Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB3970

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
20-09-2007
Zaaknummer
KGC 200601097 & KGC 200601345 (gevoegd)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Werkgever stelt dat werknemer in strijd heeft gehandeld met het (in overleg met werkgever beperkte) concurrentiebeding door o.a. werkzaamheden te verrichten voor concurrerende ondernemingen en door personeelsleden van werkgever in dienst te nemen of hen (onrechtmatig) te benaderen.

Werkgever heeft zijn stellingen onvoldoende feitelijk onderbouwd. Reeds daarom falen de grieven.

Summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de door werkgever jegens werknemer ingestelde vorderingen. Het wordt hoogst onwaarschijnlijk geacht dat de bodemrechter de door werkgever verlangde inzage in c.q. afgifte van (afschriften of uittreksels van) de in beslaggenomen bescheiden zal toestaan. Het bewijsbeslag moet daarom worden opgeheven.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 843a, geldigheid: 2007-08-21
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 730, geldigheid: 2007-08-21
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 705, geldigheid: 2007-08-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnrs. KG C0601097/HE en KG C0601345/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 21 augustus 2007,

gewezen in de zaak, bekend onder rolnr. KGC0601097, van:

NEDI-TRADE CLADDING SYSTEMS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 25 juli 2006,

procureur: mr. M.J.M. Jansen-van Beek,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. N.C.A. Elias-Boots,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 14 juli 2006 tussen appellante – Nedi-Trade - als eiseres in conventie, en geïntimeerde - [X.] - als gedaagde in conventie,

en in de gevoegde zaak, bekend onder rolnr. KGC0601345, van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding

van 16 oktober 2006,

procureur: mr. N.C.A. Elias-Boots,

tegen:

NEDI-TRADE CLADDING SYSTEMS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. M.J.M. Jansen-van Beek,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 25 september 2006 tussen appellant – [X.] - als eiser in reconventie, en geïntimeerde – Nedi-Trade - als verweerster in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg in conventie en in reconventie (zaaknr./rolnr. 143937/KG ZA 06-407)

Voor het geding in eerste aanleg in conventie en in reconventie verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het herstelvonnis van 17 oktober 2006.

2. Het geding in hoger beroep

In de zaak KGC0601097

2.1. Bij memorie van grieven, voorzien van producties, heeft Nedi-Trade vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis van 14 juli 2006 en tot toewijzing van de door haar in prima ingestelde vorderingen, met veroordeling van [X.] in de kosten van beide instanties, waaronder de nakosten procureur en met renteveroordeling ingeval niet binnen acht dagen na de betekening van het te dezen te wijzen arrest door [X.] is voldaan.

2.2. Bij memorie van antwoord, eveneens voorzien van producties, heeft [X.] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

In de zaak KGC0601345

2.4. Bij voormeld exploot van 16 oktober 2006 heeft [X.] zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis van 25 september 2006 en tot opheffing van het bewijsbeslag, met veroordeling van Nedi-Trade in de kosten van de procedure in eerste en tweede aanleg.

2.5. Bij incidentele memorie tot voeging heeft Nedi-Trade voeging gevorderd van de onderhavige zaak (KGC0601345) met het bij dit hof aanhangige geding tussen [X.] en Nedi-Trade, geregistreerd onder rolnummer KGC0601097, op de grond – kort weergegeven – dat het gaat om zaken die tegelijk tussen dezelfde partijen en over hetzelfde onderwerp aanhangig zijn.

[X.] heeft geantwoord in het incident en daarbij aangegeven om proceseconomische redenen geen bezwaar tegen voeging van de zaken te hebben.

Bij arrest van 20 februari 2007 heeft het hof de voeging van de zaak KGC 0601345 met de bij dit hof aanhangige zaak met rolnummer KGC 0601097 bevolen. De beslissing over de proceskosten van dit incident is aangehouden tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

2.6. Bij memorie van antwoord, voorzien van producties, heeft Nedi-Trade de grieven bestreden.

2.7. Nadat [X.] een nadere akte onder overlegging van een productie had genomen, heeft Nedi-Trade een antwoordakte genomen.

