het bestaande gebruik van de paardenstal, berging/schuur en achterhuis, bestaande uit de stalling privé-paarden en het gebruik als hobby- en biljartruimte, moet eindigen. Het Hof is van oordeel dat hiermee het woongenot slechts in ondergeschikte mate wordt beperkt.

Een zelfstandig rendabel maken van de garage heeft tot gevolg dat de bestaande stalling van de auto moet eindigen. Het Hof is van oordeel dat hiermee het woongenot in meer dan ondergeschikte mate wordt beperkt.

Een zelfstandig rendabel maken van de bedrijfsonderdelen zal leiden tot een gemeenschappelijk gebruik van de oprit. Het Hof is van oordeel dat hiermee het woongenot in meer dan ondergeschikte mate wordt beperkt. Partijen zijn het erover eens dat het hier gaat om een oppervlakte van 250 m². Deze grond behoort tot de 2500 m² overige omliggende grond met een waarde in het economische verkeer van € 12 per m².

4.12. Gelet op het bovenstaande dient de waarde in het economische verkeer (WEV) van de bedrijfsopstallen te worden verlaagd met 35% van de WEV van de ondergrond garage ad

€ 5.000,-- en de WEV van 250 m² oprit à € 12 per m² =

€ 3.000,--. Dit leidt tot een verlaging van de WEV met

€ 2.800,--.

Daartegenover moet de winst worden verhoogd met het bij de aanslagregeling gemaakte abuis van € 2.500,-- (zie onder 2.5 van deze uitspraak). De Inspecteur beroept zich hierbij op interne compensatie. Per saldo resulteert dit in een verlaging van het belastbaar inkomen uit werk en woning met € 300,--.

4.13. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag (deels) aan de zijde van belanghebbende, dient het hoger beroep van belanghebbende gegrond te worden verklaard en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden vernietigd en dient het belastbaar inkomen uit werk en woning te worden gesteld op € 127.098.

5. Griffierecht

De Staat dient, nu het beroep gegrond wordt verklaard, aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,-- respectievelijk € 105,-- te vergoeden.

6. Proceskosten

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van

het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, ter zake van de kosten van de beroepsfase op € 1.207,50 (1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,-- en een wegingsfactor 1,5) en de kosten van de hoger beroepsfase eveneens op € 1.207,50 (1 punt voor het beroepschrift, 0,5 punt voor de conclusie van repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,= en een wegingsfactor 1,5).

De proceskostenvergoeding bedraagt derhalve in totaal € 2.415,--.

7. Beslissing

Het Hof

* verklaart het hoger beroep gegrond;

* vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

* verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond;

* vernietigt de uitspraak van de Inspecteur;

* vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 127.098,--;

* gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 142,-- vergoedt;

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 2.415,--, en

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 28 juni 2007 door J.W.J. Huige, voorzitter, T. Blokland en J.G. Verseput, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.