Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB5019

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-09-2007
Datum publicatie
08-10-2007
Zaaknummer
20-001397-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1. Poging moord (feit 1), poging doodslag, meermalen gepleegd (feit 2 primair en 3 primair) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd (feit 5).

2. Overwegingen omtrent voorbedachte rade (feit 1) en (voorwaardelijk) opzet (feit 2).

3. Opgelegde straf: gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren en TBS met dwangverpleging.

4. Weigerachtige verdachte. Verdachte heeft iedere medewerking aan een multidisciplinair onderzoek geweigerd. Derhalve heeft het hof gelet op de inhoud van de in 2005 opgestelde rapportages, die in het kader van een eerdere strafzaak omtrent de persoonlijkheid van verdachte zijn uitgebracht, aan welke onderzoeken verdachte wel zijn medewerking heeft verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer : 20-001397-07

Uitspraak : 28 september 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 29 maart 2007 in de strafzaak met parketnummer 02-800824-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

thans verblijvende in PI [verblijfplaats]

waarbij verdachte - verkort weergegeven - werd veroordeeld ter zake van poging moord (feit 1), poging doodslag, meermalen gepleegd (feit 2 primair en 3 primair) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd (feit 5), tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest, en met toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (EUR 5.500,-) en [slachtoffer 2] (EUR 2.500,--).

Tevens heeft de rechtbank de terbeschikkingstelling van verdachte gelast en daarbij bevolen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

1. Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

2. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte zal veroordelen ten aanzien van de feiten onder 1, onder 2 primair, onder 3 primair en onder 5 tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, en dat het hof de terbeschikkingstelling van verdachte zal gelasten en zal bevelen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Voorts heeft de advocaat-generaal ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen gevorderd dat deze zullen worden toegewezen als thans in hoger beroep gevorderd, te weten [slachtoffer 1] een bedrag ad EUR 5.500,-- en [slachtoffer 2] een bedrag ad EUR 2.500,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel conform het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft

- geen verweren gevoerd met betrekking tot de bevoegdheid van de rechter, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of de geldigheid van de inleidende dagvaarding;

- ten aanzien van de ten laste gelegde feiten onder 1, onder 2 en onder 3 vrijspraak bepleit;

- subsidiair, in geval van een bewezenverklaring, ten aanzien van de straf bepleit dat een eventueel op te leggen gevangenisstraf gelijk zal zijn aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten en

- bepleit dat het hof niet de terbeschikkingstelling van verdachte zal gelasten, doch zal bepalen dat de reeds eerder opgelegde maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor Jeugdigen (PIJ-maatregel opgelegd bij vonnis van de rechtbank Breda d.d. 3 mei 2005) zal worden hervat dan wel dat hij in vrijwillig kader behandeld zal worden.

3. Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de bewijsvoering, de opgelegde straf en de motivering daarvan, de motivering van de opgelegde maatregel dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd, alsmede de door de eerste rechter aangehaalde wetsartikelen.

De bewijsvoering behoeft, mede gelet op hetgeen in hoger beroep aan de orde is gekomen, verbetering. Omwille van de leesbaarheid wordt de bewijsvoering in haar geheel vervangen.

De bewezenverklaring door de eerste rechter komt uitsluitend te berusten op de hierna volgende bewijsmiddelen en bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

4. Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

5. Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

B. Wie heeft gestoken?

B.1.

Ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten onder 1, onder 2 primair en onder 3 primair overweegt het hof naar aanleiding van hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, het volgende.

B.2.

Verdachte heeft bepleit dat hij zal worden vrijgesproken en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij op 4 juli 2006 naar de woning van de familie [achternaam] in Roosendaal is gegaan en dat hij daar binnen is geweest .

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij op verzoek van zijn ex-vriendin [slachtoffer 1] naar de woning is gegaan om geld en kleding op te halen. Aldaar aangekomen is hij, toen hij in de woonkamer van de woning stond, door twee man, te weten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], aangevallen. Doordat verdachte zich moest verdedigen, is vervolgens een vechtpartij tussen hen ontstaan.

Verdachte heeft ontkend dat hij op genoemde datum een mes bij zich had en dat hij daarmee [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gestoken, dan wel heeft geraakt. De verklaring van verdachte voor de door hen opgelopen verwondingen, luidt als volgt. De moeder van [slachtoffer 1],[moeder], is op enig moment met een mes de keuken uitgelopen en heeft met dat mes verdachte in zijn been gestoken. Vervolgens zou zij met dat mes ook [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben gestoken dan wel per ongeluk hebben geraakt.

B.3.

