Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB4261

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-08-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
20-003546-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk opzet op doodslag in het verkeer.

Verdachte voelde zich door [slachtoffer 2] opgelicht en was daar zeer boos over. Hij wilde dit niet over zijn kant laten gaan en is de auto waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich bevonden gaan achtervolgen. Die achtervolging vond plaats met veelal zeer hoge snelheden. Tijdens die achtervolging is verdachte ten minste een maal achter op de auto van [slachtoffer 1] gereden. Daarna heeft verdachte de achtervolging voortgezet. Op enig moment hebben de beide auto’s naast elkaar gereden toen verdachte [slachtoffer 1] probeerde in te halen. Daarbij raakten de auto’s elkaar, waarbij in elk geval vast staat dat verdachte zich niet van de weg wilde laten drukken en wilde dat [slachtoffer 1] zou stoppen, koste wat kost. Verdachte heeft ook in de richting van de auto van [slachtoffer 1] gestuurd. Als gevolg van, in ieder geval direct na dit contact tussen beide auto’s is [slachtoffer 1] met zijn auto tegen een boom gebotst en is als gevolg daarvan overleden. [slachtoffer 2] heeft de botsing overleefd.

Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat als gevolg van zijn bewezen verklaarde gedragingen of mede als gevolg van zijn bewezen verklaarde gedragingen de door hem achtervolgde auto van de weg zou raken en ergens tegenaan zou rijden en de inzittenden van die auto om het leven zouden komen. Dat een en ander ook voor hemzelf een fatale afloop zou kunnen hebben, heeft verdachte klaarblijkelijk op de koop toegenomen. Verdachtes opzet is derhalve in voorwaardelijke zin gericht geweest op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Dat dit gevolg ten aanzien van [slachtoffer 2] niet is getreden, doet daaraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 283

Uitspraak

Parketnummer : 20-003546-06

Uitspraak : 27 augustus 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 22 september 2006 in de strafzaak met parketnummer 03-703041-06 tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in [detentieadres] te [plaats].

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij akte van 6 augustus 2007 is het beroep van de officier van justitie weer ingetrokken.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1,2,3,5,6,7,8,9 en 10 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geheel toegewezen. De vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot en gedeelte van EUR 1.100,-- toegewezen. De voeging duurt voor zover de vordering is toegewezen van rechtswege voort in hoger beroep.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] tot een gedeelte van EUR 1.100,-- toegewezen. De voeging duurt voor zover de vordering is toegewezen van rechtswege voort in hoger beroep.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] tot een gedeelte van EUR 165,-- toegewezen. De voeging duurt in hoger beroep van rechtswege voort voorzover de vordering is toegewezen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen voor de aan het oordeel van het hof onderworpen feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren, met aftrek van de tijd door verdachte in voorarrest doorgebracht, met oplegging van TBS met dwangverpleging, en ten aanzien van feit 1 een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaren. Met betrekking tot de onder 12 en 13 op de beslaglijst genoemde voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende zal bevelen. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof deze zal toewijzen conform de rechtbank.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en voor zover thans nog aan de orde - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 januari 2006 in de gemeente Brunssum en/of in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door een of meermalen (telkens) met dat opzet met een (zeer) hoge snelheid rijdende personenauto, gekentekend [kenteken 1], waarin hij, verdachte, als bestuurder gezeten was, een andere personenauto, gekentekend [kenteken 2], waarin genoemde [slachtoffer 1] gezeten was, op te jagen en/of op korte afstand te volgen en/of te trachten die andere personenauto in te halen en/of een of meermalen tegen die andere personenauto aan te rijden of te botsen en/of (nadat de door hem, verdachte, bestuurde auto en die andere personenauto op de Prins Hendriklaan in de gemeente Brunssum met elkaar in aanraking waren gekomen) met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto tegen die andere personenauto te drukken (door tegen te sturen), althans die andere personenauto tegen te houden (door tegen te sturen), waardoor/waarna voornoemde personenauto, gekentekend [kenteken 2], van de weg is geraakt en/of (vervolgens) tegen een boom is gebotst waardoor voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 28 januari 2006 in de gemeente Brunssum en/of in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, gekentekend [kenteken 1], daarmede rijdende over (onder meer) de weg(en), de N299 en/of de Rimburgerweg en/of de Rembrandtstraat en/of de Akerstraat en/of het Bodemplein en/of de Prins Hendriklaan, zich zodanig heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer 1], werd gedood, welke bovenbedoelde gedraging(en) roekeloos, althans zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend was/waren en hieruit heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, als bestuurder van die personenauto, gekentekend [kenteken 1], toen en aldaar met (zeer) hoge snelheid een andere personenauto, gekentekend [kenteken 2], waarin genoemde [slachtoffer 1] gezeten was, heeft opgejaagd en/of op korte afstand heeft gevolgd en/of heeft getracht die andere personenauto in te halen en/of een of meermalen tegen die andere personenauto is aangereden of gebotst en/of (nadat de door hem, verdachte, bestuurde personenauto en die andere personenauto op de Prins Hendriklaan in de gemeente Brunssum met elkaar in aanraking waren gekomen) met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto tegen die andere personenauto heeft gedrukt (door tegen te sturen), althans die andere personenauto heeft tegengehouden (door tegen te sturen), waardoor/waarna voornoemde personenauto, gekentekend [kenteken 2], van de rijbaan van de Prins Hendriklaan is geraakt en tegen een boom is gebotst, terwijl het feit is veroorzaakt of mede is veroorzaakt doordat hij, verdachte, de geldende maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

