Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB5677

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-08-2007
Datum publicatie
16-10-2007
Zaaknummer
20-001938-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(On)bevoegdheid economische kamer eerste aanleg na wijziging van de tenlastelegging.

Voor de wijziging tenlastelegging is een economisch delict (artikel 10 Arbeidsomstandighedenwet 1998) ten laste gelegd, na wijziging primair dood door schuld ex artikel 307 Sr, subsidiair artikel 10 Arbeidsomstandighedenwet 1998).

Het hof is van oordeel dat de vraag welke kamer bevoegd is tot kennisneming van een ten laste gelegd feit, dient te worden beantwoord aan de hand van het ten laste gelegde feit in zijn geheel. Hierbij stelt het hof voorop dat het primair ten laste gelegde feit bepalend is voor de vraag welke kamer bevoegd is tot kennisneming daarvan. Het hof is van oordeel dat na toelating van de wijziging van de tenlastelegging niet de economische kamer, maar de meervoudige strafkamer van de rechtbank bevoegd was om van dit feit kennis te nemen.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten 1, geldigheid: 2007-08-07
Wet op de economische delicten 1a, geldigheid: 2007-08-07
Wet op de economische delicten 38, geldigheid: 2007-08-07
Wet op de economische delicten 39, geldigheid: 2007-08-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 276
M en R 2008, 33

Uitspraak

Parketnummer : 20-001938-06

Uitspraak : 7 augustus 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Breda van 4 mei 2006 in de strafzaak met parketnummer 02-636167-05 tegen:

[verdachte],

statutair gevestigd te [vestigingsplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennis genomen van het standpunt van de advocaat-generaal en van verdachte.

Het vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

De tenlastelegging

Het hof neemt uit het beroepen vonnis de weergave van de tenlastelegging over.

De bevoegdheid van de eerste rechter

Aan de verdachte is, voor wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg, ten laste gelegd dat zij zich zou hebben schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Het hof stelt vast dat de economische kamer van de Rechtbank Breda bevoegd was van deze tenlastelegging kennis te nemen.

Vervolgens heeft de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 21 april 2006 een wijziging van de tenlastelegging gevorderd, die ertoe strekte dat primair aan verdachte ten laste werd gelegd dat zij zich zou hebben schuldig gemaakt aan dood door schuld ex artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht, subsidiair aan overtreding van artikel 10 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998. Nadat de economische kamer deze wijziging toelaatbaar had verklaard, is de tenlastelegging aldus gewijzigd. De economische kamer is vervolgens voortgegaan met het onderzoek en heeft in de zaak beslist.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat een gevorderde wijziging slechts kan worden toegewezen of afgewezen doch niet – zoals door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep gesuggereerde – op een door de rechtbank zelf aangepaste wijze worden toegewezen. Het hof is voorts van oordeel dat de economische kamer een beslissing heeft kunnen en moeten nemen over de toelaatbaarheid van de door de officier gevorderde wijziging van de tenlastelegging. De genomen beslissing was bovendien de juiste.

Het hof stelt echter vast dat de economische kamer, door het aanbrengen van de door de officier van justitie noodzakelijk geachte en door haar toelaatbaar verklaarde wijziging in de tenlastelegging, de bevoegdheid verloor om verder over de zaak te oordelen.

Op grond van artikel 38 van de Wet op de economische delicten worden economische delicten behandeld en beslist door de economische kamer van de rechtbank. Krachtens artikel 39 van de Wet op de economische delicten behandelt en beslist de economische kamer van de rechtbank ook zaken betreffende strafbare feiten die geen economische delicten zijn, indien de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van die strafbare feiten, die strafbare feiten zijn begaan in samenhang met een of meer economische delicten en die strafbare feiten ten laste zijn gelegd samen met een of meer van die economische delicten. In de artikelen 1 en 1a van de Wet op de economische delicten wordt een limitatieve opsomming gegeven van feiten die als economische delicten zijn aan te merken.

De bevoegdheid van de rechtbank dient mede beoordeeld te worden op basis van het onderzoek ter terechtzitting. Het hof is van oordeel dat de vraag welke kamer bevoegd is tot kennisneming van een ten laste gelegd feit, dient te worden beantwoord aan de hand van het ten laste gelegde feit in zijn geheel. Hierbij stelt het hof voorop dat het primair ten laste gelegde feit bepalend is voor de vraag welke kamer bevoegd is tot kennisneming daarvan. Na wijziging van de tenlastelegging is de in artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gedraging, een commuun delict, primair ten laste gelegd. Het hof is van oordeel dat na toelating van de wijziging van de tenlastelegging niet de economische kamer, maar de meervoudige strafkamer van de rechtbank bevoegd was om van dit feit kennis te nemen.

De economische kamer van de rechtbank Breda had zich derhalve na het toewijzen van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging, alsnog onbevoegd dienen te verklaren om van het ten laste gelegde kennis te nemen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart de economische kamer van de rechtbank Breda alsnog onbevoegd tot kennisneming van hetgeen aan de verdachte bij inleidende dagvaarding onder parketnummer 02/636167-05, zoals deze luidde na wijziging ervan, ten laste is gelegd.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend en mr. J.M. Reijntjes,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.A. van Ham, griffier,

en op 7 augustus 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.