Het hof hecht echter geen geloof aan deze verklaringen, nu deze op geen enkele wijze steun vinden in het dossier. Het hof is van oordeel dat de zijdens verdachte bepleite vrijspraak van de ten laste gelegde feiten wordt weersproken door de hiervoor onder 4 genoemde bewijsmiddelen. Het hof heeft, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, geen reden om aan de juistheid en de betrouwbaarheid van die, van de lezing van de verdediging afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

B.4.

Het hof hecht zwaarwegende betekenis aan de verklaringen van [slachtoffer 1], van [slachtoffer 2], van [moeder] en van [slachtoffer 3], welke verklaringen naar het oordeel van het hof authentiek en consistent zijn en elkaar in belangrijke mate ondersteunen. De stelling door en zijdens verdachte dat deze verklaringen leugenachtig dan wel gekleurd en op elkaar afgestemd zouden zijn, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

B.5.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van het hof onmiskenbaar het volgende.

Verdachte heeft zich op 4 juli 2006 door zijn oom naar Roosendaal laten brengen om kleding en geld op te halen. Daarbij heeft verdachte niet tegen zijn oom gezegd dat hij naar zijn ex-vriendin [slachtoffer 1] wilde gaan. Hij heeft zich bij een supermarkt in Roosendaal, in de buurt van de woning van de familie [achternaam], laten afzetten . Vervolgens is verdachte naar de woning van de familie [achternaam] gegaan en heeft aldaar aangebeld. Na het aanbellen heeft verdachte zich enigszins verscholen, zodat hij vanuit de woning niet zichtbaar was .

Nadat [moeder] de moeder van [slachtoffer 1], de deur had geopend heeft verdachte zich met kracht naar binnen gewerkt, waarbij [moeder] zich heeft bezeerd . Zij zag dat verdachte een mes in zijn rechterhand had .

Hierop is verdachte de woning ingelopen, en is, zodra hij [slachtoffer 1] in de woonkamer zag staan, rechtstreeks op haar afgelopen, waarbij hij [slachtoffer 3] opzij heeft geduwd. [slachtoffer 1] als [slachtoffer 3] hebben gezien dat verdachte een mes in zijn handen had .

Vervolgens heeft verdachte met het mes stekende bewegingen gemaakt in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1]. Op een gegeven moment is zij op de bank gevallen, heeft verdachte zich over haar gebogen en heeft stekende bewegingen naar haar bovenlichaam gemaakt. Onderwijl probeerde [slachtoffer 1] hem met haar voeten af te weren. [slachtoffer 1] is door het steken van verdachte gewond geraakt aan haar rechterarm en haar oksel .

Ondertussen is [slachtoffer 2], de vader van [slachtoffer 1], vanwege gegil dat uit de woning kwam, vanuit de tuin naar de woonkamer gerend. Hij zag dat verdachte naar [slachtoffer 1] toe rende en met een mes op haar in begon te steken. Om zijn dochter te bevrijden heeft [slachtoffer 2] met zijn arm vervolgens verdachte van achteren bij zijn nek gepakt . In de worsteling die daarbij is ontstaan heeft verdachte met het mes in zijn hand, stekende bewegingen naar achteren gemaakt, in de richting van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] is daardoor gewond geraakt aan zijn arm en hand .

Ook [slachtoffer 3] is op enig moment bij de worsteling betrokken geraakt en heeft getracht om het mes van verdachte af te pakken. Daarbij heeft verdachte ook meermalen een stekende beweging gemaakt in de richting van [slachtoffer 3] .

C. Voorbedachte rade

C.1.

Zijdens verdachte is ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde nog aangevoerd dat bij verdachte geen sprake is geweest van kalm beraad en rustig overleg om [slachtoffer 1] van het leven te willen beroven. Uit het dossier volgt immers niet met welke intentie verdachte naar de woning van de familie [achternaam] is gegaan, zodat niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade op de dood van [slachtoffer 1] heeft gehandeld.

C.2.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Uit vorenstaande bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof wel degelijk dat verdachte met een vooropgezet plan naar de woning van de familie [achternaam] te Roosendaal is gegaan. Gelet op de wijze waarop verdachte zich naar Roosendaal heeft laten vervoeren onder medebrenging van een mes, alsmede gelet op de wijze waarop hij de woning van de familie [achternaam] is binnengedrongen en zich direct tot [slachtoffer 1] heeft gewend, alsmede gelet op de manier waarop hij het door hem meegebrachte mes heeft gebruikt jegens [slachtoffer 1], is het hof van oordeel dat bij verdachte geen sprake is geweest van een gemoedsopwelling, maar dat hij na rustig beraad en kalm overleg heeft gepoogd [slachtoffer 1] van het leven te beroven. Zelfs toen [slachtoffer 1] uit de woning was gevlucht, is hij haar met het mes achterna gegaan .