2.

hij op of omstreeks 28 januari 2006 in de gemeente Brunssum en/of in de gemeente Landgraaf, in elk geval in het arrondissement Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, een of meermalen (telkens) met dat opzet met een (zeer) hoge snelheid rijdende personenauto, gekentekend [kenteken 1], waarin hij, verdachte, als bestuurder gezeten was, een andere personenauto, gekentekend [kenteken 2], waarin genoemde [slachtoffer 2] gezeten was, heeft opgejaagd en/of op korte afstand heeft gevolgd en/of heeft getracht die andere personenauto in te halen en/of een of meermalen tegen die andere personenauto is aangereden of gebotst en/of (nadat de door hem, verdachte, bestuurde auto en die andere personenauto op de Prins Hendriklaan in de gemeente Brunssum met elkaar in aanraking waren gekomen) met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto tegen die andere personenauto heeft gedrukt (door tegen te sturen), althans die andere personenauto heeft tegengehouden (door tegen te sturen), waardoor/waarna voornoemde personenauto, gekentekend [kenteken 2], van de weg is geraakt en/of (vervolgens) tegen een boom is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 28 januari 2006 in de gemeente Kessel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [benadeelde partij 1], brigadier van politie, van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto,

is ingereden op die op korte afstand van die personenauto zich bevindende [benadeelde partij 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 28 januari 2006 in de gemeente Kessel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1], brigadier van politie, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, is ingereden op die op korte afstand van die personenauto zich bevindende [benadeelde partij 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op of omstreeks 23 januari 2006 in de gemeente Gennep met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Nissan,

type Sunny, gekentekend [kenteken 1]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

6.

hij op of omstreeks 23 januari 2006 in de gemeente Gennep met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 200 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

7.

hij op of omstreeks 23 januari 2006, in elk geval in de maand januari 2006, in de gemeente Gennep, in elk geval in Nederland, een overschrijvingsformulier, ten name van [benadeelde partij 3], - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte dat formulier valselijk ondertekend, als zijnde de handtekening van voornoemde [benadeelde partij 3], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

8.

hij op of omstreeks 06 juli 2005 in de gemeente Brunssum opzettelijk een personenauto (merk Opel, type Corsa, gekentekend [kenteken 3]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk goed verdachte als vervangende personenauto onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

9.

hij op of omstreeks 23 mei 2005 in de gemeente Heerlen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (merk Mitsubishi, type Lancer), gekentekend [kenteken 4]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair

hij op of omstreeks 23 mei 2005 in de gemeente Heerlen opzettelijk een personenauto (merk Mitsubishi, type Lancer, gekentekend [kenteken 4]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk goed verdachte voor het maken van een proefrit onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