2.8. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

In de zaken KGC0601097 en KGC0601345

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar voormelde memorie van grieven van Nedi-Trade respectievelijk genoemde appeldagvaarding van [X.].

4. De beoordeling

In de zaken KGC0601097 en KGC0601345

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Nedi-Trade houdt zich (volgens haar registratie bij de Kamer van Koophandel) bezig met de handel in gevel- en dakelementen, de productie en/of coating van deze elementen en de montage daarvan.

4.1.2. [X.] is op 16 januari 1995 voor onbepaalde tijd bij Nedi-Trade in dienst getreden in de functie “calculator/tekenaar werkvoorbereider”.

4.1.3. Op 25 juni 1996 hebben partijen een gewijzigde arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd gesloten op grond waarvan [X.] bij Nedi-Trade met ingang van 1 juli 1996 werkzaam was in de functie “technisch commercieel medewerker”.

4.1.4.1. In een tussen partijen gesloten aanvullende overeenkomst van 25 juni 1996, behorende bij de onder 4.1.3. genoemde overeenkomst, is het volgende concurrentiebeding opgenomen:

“Artikel 1

Het is werknemer verboden zonder schriftelijke toestemming van werkgeefster binnen een periode van 12 maanden na beëindiging van de dienstbetrekking direkt of indirekt diensten te verlenen c.q. werkzaamheden te verrichten die gelijk, soortgelijk of nauwverwant zijn aan die van de werkgeefster, ongeacht of er sprake is van een vergoeding.

De bepaling heeft betrekking op het geografisch gebied: Benelux”.

4.1.4.2. In de onder 4.1.3. genoemde arbeidsovereenkomst van 15 juni 1996 is onder meer bepaald:

“ Artikel 11

(…)

Sub 2

Het is werknemer verboden, hetzij gedurende de dienstbetrekking hetzij na beëindiging daarvan, op enigerlei wijze aan derden direkt of indirekt, in welke vorm dan ook, enige mededeling te doen van of aangaande enige bijzonderheden betreffende het bedrijf van werkgeefster, alsmede omtrent alle door derden aan werkgeefster toevertrouwde aangelegenheden in welke vorm dan ook, ongeacht de wijze waarop deze werknemer ter kennis zijn gekomen.

Sub 3

Het is werknemer verboden tijdens de dienstbetrekking in enigerlei vorm werkzaam te zijn voor een andere werkgever of opdrachtgever, danwel direkt of indirekt als ook financieel in welke vorm dan ook bij een ander bedrijf betrokken te zijn, dan wel zaken te doen voor eigen rekening.”

4.1.5. Sedert januari 1999 was [X.] bij Nedi-Trade werkzaam in de functie ”hoofd calculatie en verkoop”.

4.1.6. In juni 2005 heeft [X.] aan de directeur van Nedi-Trade medegedeeld dat hij in dienst wilde treden bij een andere werkgever. De directeur van Nedi-Trade heeft aan [X.] gezegd dat hij daarmee niet kon instemmen en dat hij [X.] niet zou ontheffen uit zijn concurrentiebeding. Nader overleg daarover heeft ertoe geleid dat het dienstverband tussen [X.] en Nedi-Trade is voortgezet.

4.1.7. Op 21 februari 2006 heeft [X.] de arbeidsovereenkomst met Nedi-Trade mondeling opgezegd tegen 1 april 2006. Bij brief van 22 februari 2006 heeft [X.] deze opzegging schriftelijk bevestigd.

4.1.8. [X.] heeft per 1 maart 2006 een eenmanszaak onder de naam “Walro advies en handelmaatschappij” opgericht. De bedrijfsomschrijving in het handelsregister luidt: “advies betreffende dak en gevelproducten en de verkoop daarvan.”

4.1.9. Nedi-Trade heeft bij brief van haar raadsman van 11 mei 2006 [X.] onder meer gesommmeerd om zijn handelen in strijd met het concurrentiebeding te staken.

4.1.10. Nedi-Trade heeft op 6 juli 2006 ten laste van [X.] beslag ex artikel 843a Rv doen leggen op computer-bestanden van [X.], alsmede conservatoir derdenbeslag onder de Rabobank.