Het hof heeft bij voornoemd oordeel tevens acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden. Uit het dossier volgt dat verdachte eerder is veroordeeld, onder meer wegens belaging van voornoemde [slachtoffer 1]. In het verleden heeft hij haar meermalen dreigbrieven gestuurd en in een recente brief van 9 april 2006, welke was gericht aan een vriendin van [slachtoffer 1], heeft verdachte opnieuw bedreigende teksten jegens [slachtoffer 1] geuit . Voorts heeft verdachte de avond voordat verdachte naar de woning van de familie [achternaam] is gegaan, zeker tweemaal gebeld naar het huis van de familie [achternaam], waarbij zijn stem door [zus van slachtoffer 1] is herkend. In één van deze telefooncontacten heeft verdachte zich opnieuw op bedreigende wijze uitgelaten . Hieruit leidt het hof af dat verdachte wraak heeft willen nemen op [slachtoffer 1] en haar wilde doden.

D. Opzet

Ten aanzien van het bewezen verklaarde onder 2 primair en onder 3 primair overweegt het hof nog als volgt.

Verdachte heeft tijdens de worsteling met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], welke worsteling heeft plaatsgevonden in een gemeubileerde woonkamer, waaronder een bank, een salontafel en een televisie, in het wilde weg met het mes in zijn hand staan zwaaien, maar hij heeft daarbij blijkens de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ook in de richting van de lichamen van voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gestoken, waarbij [slachtoffer 3] ook daadwerkelijk gewond is geraakt in zijn gezicht . Door onder deze omstandigheden stekende bewegingen te maken in de richting van de lichamen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hen daarbij in vitale delen van het lichaam en aldus dodelijk zou kunnen raken.

Voorts kunnen deze gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van de in de tenlastelegging onder 2 primair en onder 3 primair genoemde misdrijven.

E. Conclusie

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat verdachte de feiten onder 1, onder 2 primair en onder 3 primair heeft begaan, zoals door de eerste rechter bewezen verklaard.

F. Wie schreef brief?

Feit 5 acht het hof bewezen zoals door de eerste rechter bewezen verklaard. Verdachte heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verklaard dat hij twee van de drie brieven (waaronder één kaart) aan [vriendin slachtoffer 1] heeft geschreven . Ten aanzien van de derde brief die is ondertekend met “[naam]” heeft verdachte in hoger beroep verklaard dat het zijn handschrift is , doch dat hij die brief niet heeft geschreven. Zulks acht het hof echter ongeloofwaardig, te meer daar verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aanvankelijk heeft geweigerd de tekst van die brief aan het hof voor te lezen omdat het Ramadan was en omdat zijn ouders ter terechtzitting aanwezig waren.

Hieruit leidt het hof af dat de inhoud van die brief bij verdachte bekend was en dat hij, gezien het handschrift, derhalve de schrijver van die brief moet zijn geweest. Het hof heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat de schrijfstijl en de woordkeuze overeenkomen met de andere twee brieven, waarvan verdachte heeft erkend dat hij die wel geschreven heeft.

6. Op te leggen straf en maatregel

A.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

B.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke

onrust die daarvan het gevolg is.

C.1.

Het hof acht een langere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal gevorderd en door de verdediging bepleit, op zijn plaats. Daarbij heeft het hof in het bijzonder rekening gehouden met de wijze waarop verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd. Verdachte is de dag nadat hij was gevlucht vanuit de justitiële jeugdinrichting Den Engh, bewapend met een mes, doelbewust op [slachtoffer 1], die zich in haar woning bevond, afgegaan en heeft getracht haar van het leven te beroven. Voorts is hij in gevecht geraakt met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], die hem van [slachtoffer 1] wilden weghalen, waarbij hij opnieuw het mes heeft gebruikt op een wijze waarmee hij voornoemde twee personen eveneens van het leven had kunnen beroven. Vervolgens is hij, na de onderbreking van voornoemde vechtpartij, [slachtoffer 1], die inmiddels haar woning was ontvlucht, opnieuw met het mes achterna gegaan. Naar het oordeel van het hof getuigt deze handelwijze van verdachte van een gebrek aan inlevingsvermogen, alsmede van een bepaalde mate van meedogenloosheid, obsessie en fanatisme van verdachte in de richting van [slachtoffer 1]. Dit terwijl de relatie tussen verdachte en [slachtoffer 1] reeds sinds twee jaar was beëindigd.