10.

hij op of omstreeks 02 juli 2005 in de gemeente Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid brandstof, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [tankstation], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 primair ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke vorm, om [benadeelde partij 1] van het leven te beroven.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de bewijsmiddelen blijkt het navolgende:

Verdachte bevond zich aan de bestuurderszijde in een stilstaande auto, waarvan de motor draaide. Aan de bestuurderszijde was het zijraam voor een gedeelte open. De verbalisanten [naam verbalisant] en [benadeelde partij 1] stapten uit hun dienstvoertuig en benaderden het voertuig met verdachte erin. Verbalisant [naam verbalisant] gaf de bestuurder te kennen dat hij van de politie was. Verbalisant [benadeelde partij 1] bevond zich op dat moment vóór het voertuig van verdachte. Verdachte gaf plots gas, zodat de motor van zijn voertuig flink toeren maakte. Om de aandacht van verdachte te trekken, gaf verbalisant [benadeelde partij 1] een klap op de motorkap. Hij bevond zich op dat moment op een afstand van ongeveer een halve meter van het voertuig, tussen het midden van het voertuig en de linkerkoplamp in. Verdachte hoorde iemand zeggen “Doe dat raampje omlaag” en zag iemand naast de auto. Hij heeft meteen gas gegeven en is met oogkleppen gaan rijden. Verbalisant [benadeelde partij 1] zag in een flits het voertuig op zich afkomen en kon nog net opzij springen.

Naar het oordeel van het hof is naar algemene ervaringsregels de kans dat iemand op wie op een wijze als bovenomschreven met een auto wordt ingereden, om het leven komt niet aanmerkelijk. Weliswaar is de kans aanmerkelijk geweest dat [benadeelde partij 1] door de auto zou worden geraakt, maar de afstand tussen [benadeelde partij 1] en de auto was zo gering, dat de auto, toen die [benadeelde partij 1] bereikte, geen hoge snelheid kan hebben gehad.

Daarom zal het hof verdachte vrijspreken van het onder 3 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, onder 2, onder 3 subsidiair, onder 5, onder 6, onder 7, onder 8, onder 9 primair en onder 10 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 28 januari 2006 in de gemeente Brunssum opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet met een (zeer) hoge snelheid rijdende personenauto, gekentekend [kenteken 1], waarin hij, verdachte, als bestuurder gezeten was, een andere personenauto, gekentekend [kenteken 2], waarin genoemde [slachtoffer 1] gezeten was, op te jagen en te trachten die andere personenauto in te halen, en tegen die andere personenauto aan te rijden of te botsen en nadat de door hem, verdachte, bestuurde auto en die andere personenauto op de Prins Hendriklaan in de gemeente Brunssum met elkaar in aanraking waren gekomen met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto tegen die andere personenauto te drukken door tegen te sturen, althans die andere personenauto tegen te houden door tegen te sturen, waarna voornoemde personenauto, gekentekend [kenteken 2], van de weg is geraakt en vervolgens tegen een boom is gebotst waardoor voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.

hij op 28 januari 2006 in de gemeente Brunssum ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven met dat opzet met een (zeer) hoge snelheid rijdende personenauto, gekentekend [kenteken 1], waarin hij, verdachte, als bestuurder gezeten was, een andere personenauto, gekentekend [kenteken2], waarin genoemde [slachtoffer 2] gezeten was, heeft opgejaagd en heeft getracht die andere personenauto in te halen en tegen die andere personenauto is aangereden of gebotst en nadat de door hem, verdachte, bestuurde auto en die andere personenauto op de Prins Hendriklaan in de gemeente Brunssum met elkaar in aanraking waren gekomen met de door hem, verdachte, bestuurde personenauto tegen die andere personenauto heeft gedrukt door tegen te sturen, althans die andere personenauto heeft tegengehouden door tegen te sturen, waarna voornoemde personenauto, gekentekend [kenteken 2], van de weg is geraakt en vervolgens tegen een boom is gebotst, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 28 januari 2006 in de gemeente Kessel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij 1], brigadier van politie, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, is ingereden op die op korte afstand van die personenauto zich bevindende [benadeelde partij 1], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op 23 januari 2006 in de gemeente Gennep met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, merk Nissan, type Sunny, gekentekend [kenteken 1], toebehorende aan [benadeelde partij 3], waarbij verdachte die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