4.1.11. Nedi-Trade heeft [X.] op 22 juni 2006 in kort geding gedagvaard tegenover de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Hertogenbosch en gevorderd (voor zover thans in hoger beroep van belang) [X.] te verbieden om binnen de Benelux op enigerlei wijze werkzaam te zijn in de handel in en de productie of montage van gevel- en dakelementen en voorts [X.] te verbieden om zonder uitdrukkelijke en schriftelijke toestemming van Nedi-Trade enig personeelslid van Nedi-Trade in dienst te nemen of te benaderen, alles op straffe van verbeurte van dwangsommen.

4.1.12. In voormelde procedure in kort geding heeft [X.] verweer gevoerd. Bij die gelegenheid heeft hij een eis in reconventie ingesteld, strekkende tot, kort gezegd, opheffing van de onder 4.1.10. bedoelde beslagen.

4.1.13. Nadat partijen over en weer verweer hadden gevoerd, heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 14 juli 2006 de vorderingen van Nedi-Trade in conventie afgewezen en de beslissing in reconventie aangehouden.

4.1.14. Nadat de behandeling van het kort geding in reconventie was voortgezet, heeft de voorzieningenrechter bij vonnis van 25 september 2006 in reconventie als volgt beslist:

“4.1. heft op het op 6 juli 2006 ten laste van Nedi-Trade onder de coöperatie Coöperatieve Rabobank Helmond U.A. gelegde derdenbeslag,

(…)”.

4.1.15. Bij herstelvonnis van 17 oktober 2006 heeft de voorzieningenrechter op verzoek van de procureur van [X.] laatstgenoemd vonnis verbeterd in die zin dat de onder 4.1. gegeven beslissing wordt gewijzigd in:

“heft op het op 6 juli 2006 ten laste van [X.] onder de coöperatie de Coöperatieve Rabobank Helmond U.A. gelegde derdenbeslag.”

De vordering tot opheffing van het beslag ex artikel 843a Rv is door de voorzieningenrechter afgewezen.

In de zaak KGC0601097

4.2. Naar het oordeel van het hof heeft Nedi-Trade, mede gelet op de aard van haar vorderingen, een spoedeisend belang bij die vorderingen, voor zover deze vorderingen niet zijn gebaseerd op (overtreding van) het concurrentiebeding. De spoedeisendheid is overigens niet betwist.

Met betrekking tot het concurrentiebeding verdient opmerking dat de geldigheidsduur van dit beding (te weten 12 maanden na beëindiging van de dienstbetrekking) inmiddels, namelijk op 1 april 2007, is verstrekken. Nedi-Trade heeft daarom geen belang meer bij het door haar in hoger beroep gevorderde concurrentieverbod, voor zover dit op (overtreding van) het concurrentiebeding is gebaseerd. Wel vormt de veroordeling van Nedi-Trade in de proceskosten in eerste aanleg in conventie een belang in hoger beroep dat vergt dat het hof zich over de materiële kwesties (dus ook ten aanzien van de vorderingen die verband houden met het concurrentiebeding) buigt en oordeelt over de beslissing(en) op de vorderingen in eerste aanleg in conventie (vergelijk HR 14 januari 2000, NJ 2000, 188).

4.2.1. Uit de door Nedi-Trade geformuleerde grieven volgt onder meer, samengevat, dat Nedi-Trade tegen het beroepen vonnis van 14 juli 2006 opkomt, voor zover daarin de voorzieningenrechter heeft overwogen dat [X.] geen (met Nedi-Trade) concurrerende werkzaamheden heeft verricht.

4.2.2. Nedi-Trade heeft gesteld dat [X.] het concurrentiebeding heeft overtreden door werkzaam-heden te verrichten bij ondernemingen die direct concurrerend zijn met de onderneming van Nedi-Trade, te weten Eurolux Panels B.V. en Eurozinc B.V., in welke ondernemingen [Y.] (voorheen de aandeelhouder c.q. de directeur van Nedi-Trade en daarmee de feitelijk voormalig werkgever van [X.]), hierna te noemen: [Y.] een belang heeft. Ter staving van deze stelling heeft Nedi-Trade schriftelijke verklaringen van N. Mennen, P. Erven en A.P. van den Luitgaarden (producties 43, 44 respectievelijk 45) in het geding gebracht.