Verdachte heeft geen enkel respect voor andermans leven getoond. Nu verdachte reeds eerder is veroordeeld, onder meer terzake van belaging van [slachtoffer 1], acht het hof de kans op recidive aanwezig. Derhalve is een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar geboden.

C.2.

Het hof heeft daarbij ook rekening gehouden met de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg heeft gebracht. Uit de stukken betreffende de benadeelde partijen blijkt het volgende. [slachtoffer 1] ondervindt nog dagelijks hinder van hetgeen haar is overkomen.

Ze heeft zowel lichamelijk letsel als geestelijk letsel (angstgevoelens) opgelopen. Voorts heeft [slachtoffer 2] nog steeds veel last van zijn arm en zijn hand waardoor hij beperkt is in zijn dagelijks functioneren. Tevens laat het hof meewegen dat de handelwijze van verdachte een grote impact op zowel de vader en moeder van [slachtoffer 1] als op [slachtoffer 3] moet hebben gehad, nu zij getuigen waren van het feit dat verdachte hun dochter en zijn vriendin met messteken om het leven trachtte te brengen. Daar komt bij dat verdachte de privacy van het gezin [achternaam] ernstig heeft geschonden, door hen in hun eigen woning, wat een veilige plek had moeten zijn, heeft aangevallen.

D.

Verdachte heeft ter observatie verbleven in het Pieter Baan Centrum te Utrecht. Aldaar heeft hij, naar eigen zeggen op advies van zijn advocaat, iedere medewerking aan een multidisciplinair onderzoek geweigerd. Verdachte is daarin zeer volhardend geweest.

Gelet op de weigerachtige houding van verdachte heeft het hof bij de straftoemeting en bij het opleggen van na te melden maatregel gelet op de inhoud van de navolgende in 2005 opgestelde rapportages die zich in het dossier bevinden en die in het kader van een eerder strafzaak omtrent de persoonlijkheid van verdachte zijn uitgebracht, aan welke onderzoeken verdachte wel zijn medewerking heeft verleend:

- het op 15 januari 2005 opgemaakte psychiatrisch rapport van G.A.H. Bonroy, kinder- en jeugdpsychiater en vast gerechtelijk deskundige, welk rapport -onder meer- inhoudt:

als conclusie en advies van de rapporteur:

“Betrokkene heeft een cognitieve ontwikkeling in het grensniveau van licht mentaal gehandicaptheid en ernstige zwakbegaafdheid. Hij vertoont een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit (ADHD) en gezien zijn gedragingen is er sprake van een gedragsstoornis. Het risico van het ontwikkelen van een antisociale persoonlijkheidsstoornis is zeker aanwezig. Zowel de gebrekkige cognitieve ontwikkeling als de ADHD-stoornis en de narcistische – egocentrische persoonlijkheidsstructuur, die aan de basis ligt van de gedragsstoornis, maken dat betrokkene in zijn gedragingen c.q. gedragskeuzes beperkt is. De impulsiviteit (eerder doen dan denken), de krenkingsfactor, eigen aan zijn persoonlijkheidsstructuur maken dat agressie en grensoverschrijdend gedrag ten overstaan van de integriteit van de medemens, eerder naar voren komt dan bij de gemiddelde leeftijdsgenoot het geval zou zijn. er is dan ook sprake van een beperking in zijn wilsvrijheid en betrokkene kan als verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd. De kans op recidive lijkt uitermate groot.

Een voldoende langdurig gestructureerde orthopedagogische benadering (…) kan de mogelijkheid bieden voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van betrokkene. Andere minder omvattende hulpverlening zal onvoldoende effectief blijken. Een voorwaardelijke plaatsing en ambulante hulp kunnen niet functioneel zijn tegen de achtergrond van een disfunctionerend thuismilieu. ”

- het in januari 2005 opgemaakte psychologisch rapport van drs. B.I. Meuwese, psycholoog en

vast gerechtelijk deskundige, welk rapport -onder meer- inhoudt:

“Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, namelijk een gebrekkige cognitieve ontwikkeling, een aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit, gecombineerde type en een gedragsstoornis en een in ontwikkeling zijnde anti-sociale persoonlijkheidsstoornis. Betrokkene beschikt over intellectuele vaardigheden die op het randje zitten tussen zwakbegaafdheid en licht verstandelijk gehandicapt. Vanwege zijn gebrekkige ontwikkeling is het voor betrokkene erg moeilijk om zijn emoties onder controle te houden. Hij laat zich erg leiden door zijn impulsen, wat zich voornamelijk uit in agressief gedrag. Zijn lage intelligentie en de ADHD problematiek lijken alles ook versterkt te hebben. Betrokkene is erg beperkt in het vinden van oplossingsstrategieën en reageert erg primair.