6.

hij op 23 januari 2006 in de gemeente Gennep met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, toebehorende aan [benadeelde partij 3];

7.

hij op 23 januari 2006 in de gemeente Gennep een overschrijvingsformulier, ten name van [benadeelde partij 3], - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte dat formulier valselijk ondertekend, als zijnde de handtekening van voornoemde [benadeelde partij 3], zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;

8.

hij op 06 juli 2005 in de gemeente Brunssum opzettelijk een personenauto, merk Opel, type Corsa, gekentekend [kenteken 3], toebehorende aan [benadeelde partij 2], welk goed verdachte als vervangende personenauto onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

9.

hij op 23 mei 2005 in de gemeente Heerlen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto, merk Mitsubishi, type Lancer, gekentekend DT-ZZ-15, toebehorende aan H.G.R. Tholen;

10.

hij op 02 juli 2005 in de gemeente Arnhem met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid brandstof, toebehorende aan [tankstation];

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Nadere overweging omtrent het bewijs

Met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De raadsman heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en van het onder 2 ten laste gelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte geen opzet had, ook niet in voorwaardelijke vorm, om [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]van het leven te beroven.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de verklaringen van verdachte en van [slachtoffer 2] en uit de resultaten van het technisch onderzoek blijkt het volgende.

I. Verdachte had met [slachtoffer 2] een afspraak gemaakt om seks met hem te hebben. Dat zou plaatsvinden op een plaats waar een man ([slachtoffer 1]) haar in een auto naar toe zou brengen. Verdachte had aan [slachtoffer 2] al vooruit geld gegeven.

II. Verdachte had via [slachtoffer 2] cocaïne gekocht, die van slechte kwaliteit was.

III. Verdachte reed in zijn auto, een rode Nissan, achter de auto van [slachtoffer 1], een witte Toyota, aan.

IV. Op enig moment bemerkte verdachte dat [slachtoffer 1] zijn snelheid vermeerderde en hij kreeg de indruk dat [slachtoffer 1] er tussenuit wilde gaan. Verdachte heeft [slachtoffer 1] achtervolgd, waarbij snelheden tot 170 km/u werden gereden.

V. Verdachte was tijdens de rit ontzettend kwaad ; hij voelde zich opgelicht. Hij wilde [slachtoffer 1] tot stoppen dwingen, want hij wilde zijn geld terug hebben en [slachtoffer 2] aanspreken waarom ze hem “zo’n rotzooi” had verkocht. Hij wilde de auto van [slachtoffer 1] tot stoppen dwingen, koste wat kost.

VI. Op de Rembrandtstraat te Brunssum reed verdachte achter tegen de auto van [slachtoffer 1] aan. Verdachte heeft dat bemerkt; hij zag dat er stukjes van de auto van [slachtoffer 1] afvlogen.

VII. Op enig moment, na een kilometerlange achtervolging, ging verdachte op de Prins Hendriklaan te Brunsum links naast [slachtoffer 1] rijden; er werd toen 100 tot 120 km/u gereden.

VIII. [slachtoffer 1] kwam met zijn auto naar links in de richting van verdachte; verdachte stuurde op zijn beurt in de richting van [slachtoffer 1]. , Verdachte verklaart dat hij zich niet van de weg laat drukken, want [slachtoffer 1] was er mee begonnen. De auto’s raakten elkaar. Verdachte bleef tegen de auto van [slachtoffer 1] aanrijden, omdat hij wilde dat [slachtoffer 1] zou stoppen. ,

IX. De auto van [slachtoffer 1] kwam vervolgens op een grasveld terecht en kwam tegen een boom tot stilstand.

X. [slachtoffer 1] is als gevolg van deze botsing tegen de boom overleden ; [slachtoffer 2] heeft de botsing overleefd.

Uit het vorenstaande leidt het hof het volgende af.

