Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB5050

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-03-2007
Datum publicatie
08-10-2007
Zaaknummer
K06/1634
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Klacht ex artikel 12 Sv. artikel 173a Sr.

Het hof overweegt dat voor een succesvolle strafvervolging noodzakelijk is, dat causaal verband wordt aangetoond tussen de door beklaagden verrichte handelingen en de gezondheidsklachten van klager en zijn echtgenote. Het hof is evenwel gebleken, dat geen der ingeschakelde instanties komt tot het vaststellen van een causaal verband tussen de door beklaagden verrichte handelingen en de opgetreden klachten. Naar het oordeel van het hof levert ook het rapport van prof. dr. B. Nemery onvoldoende aanwijzingen op om een dergelijk causaal verband aanwezig te achten. Het hof overweegt voorts dat voor een succesvolle strafvervolging noodzakelijk is, dat er een strafrechtelijk relevant verwijt kan worden gemaakt aan beklaagden. Blijkens het dossier werd het product Bofimex Recyclan kennelijk vaker gebruikt en mocht men er kennelijk – gelet ook op de rapporten van de betrokken instanties – van uitgaan dat zulks probleemloos kon. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier derhalve onvoldoende aanwijzingen om beklaagden een strafrechtelijk relevant verwijt te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

K06/1634

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 27 maart 2007 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van:

(klager),

wonende te Lanaken (België),

hierna te noemen: klager,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. R.E. Temmen, advocaat te Bergen op Zoom,

over de beslissing van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch tot het niet vervolgen van:

(beklaagde 1),

gevestigd te Roosendaal,

en/of

(beklaagde 2),

en/of

een of meer andere beklaagden,

hierna te noemen: beklaagden, en ieder afzonderlijk: beklaagde,

wegens overtreding van artikel 173a Sr en/of enig wetsartikel betreffende milieuwetgeving.

De feitelijke gang van zaken.

Op 24 maart 2000 heeft klager aangifte gedaan van een of meer strafbare feiten, beweerdelijk jegens hem gepleegd door beklaagden bij het impregneren van muren.

Op 13 december 2000 is door de hoofdofficier van justitie aan klager bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat geen schending van de milieuwetgeving heeft plaatsgevonden.

Klager heeft op 22 april 2006 verzocht om heropening van het onderzoek. Op 24 mei 2006 is door de parketsecretaris aan klager bericht dat er onvoldoende aanleiding is het onderzoek te heropenen.

Hierop heeft klager bij schrijven van 22 juni 2006 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 27 juni 2006, met het verzoek de vervolging te bevelen.

De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 15 januari 2007 het hof geraden het beklag af te wijzen.

Op 27 februari 2007 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van klager en zijn advocaat.

De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het schriftelijk verslag.

De beoordeling.

Klager stelt dat de gezondheidsklachten die hij en zijn echtgenote in het verleden hebben ondervonden en thans nog steeds stellen te ondervinden zijn veroorzaakt door het materiaal waarmee in 1997 de muren van hun woning zijn geïmpregneerd. (Beklaagde 1) heeft deze werkzaamheden verricht en hiertoe gebruik gemaakt van het product Bofimex Recyclan, destijds een blijkens de bijsluiter gangbaar product voor de door (beklaagde 1) verrichte werkzaamheden.

Diverse instanties hebben onderzoek gepleegd en gerapporteerd.

- De gemeente Bergen op Zoom heeft de vraag over vrijkomende stoffen voorgelegd aan TNO. Deze heeft verklaard dat eventueel vrijkomende schadelijke stoffen zeer gering zijn en na 24 uur niet meer aanwezig zijn.

- GGD heeft na huisbezoeken en het inwinnen van nadere informatie bij het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) uitgebreid gerapporteerd en geen relatie kunnen aantonen tussen de gebruikte stoffen en de klachten van klager en zijn echtgenote.

- VROM heeft eveneens gerapporteerd en geen relatie kunnen aantonen tussen de gebruikte stoffen en de klachten van klager en zijn echtgenote.

Klager heeft nadien nader advies ingewonnen bij prof. dr. B. N., verbonden aan de Universitaire ziekenhuizen te Leuven. De heer N. stelt in zijn verslag van 24 september 2002 onder meer: “(Alkoxy)silanen, aanwezig in de gebruikte stoffen bij de impregnatiewerken, kunnen bij acute blootstelling irritatie van de huid en de luchtwegen geven. Langdurige intoxicatie-effecten zijn in de literatuur echter niet terug te vinden, zelfs niet bij dierproeven met gebruik van zeer hoge dosissen.” en “De aanhoudende last van allerlei aspecifieke prikkels (uitlaatgassen, vervuiling, geuren) na vertrek uit de woning is eerder suggestief voor MCS (multiple chemical sensitivity).”

In het verslag van 5 mei 2003 merkt de heer N. voorts op: “De intensiteit van de blootstelling kan retrospectief niet geconstrueerd worden, maar op grond van de literatuur over solvent-blootstelling en onze ervaring denken we dat uw huidige, chronische klachten niet zozeer het gevolg zijn van een blijvende intoxicatie, maar het beste passen in multiple chemical sensitivity (MCS).” Over MCS merkt de heer N. voorts op, dat het een onduidelijk syndroom blijft dat niet altijd ontstaat na een toxische blootstelling en dat psychologische factoren een rol kunnen spelen bij het ziektebeeld.

Klager heeft naar aanleiding van de verslagen van prof. dr. B. N. diverse instanties aangeschreven. RIVM laat weten onvoldoende gronden te zien om terug te komen op het eerder ingenomen standpunt. VROM wordt evenzeer aangeschreven, maar verwijst door naar GGD. GGD handhaaft eveneens het eerder ingenomen standpunt.

Het hof overweegt dat voor een succesvolle strafvervolging noodzakelijk is, dat causaal verband wordt aangetoond tussen de door beklaagden verrichte handelingen en de gezondheidsklachten van klager en zijn echtgenote. Het hof is evenwel gebleken, dat geen der ingeschakelde instanties komt tot het vaststellen van een causaal verband tussen de door beklaagden verrichte handelingen en de opgetreden klachten. Naar het oordeel van het hof levert ook het rapport van prof. dr. B. N. onvoldoende aanwijzingen op om een dergelijk causaal verband aanwezig te achten.

Het hof overweegt voorts dat voor een succesvolle strafvervolging noodzakelijk is, dat er een strafrechtelijk relevant verwijt kan worden gemaakt aan beklaagden. Blijkens het dossier werd het product Bofimex Recyclan kennelijk vaker gebruikt en mocht men er kennelijk – gelet ook op de rapporten van de betrokken instanties – van uitgaan dat zulks probleemloos kon. Naar het oordeel van het hof bevat het dossier derhalve onvoldoende aanwijzingen om beklaagden een strafrechtelijk relevant verwijt te maken.

Het hof is dan ook van oordeel, gelet op het vorenstaande, dat een succesvolle strafvervolging niet te verwachten valt.

Gelet op het vorenstaande dient het beklag te worden afgewezen.

De beslissing.

Het hof wijst het beklag af.

Aldus gegeven door

mr. P.A.M. Hendriks, als voorzitter,

mrs. C. Lo-Sin-Sjoe en F.J.M. Walstock, als raadsheer,

in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras, als griffier.

op 27 maart 2007.