4.2.3. [X.] heeft gemotiveerd betwist dat hij heeft gehandeld in strijd met het concurrentiebeding. Hij heeft bovendien aangevoerd dat hij door Nedi-Trade ontheven is van zijn verplichtingen uit het concurrentiebeding, op één uitzondering na. Hij heeft ter staving van deze stelling verwezen naar de aan hem gerichte brief van de raadsman van Nedi-Trade van 25 oktober 2005 waarin is vermeld:

“(…) De directeur van uw werkgeefster, de heer Nelissen, heeft u medegedeeld dat het u vrijstaat om uit dienst te treden en in dienst te treden bij een andere onderneming, waarbij hij als enige beperking heeft aangegeven dat hij het op o.g.v. uw vigerende anti-concurrentiebeding niet zal toestaan dat u in dienst treedt van een werkgever die direct, dan wel indirect, gelieerd is aan de heer [Y.] of diens ondernemingen”.

[X.] heeft met betrekking tot zijn onder 4.1.8. genoemde eenmanszaak onder meer het volgende aangevoerd. Hij, [X.], heeft als zelfstandige onder andere de alleenvertegenwoordiging van Allpir Dämmstoffe in de Benelux, fabrikant van geïsoleerde dak- en gevelproducten. In tegenstelling tot Nedi-Trade monteert en verwerkt [X.] deze producten niet; hij is slechts leverancier van deze producten. Voorts is Walschot officieel dealer van Heuck Hartmann Aluminium, Winsol ondernemingen en Luxaflex Nederland, hetgeen (aldus [X.]) producten omvat op een markt waarop Nedi-Trade zich niet bevindt.

4.2.4. Het hof oordeelt als volgt.

4.2.5. Allereerst zal de vraag worden beantwoord of [X.] gebonden is aan het tussen partijen schriftelijk overeengekomen, onder 4.1.4.1. weergegeven concurrentiebeding.

4.2.6. In het beroepen vonnis van 14 juli 2006 overweegt de kantonrechter onder 6.2.:

“Vastgesteld wordt dat Nedi-Trade ten aanzien van [X.] zowel in de brief van haar raadsman van 25 oktober 2005 (productie 7 [X.]) alsook ter zitting heeft verklaard dat het hem, [X.], vrij staat in dienst te treden bij een (iedere) andere onderneming, met als enige beperking: niet in dienst te treden van of werkzaamheden te verrichten voor [Y.] of ondernemingen waarbij [Y.] direct of indirect betrokken is”.

Nu tegen dit onderdeel van het vonnis geen grief is gericht, is ook het hof voorshands van oordeel dat het in de arbeidsovereenkomst tussen partijen neergelegde concurrentieverbod met toestemming van Nedi-Trade is beperkt tot het verrichten van concurrerende werkzaamheden door [X.] (als werknemer of als zelfstandige) voor [Y.] of voor ondernemingen waarbij [Y.] direct of indirect betrokken is.

4.2.7. In de tweede plaats komt de vraag aan de orde of [X.] het in voormelde zin beperkte concurrentiebeding heeft overtreden.

4.2.8. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat [X.] heeft gehandeld in strijd met het (beperkte) concurrentiebeding, zoals volgt uit het onderstaande.

4.2.8.1. De stelling van Nedi-Trade dat [X.] in het jaar 2005 aan haar heeft gemeld dat hij in dienst wilde (onderstreping door hof) treden bij Eurolux Panels B.V. en Eurozinc B.V. (die voor een deel gemotiveerd is betwist door [X.]), is onvoldoende om te kunnen oordelen dat [X.] feitelijk bij deze onderneming(en) in dienst is getreden of dat [X.] bij (één van) deze vennootschappen werkzaam is (geweest).

4.2.8.2. Voor het overige zijn onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld danwel aannemelijk geworden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat [X.] werkzaamheden heeft verricht voor voornoemde twee, of andere ondernemingen waarbij [Y.] direct of indirect betrokken is.