Verdachte voelde zich door [slachtoffer 2] opgelicht en was daar zeer boos over. Hij wilde dit niet over zijn kant laten gaan en is de auto waarin [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zich bevonden gaan achtervolgen. Die achtervolging vond plaats met veelal zeer hoge snelheden. Tijdens die achtervolging is verdachte ten minste een maal achter op de auto van [slachtoffer 1] gereden. Daarna heeft verdachte de achtervolging voortgezet. Op enig moment hebben de beide auto’s naast elkaar gereden toen verdachte [slachtoffer 1] probeerde in te halen. Daarbij raakten de auto’s elkaar, waarbij in elk geval vast staat dat verdachte zich niet van de weg wilde laten drukken en wilde dat [slachtoffer 1] zou stoppen, koste wat kost. Verdachte heeft ook in de richting van de auto van [slachtoffer 1] gestuurd. Als gevolg van, in ieder geval direct na dit contact tussen beide auto’s is [slachtoffer 1] met zijn auto tegen een boom gebotst en is als gevolg daarvan overleden. [slachtoffer 2] heeft de botsing overleefd.

Het hof is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het verdachtes bedoeling was om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven. Echter, met de rechtbank is het hof van oordeel dat naar algemene ervaringsregels de kans aanmerkelijk is dat de bestuurder van een personenauto die op een wijze zoals in dit geval door een andere personenauto wordt achtervolgd en opgejaagd, van de weg af raakt en ergens tegen aan rijdt. Tevens is de kans aanmerkelijk dat de inzittenden van een dergelijke personenauto daarbij het leven verliezen.

Elk weldenkend mens kan zich dit realiseren. Van omstandigheden waarom dit in casu voor verdachte niet zou gelden, is niet gebleken.

De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het in het bewezen verklaarde onder 1 primair en 2 omschreven gevolg, te weten de dood van respectievelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard. Daarop wijst ook de wijze waarop en de hardnekkigheid waarmee verdachte de auto waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten bleef achtervolgen en het motief van zijn achtervolging: hij wilde het niet op zich laten zitten dat hij – naar zijn idee – was opgelicht. Verdachte wilde [slachtoffer 1] tot stoppen dwingen, koste wat kost.

Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat als gevolg van zijn bewezen verklaarde gedragingen of mede als gevolg van zijn bewezen verklaarde gedragingen de door hem achtervolgde auto van de weg zou raken en ergens tegenaan zou rijden en de inzittenden van die auto om het leven zouden komen. Dat een en ander ook voor hemzelf een fatale afloop zou kunnen hebben, heeft verdachte klaarblijkelijk op de koop toegenomen. Verdachtes opzet is derhalve in voorwaardelijke zin gericht geweest op de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Dat dit gevolg ten aanzien van [slachtoffer 2] niet is getreden, doet daaraan niet af.

Het verweer wordt verworpen.

Met betrekking tot het onder 3, subsidiair ten laste gelegde

De raadsman heeft in het verlengde van zijn betoog met betrekking tot het onder 3 primair ten laste gelegde, bepleit dat verdachte ook voor het onder 3 subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu ook ten aanzien van dat feit het opzet, ook in voorwaardelijke vorm, ontbrak.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor de relevante feitenvaststelling verwijst het hof naar hetgeen daaromtrent hiervoor met betrekking tot de vrijspraak van het onder 3 primair ten laste gelegde is vermeld. Op grond van deze feitenvaststelling acht het hof het risico aanmerkelijk dat [benadeelde partij 1] door de auto zou worden geraakt en als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Ware [benadeelde partij 1] geraakt dan had daardoor op zichzelf al zwaar lichamelijk letsel kunnen ontstaan en in elk geval was het risico aanwezig dat [benadeelde partij 1] ten val zou komen, onder de auto terecht zou komen en daarbij zwaar lichamelijk letsel zou bekomen. Elk weldenkend mens kan zich dit realiseren. Van omstandigheden waarom dit in casu voor verdachte niet zou gelden, is niet gebleken.

De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het in het bewezen verklaarde onder 3 subsidiair omschreven gevolg, te weten zwaar lichamelijk letsel bij [benadeelde partij 1], dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan in casu niet is gebleken – niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg heeft aanvaard.