Er is sprake van een dwingende beperking in de wilsvrijheid die door de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de omstandigheden wordt veroorzaakt. Betrokkene is verminderd toerekeningsvatbaar. Zonder behandeling lijkt de kans op recidive zeer hoog.

Het is van belang dat betrokkene duidelijke structuur en regelmaat krijgt. Aan deze voorwaarden lijkt niet voldaan te zijn in zijn thuissituatie. Betrokkene is gebaat bij behandeling in een bij zijn problematiek passende residentiële setting om zijn ontwikkeling zoveel mogelijk ten goede te keren en de kans op recidive te verkleinen. Betrokkene heeft een verminderd besef van zijn handelen. Gezien de ernst van het delict en de hoge kans op recidive is het van belang om in de nabije toekomst de maatschappij voor hem te beschermen.

Gezien de ernst van de problematiek van betrokkene en de beperkte draagkracht van de ouders is ambulante behandeling niet mogelijk en is residentiële behandeling geïndiceerd. Aangezien er een beperkte motivatie is bij betrokkene, is het van belang dat er een gesloten karakter zit aan de behandeling.”

Het hof verenigt zich met voornoemde conclusies en maakt deze tot de zijne.

Blijkens het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 1 maart 2007 dat omtrent verdachte is opgemaakt, heeft naast een zeer beperkte gedragsobservatie tevens dossieronderzoek plaatsgevonden. De psycholoog E.H. Ameling en psychiater F.R. Kruisdijk hebben op basis daarvan de volgende conclusie getrokken:

“Uit het dossieronderzoek blijkt dat meerdere deskundigen bij betrokkene ADHD hebben vastgesteld naast beperkte intellectuele vermogens en dat men vreesde voor een antisociale persoonlijkheidsontwikkeling vanuit een gedragsstoornis op jeugdige leeftijd. … De voorspelling voor de ontwikkeling van een antisociale persoonlijkheidsontwikkeling vanuit het reeds geconstateerde beeld van een gedragsstoornis op jeugdige leeftijd, lijkt inmiddels bewaarheid: meerdere gedragingen van betrokkene wijzen hierop.”

Het hof verenigt zich met voornoemde conclusie en maakt deze tot de zijne.

E.

Gelet op het vorenstaande, alsmede gelet op het feit dat de behandeling in het kader van de eerder opgelegde PIJ-maatregel niet tot resultaat heeft geleid, gezien het gedrag van verdachte ten tijde van de gepleegde delicten en zijn houding ter terechtzitting in hoger beroep, is het hof van oordeel dat een maatregel tot terbeschikkingstelling is geïndiceerd.

Het door verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld.

De algemene veiligheid van personen eist oplegging van de maatregel van ter beschikking stelling van de verdachte.

Het hof neemt daarbij in aanmerking de inhoud van de voornoemde rapportages die

over de persoonlijkheid van de verdachte zijn uitgebracht, alsmede de bijzondere ernst van het bewezen verklaarde.

Nu de algemene veiligheid van personen zulks eist zal het hof bevelen dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

F.

Ten aanzien van het zijdens verdachte gevoerde verweer dat in plaats van de maatregel tot terbeschikkingstelling met dwangverpleging de reeds eerder opgelegde PIJ-maatregel moet worden hervat, overweegt het hof als volgt.

Het hof acht, zoals hiervoor onder E reeds overwogen, de PIJ-maatregel minder geschikt, gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, alsmede gelet op de beperkingen die de wet aan de PIJ-maatregel verbindt.

Het hof is van oordeel dat verdachte mogelijk een langdurige behandeling behoeft. Voorts heeft het hof bij dit oordeel tevens rekening gehouden met de huidige leeftijd van verdachte.

G.

Het hof ziet geen heil in een vrijwillige behandeling van verdachte, zoals door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven. De omtrent zijn persoonlijkheid uitgebrachte rapportages zijn contra-indicatief ten opzichte van een vrijwillige behandeling en voorts heeft verdachte zich reeds eerder aan een behandeling onttrokken, door uit Den Engh te ontsnappen.

Ten tijde van deze onwettige afwezigheid heeft verdachte de onderhavige ernstige strafbare feiten gepleegd. Een behandeling in een niet gesloten setting en in een vrijwillig kader is derhalve naar het oordeel van het hof niet aan de orde.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 285, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep ten aanzien van de aan de verdachte opgelegde straf en maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor al het overige, met inbegrip van de beslissing van de eerste rechter ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. A. de Lange en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 28 september 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.