De door Nedi-Trade overgelegde verklaringen zijn onvoldoende om de stellingen van Nedi-Trade te kunnen ondersteunen. Immers, de ongedateerde verklaring van N. Mennen (productie 43) houdt slechts in dat hij van diverse (niet nader aangeduide) mensen gehoord heeft dat [Y.] aan “onze mensen”, onder wie [Z.] en [A.], heeft gevraagd of zij bij hem komen werken. De verklaring d.d. 26 juni 2006 van P. Erven (productie 44) houdt in dat hij, in aanwezigheid van [D.], op 26 april 2006 heeft gehoord van [B.] (van Bouwbedrijf [C.] uit [vestigingsplaats]) dat hij in contact was gekomen met de heer [X.], die werkzaam was voor zijn oud werkgever de heer [Y.].

De verklaring d.d. 26 juni 2006 van [D.] (productie 45) houdt in dat [B.] op 26 april 2006 aan hem vertelde dat [X.] weer werkzaam was voor zijn oud werkgever [Y.], en dat hij weer regelmatig contact met hem had over uit te voeren werkzaamheden, zoals hij die in het verleden ook had bij Nedicom.

Genoemde personen hebben niet uit eigen wetenschap verklaard dat [X.] werkzaamheden heeft verricht voor [Y.] en/of de ondernemingen waarbij [Y.] (in)direct betrokken was.

Ondersteunende verklaringen en/of bescheiden ontbreken. Opgemerkt wordt dat Nedi-Trade geen schriftelijke verklaring van genoemde [B.] heeft overgelegd. Wel bevindt zich bij de stukken een niet-ondertekend telefax-bericht van 2 november 2006 (productie 2 bij memorie van antwoord) dat afkomstig zou zijn van [B.]. Volgens dat telefax-bericht heeft op 26 april geen verkoopgesprek plaatsgevonden, heeft hij, [B.], niet regelmatig contact gehad met [X.] en heeft hij [X.] nooit ontmoet. Ook aan dat telefax-bericht komt naar het oordeel van het hof onvoldoende betekenis toe, nu niet vaststaat dat het bericht van [B.] afkomstig is en bovendien de inhoud van dit bericht onvoldoende duidelijk is.

4.2.8.3. De stelling van Nedi-Trade dat [X.] uit hoofde van zijn functie over alle klantgegevens beschikte, welke klantgegevens hij thans gebruikt om opdrachten ten laste van Nedi-Trade toe te spelen aan [Y.], is onvoldoende feitelijk onderbouwd. De (bij het beslagrekest gevoegde) producties 14, 15 en 16 waarnaar Nedi-Trade in haar memorie van grieven (onderdeel 44) heeft verwezen zijn identiek aan de producties 43, 44 en 45, genoemd in onderdeel 4.2.8.2. van dit arrest. Deze producties zijn, zoals in genoemd onderdeel is overwogen, onvoldoende om de stellingen van Nedi-Trade te kunnen ondersteunen.

4.2.8.4. Niet behoeft te worden onderzocht of [X.] uit hoofde van zijn werkzaamheden in het kader van zijn eenmanszaak het concurrentieverbod heeft overtreden. Enerzijds niet omdat het concurrentieverbod is beperkt in de onder 4.2.6. weergegeven zin. Anderzijds begrijpt het hof uit de onderdelen 36 tot en met 39 van de memorie van grieven dat Nedi-Trade er zelf van uitgaat dat het eenmansbedrijf van [X.] niet concurrerend is met haar bedrijf.

4.2.8.5. Ook de stelling van Nedi-Trade dat [X.] personeelsleden van Nedi-Trade (of één van hen) in dienst heeft genomen of (onrechtmatig) heeft benaderd, is feitelijk onvoldoende onderbouwd en faalt reeds daarom.

4.2.9. Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van Nedi-Trade, voor zover deze is gebaseerd op overtreding van het concurrentiebeding, niet toewijsbaar is. Tevens volgt daaruit dat de grieven I en II en III (voor zover de laatste grief betrekking heeft op het concurrentieverbod) falen.

4.3. In de tweede plaats heeft Nedi-Trade gesteld dat [X.] het geheimhoudingsbeding en het verbod van nevenwerkzaamheden, zoals weergegeven in artikel 11 sub 2 en 3 van de arbeidsovereenkomst (geciteerd in onderdeel 4.1.4.2 van dit arrest) heeft overtreden. Daarnaast heeft [X.] volgens Nedi-Trade haar onrechtmatig beconcurreerd.