Verdachte moet – gelet op de feitelijke omstandigheden – zich ervan bewust zijn geweest dat zijn manoeuvre grote risico’s met zich bracht voor degenen die zich vlak bij zijn auto bevonden.

Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [benadeelde partij 1] als gevolg van zijn bewezen verklaarde gedragingen zwaar lichamelijk letsel zou bekomen en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin gericht geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [benadeelde partij 1]. Dat dit gevolg in het onderhavige geval niet is getreden, doet daaraan niet af.

Het verweer wordt dan ook verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1, primair, is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 45 (oud) van dat Wetboek.

Het bewezen verklaarde onder 3, subsidiair, is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 45 (oud) van dat Wetboek.

Het bewezen verklaarde onder 5 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 311, eerste lid, aanhef en onder 5, van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 310 van dat Wetboek.

Het bewezen verklaarde onder 6 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 7 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 8 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 9, primair, is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 10 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Verdachte heeft zich op 28 januari 2006 schuldig gemaakt aan doodslag, poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. In de periode van mei 2005 tot en met januari 2006 heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vier diefstallen, waarvan één door middel van een valse sleutel, een verduistering en valsheid in geschrifte.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin met name het bewezen verklaarde onder 1 en 2 persoonlijk leed teweeg heeft gebracht;

- de maatschappelijke onrust die het gevolg is van feiten als onder 1, 2 en 3 bewezen verklaard;

- de omstandigheid dat verdachte reeds eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten en tevens bij herhaling voor geweldsdelicten;

- de omstandigheid dat verdachte blijkens zijn uitlatingen ter zitting van het hof het kwalijke van zijn handelen met betrekking tot met name de feiten 1 en 2 niet lijkt in te zien; verdachte wekt zelfs de indruk van mening te zijn dat hij in zijn recht stond.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte in relatie tot de feiten 1 en 2 heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen de inhoud van:

1. het de verdachte betreffend rapport van 4 augustus 2006, opgemaakt door dr. C. Dillen, forensisch psychiater, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Zowel uit de anamnestische als uit de observatieve gegevens blijkt dat onderzochte lijdt aan een persoonlijkheidsstoornis met overwegend borderline en antisociale kenmerken met daarnaast narcistische elementen. Ook is er een cocaïne afhankelijkheid. Hierdoor staat verdachte impulsief in het leven, handelt hij naar de drang van het moment en staat hij niet stil bij gevolgen op middellange of lange termijn. Verdachte heeft een levensstijl die is gericht op onmiddellijke behoeftebevrediging en heeft weinig tot geen empathie en de eigen wensen en verlangens primeren op die van anderen. Ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten waren deze stoornissen aanwezig en werd verdachtes gedrag erdoor gestuurd. De feiten zijn een gevolg van overwegend de persoonlijkheidsstoornis, waarbij verdachte impulsief en hoofdzakelijk met agressie gaat reageren tegen personen tegen door wie hij zich benadeeld of bedreigd voelt. De kans op recidive is zeer groot. De persoonlijkheidsstoornis gaat aanzetten tot impulsief handelen, en het middelenmisbruik verlaagt remmingen. Het gebrek aan duidelijke en stabiele sociale en relationele omkadering, het nastreven van onmiddellijke behoeftebevrediging en het gebrek aan frustratietolerantie maakt een cocktail die als vrij explosief kan worden omschreven. De ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens van verdachte beïnvloedde zijn gedragingen ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. Er is sprake van verminderde toerekeningsvatbaarheid. De kans op recidive is relatief groot in te schatten. Behandeling op een dubbeldiagnose afdeling met forensische ervaring is noodzakelijk. Verdachte heeft in het verleden al zijn voorwaarden geschonden en is tijdens zijn TBS gevlucht. De combinatie van de ernst van de persoonlijkheidsstoornis, alsook het grote recidive risico, rechtvaardigt toepassing van TBS met dwangverpleging.