4.3.1. Er zijn onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel (voldoende) aannemelijk geworden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat [X.] heeft gehandeld in strijd met vorenbedoeld geheimhoudingsbeding en/of (tijdens zijn dienstverband met Nedi-Trade) verboden nevenwerkzaamheden heeft verricht.

Voor zover Nedi-Trade in dit verband dezelfde stellingen heeft geponeerd als die ten aanzien van het concurrentiebeding, worden deze verworpen op grond van het hiervoor overwogene.

Niet aannemelijk is geworden dat opdrachtgevers van projecten waarvoor [X.] calculaties tijdens zijn dienstverband met Nedi-Trade had gemaakt (zoals Nedi-Trade heeft gesteld) door onrechtmatig handelen van [X.] zijn “overgelopen” naar (ondernemingen van) [Y.]. Ook deze stelling, die door [X.] gemotiveerd is betwist, heeft Nedi-Trade niet aannemelijk gemaakt. De door Nedi-Trade (bij het beslagrekest) overgelegde producties 16 en 17 (te weten: een lijst van projecten respectievelijk een brief met bijlage van Nedi-Trade van 25 februari 2005, gericht aan één van de opdrachtgevers van die projecten) zijn onvoldoende om haar stelling te kunnen ondersteunen. Dit laatste geldt ook voor de producties 43, 44 en 45, ten aanzien waarvan wordt verwezen naar onderdeel 4.2.8.2. van dit arrest. Dat [X.] bij contacten met bedoelde opdrachtgevers gebruik heeft gemaakt van klantgegevens waarover hij uit hoofde van zijn bij Nedi-Trade vervulde functie beschikte, is evenmin aannemelijk geworden.

4.3.2. Hieruit volgt dat de vordering van Nedi-Tradi, voor zover deze is gebaseerd op overtreding van het geheimhoudings- beding en/of het verbod van nevenwerkzaamheden, evenmin voor toewijzing vatbaar is. Tevens volgt daaruit dat niet aannemelijk is geworden dat Nedi-Trade op onrechtmatige wijze door [X.] is beconcurreerd.

4.4. Dit een en ander leidt tot de conclusie dat ook de overige grieven falen en dat de kantonrechter de vorderingen van Nedi-Trade in conventie terecht heeft afgewezen. Voorts heeft de kantonrechter Nedi-Trade, als de in het ongelijk gestelde partij, terecht in de proceskosten veroordeeld.

4.5. Nu de grieven falen, dient het beroepen vonnis in conventie te worden bekrachtigd.

4.6. Nedi-Trade zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

In de zaak KGC0601345

4.7. [X.] komt op tegen het beroepen vonnis van 25 september 2006, voor zover daarbij de door hem gevorderde opheffing van het beslag ex artikel 843a Rv. is afgewezen en de proceskosten tussen partijen zijn gecompenseerd.

4.7.1. [X.] heeft gesteld dat het beslag opgeheven dient te worden op grond van elk van de in lid 2 van artikel 705 Rv vermelde gronden. Hij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat niet is voldaan aan de beslagformaliteiten en voorts dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van zowel de vordering van Nedi-Trade ex artikel 843a Rv als de vordering van Nedi-Trade ten behoeve waarvan het beslag is gelegd. Op grond van artikel 843a Rv dient er sprake te zijn van “bepaalde bescheiden”. Nedi-Trade heeft geenszins een deugdelijke onderbouwing gegeven van de bescheiden die zij wenst in te zien. Er is zonder meer beslag gelegd op alle bedrijfsinformatie zonder dat bescheiden nader zijn gespecificeerd of naar tijd zijn bepaald. Voorts wordt de stelling dat er bedrijfsinformatie op de computer van [X.] aanwezig is, op geen enkele wijze onderbouwd. Derhalve kan niet anders geconcludeerd worden dan dat er sprake is van een zogenaamde “fishing expedition”, hetgeen ook volgens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken 1999-2000, 26855, nr. 3 pag. 188) geenszins de bedoeling van de wetgever is geweest. Aldus [X.].

4.7.2. Nedi-Trade heeft aangevoerd dat zij gerede vermoedens had dat zich op de pc’s van [X.] bewijs bevond ter onderbouwing van haar stelling dat [X.] handelt in strijd met het overeengekomen concurrentiebeding, meer in het bijzonder dat [X.] werkzaamheden verricht voor ondernemingen van [Y.], danwel anderszins concurrerende activiteiten ontplooit ten opzichte van Nedi-Trade, onder gebruikmaking van bedrijfsinformatie die toebehoort aan Nedi-Trade. Daarom heeft Nedi-Trade verlof gevraagd en op 3 juli 2006 verkregen voor het leggen van conservatoir beslag tot afgifte bewijsmateriaal. In de bodemprocedure stelt Nedi-Trade zich op het standpunt, zoals zij in haar memorie van grieven onder punt 10 aangeeft, dat [X.] wanprestatie, althans onrechtmatige daad heeft gepleegd, bestaande uit het niet nakomen van de contractuele bepalingen uit de arbeidsovereenkomst en het onrechtmatig beconcurreren van Nedi-Trade. Nedi-Trade zou dit bewijs kunnen leveren door het in het geding brengen van bescheiden (waaronder mede te verstaan op een gegevensdrager aangebrachte gegevens) die betrekking (kunnen) hebben op de (vroegere) rechtsbetrekking tussen partijen. Aldus Nedi-Trade.

4.7.3. Het hof oordeelt als volgt.

4.7.3.1. Artikel 705 Rv biedt degene ten laste van wie beslag wordt gelegd (die in het kader van de verlofverlening in beginsel niet wordt gehoord en die tegen een verleend verlof geen rechtsmiddel kan aanwenden) de mogelijkheid in kort geding de opheffing van het beslag te vorderen. Een spoedeisend belang daarbij wordt niet vereist.

4.7.3.2. Het gaat in dezen om een zogenoemd bewijsbeslag ex artikel 843a Rv in verbinding met artikel 730 Rv.

Op verzoek van Nedi-Trade heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank ’s-Hertogenbosch bij beschikking van 3 juli 2006 aan Nedi-Trade verlof verleend om onder [X.] op zijn huisadres conservatoir beslag tot afgifte te leggen op “bescheiden (waaronder mede te verstaan op een gegevensdrager aangebrachte gegevens) die betrekking (kunnen) hebben op de (vroegere) rechtsbetrekking tussen partijen en/of op de rechtsbetrekking bestaande uit de door [X.] beweerdelijk gepleegde wanprestatie, althans onrechtmatige daad, bestaande uit het niet nakomen van de contractuele bepalingen uit de arbeidsovereenkomst en het onrechtmatig beconcurreren van Nedi-Trade, een en ander zoals in het verzoekschrift nader is omschreven”.

Op 6 juli 2006 heeft Nedi-Trade ten laste van [X.] beslag doen leggen op een tweetal enveloppen met daarin externe disken (gegevensdragers), gekopieerd uit bestanden van twee computers van [X.] te zijnen huize. Tevens heeft op die datum de gerechtelijke bewaring van die stukken (onder een deurwaarder) plaatsgehad.

4.7.3.3. Nedi-Trade heeft gesteld dat te verwachten is dat zij in de inmiddels aanhangige bodemprocedure bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch bewijs zal moeten leveren door het in het geding brengen van de onder 4.7.3.2. bedoelde bescheiden, met name vorenbedoelde gegevensdragers.

4.7.3.4. Ingevolge het bepaalde in artikel 705 lid 2 Rv wordt de opheffing van het beslag onder meer uitgesproken, indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt.

4.7.3.5. Zoals uit de onderdelen 4.2.8. e.v. van dit arrest blijkt, heeft Nedi-Trade niet aannemelijk gemaakt dat [X.] (een) bepaling(en) van de arbeidsovereenkomst niet is nagekomen en/of dat hij Nedi-Trade onrechtmatig heeft beconcurreerd.