2. het de verdachte betreffend rapport van 12 juni 2007, opgemaakt door P.M.F. Brookhuis, GZ psychologe, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – :

Bij verdachte is sprake van misbruik van middelen, gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke, narcistische en borderline kernmerken. De gewetensfunctie is gebrekkig. Ten tijde van het plegen van de strafbare feiten was sprake van deze stoornissen. Verdachte kan geneigd zijn tot vergeldend en/of spanningszoekend gedrag, met als gevolg dat hij uitgaande van eigen normen en waarden tot grensoverschrijdend gedrag komen. Verdachte kan onvoldoende controle houden over zijn gedrag en handelt impulsief. Verdachte moet verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. Factoren die van invloed kunnen zijn op de kans op recidive zijn de afhankelijke instabiele borderline kenmerken in de persoonlijkheid, de narcistische krenkbaarheid, de impulsiviteit, en het spanning- en prikkelzoekend gedrag, het niet kunnen uitstellen van deze behoefte en misbruik van middelen. Deze factoren hebben mede geleid tot het advies aan verdachte TBS met dwangverpleging op te leggen, omdat ze tot recidivegedrag kunnen leiden, wat een groot risico voor de samenleving kan betekenen.

Het hof verenigt zich met voornoemde conclusies met betrekking tot de verminderde toerekeningsvatbaarheid maakt deze tot de zijne.

Het hof is met de deskundigen van oordeel dat terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk is. De onder 1, primair en onder 2 bewezenverklaarde feiten zijn misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld. Deze feiten zijn door verdachte begaan vanuit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De algemene veiligheid van personen eist de oplegging van de maatregel van ter beschikking stelling van de verdachte, alsmede dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen.

Nu verdachte het bewezenverklaarde onder 1 primair heeft gepleegd met een motorrijtuig dat hij ten tijde van het feit bestuurde, ziet het hof aanleiding om verdachte tevens een ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de hierna te vermelden duur.

De vorderingen benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregelen

Met betrekking tot de benadeelde partij [benadeelde partij 1].

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 200,--. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Met betrekking tot de benadeelde partij [benadeelde partij 3].

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.700,--. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR.1.100,--. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De vordering duurt voor zover zij is toegewezen van rechtswege voort in hoger beroep.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Met betrekking tot de benadeelde partij [benadeelde partij 2].

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR. 1.156,25. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,--. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Met betrekking tot de benadeelde partij [benadeelde partij 4].

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1065,--. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 165,--.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 4] als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof ziet aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Bijkomende beslissingen

Ten aanzien van de in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen kan geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. Het hof zal daarom de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 60a, 63, 287, 302, 310, 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 3, primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2, 3 subsidiair, 5, 6, 7, 8, 9 primair en 10 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.

Doodslag.

2.

Poging tot doodslag.

3.

Poging tot zware mishandeling.

5.

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

6.

Diefstal.

7.

Valsheid in geschrift.

8.

Verduistering.

9.

Diefstal.

10.

Diefstal.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Met betrekking tot het onder 1 , 2 en 3 bewezen verklaarde:

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd.

Ten aanzien van feit 1 primair

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaren .

De aan [benadeelde partij 1] toegebrachte schade

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 200,00 (tweehonderd euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde partij 1], wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De aan [benadeelde partij 3] toegebrachte schade

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 1.100,00 (duizend honderd euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde partij 3] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde partij 3], wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van

EUR 1.100,00 (duizend honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De aan [benadeelde partij 2] toegebrachte schade

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 150,00 (honderdvijftig euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde partij 2], wonende aan de [adres], [postcode] in [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 150,00 (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De aan [benadeelde partij 4] toegebrachte schade

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 165,00 (honderdvijfenzestig euro).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde partij 4] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde partij 4], wonende te [adres], [postcode] in [woonplaats], aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 165,00 (honderdvijfenzestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 3 (drie) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

een DVD-speler, merk Provision, type Dvx4350pr en antivries.

Aldus gewezen door

mr. W. van Nierop, voorzitter,

mr. J.A. van Zon en mr. G.TH.C. van der Bilt,

in tegenwoordigheid van mr. L. Soeteman, griffier,

en op 27 augustus 2007 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. G.TH.C. van der Bilt is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.