Voorts is niet aannemelijk geworden – bij gebreke van feitelijke onderbouwing – dat klantgegevens en andere bedrijfs- gegevens van Nedi-Trade zich in de computerbestanden van [X.] bevonden ten tijde van de beslaglegging op kopieën van die bestanden.

Niet is gesteld of gebleken dat Nedi-Trade meer of andere stellingen dan die in het vorenstaande zijn beoordeeld, in de onder 4.7.3.3. bedoelde bodemprocedure heeft geponeerd. Het hof is dan ook van oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de door Nedi-Trade jegens [X.] ingestelde vorderingen.

4.7.3.6. Voorts is het volgende van belang.

[X.] heeft (ter toelichting op zijn tweede grief) terecht gesteld, dat niet voldaan is aan de op grond van artikel 843a Rv gestelde eis dat sprake dient te zijn van bepaalde bescheiden. Immers, er is beslag gelegd op alle bedrijfsgegevens van [X.] zonder dat bescheiden nader zijn gespecificeerd of naar tijd zijn bepaald.

Daarbij komt dat (zoals [X.] terecht heeft aangevoerd) niet is gebleken dat aan de, aan het verlof verbonden en in de desbetreffende beschikking opgenomen, voorwaarde dat de in beslag genomen kopieën moeten worden bewaard in gesloten enveloppen met telkens aparte, gedetailleerde inhoudsopgave (onderstreping door hof) is voldaan. Naar het oordeel van het hof lijkt hier sprake te zijn van een “fishing expedition” ter voorkoming waarvan artikel 843a Rv juist inperkingen bevat.

In de tweede plaats is van belang dat Nedi-Trade haar stellingen in het onderhavige kort geding (evenals, naar het hof onder 4.7.3.5. heeft overwogen, in de bodemprocedure) onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd. Het hof acht het daarom hoogst onwaarschijnlijk dat Nedi-Trade door de bodemrechter zal worden toegelaten tot het bewijs van de door haar gestelde wanprestatie en onrechtmatige daad.

Op grond van het vorenstaande acht het hof het eveneens hoogst onwaarschijnlijk dat de bodemrechter de door Nedi-Trade verlangde inzage in c.q. afgifte van (afschriften of uittreksels van) de in beslaggenomen bescheiden zal toestaan.

4.7.3.7. Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het beroepen (in reconventie gewezen) vonnis van 25 september 2006, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, moet worden vernietigd en dat het bewijsbeslag moet worden opgeheven.

Wellicht ten overvloede merkt het hof op dat ingevolge het bepaalde in artikel 860 lid 2 Rv de opheffing van het beslag van rechtswege tot gevolg heeft dat ook de gerechtelijke bewaring wordt opgeheven en dat de bewaarder verplicht is tot afgifte van de zaak aan de beslagene.

4.8. Nedi-Trade zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

4.9. Zoals onder 2.5. is vermeld, heeft het hof de beslissing over de proceskosten van het incident aangehouden tot de einduitspraak. Het hof acht geen grond aanwezig om één van partijen in de kosten van het incident te veroordelen, nu de afzonderlijke appelprocedures en de gevorderde voeging daarvan hun oorzaak vinden in het feit dat de voorzieningenrechter twee afzonderlijke (eind)vonnissen in conventie respectievelijk in reconventie heeft gewezen. De kosten zullen daarom tussen partijen worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De uitspraak

Het hof:

In de zaak KGC0601097

bekrachtigt het beroepen vonnis in conventie van 14 juli 2006;

veroordeelt Nedi-Trade in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [X.] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 296,00 aan griffierecht en € 894,00 aan salaris procureur, op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In de zaak KGC0601345

vernietigt het beroepen vonnis in reconventie van 25 september 2006, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende:

heft voormeld, op 6 juli 2006 ten laste van [X.] gelegd, beslag ex artikel 843a Rv op;

veroordeelt Nedi-Trade in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [X.] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op nihil aan verschotten en € 1.632,00 aan salaris gemachtigde in eerste aanleg en op € 367,32 aan verschotten en € 1.341,00 aan salaris procureur, op de voet van het bepaalde in artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

In het incident

compenseert de proceskosten van het incident aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Slootweg, Zweers-van Vollenhoven en Walsteijn en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 21 augustus 2007.