Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB3967

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-04-2007
Datum publicatie
16-11-2007
Zaaknummer
C200600549
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemer werkt aan de droogschuurlijn bij NedCar. Bij het opruimen na afloop van zijn shift stapt hij per ongeluk op de op de grond liggende afzuigslang van de schuurmachine. Hij zwikt zijn enkel en blijft enige weken ziek thuis. Nadat werknemer zijn werkzaamheden heeft hervat, valt hij een klein jaar later opnieuw uit, thans wegens klachten aan zijn rechter schouder.

Hij spreekt NedCar aan op grond van artikel 7: 658 BW, stellende dat hij nog aanmerkelijk veel last heeft van zijn enkel en dat hij tengevolge van het - volgens hem - zware werk aan de schuurlijn arbeidsongeschikt is geraakt. Werknemer vordert een verklaring voor recht dat NedCar aansprakelijk is en een verwijzing naar de schadestaatprocedure.

De kantonrechter gelast een deskundigenrapport en concludeert op grond daarvan dat er niet of nauwelijks relevante beperkingen zijn tengevolge van het letsel aan de enkel en dat de schouderklachten niet arbeidsgerelateerd zijn.

Het hof volgt eveneens het oordeel van de deskundige voor wat betreft de schouderklachten; daarbij wordt ook in aanmerking genomen, dat de werkplek van werknemer als een van de lichtste in het bedrijf werd aangemerkt en dat er geen sprake was van zwaar schuren.

Voor wat betreft het letsel aan de enkel heeft werknemer vermeld dat hij onder meer onkosten heeft moeten maken vanwege de enkel en dat hij aanspraak maakt op vergoeding van immateriële schade. Aldus kan er wel sprake zijn van schade. Het hof oordeelt NedCar hiervoor echter niet aansprakelijk, aangezien van de werkgever niet verwacht kan worden er voortdurend op toe te zien dat de slang van de schuurmachine wordt opgeruimd, en werknemer er bedacht op diende te zijn dat deze zich op de vloer van de werkplek kon bevinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnr. C0600549/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 24 april 2007,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 28 april 2006,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

NETHERLANDS CAR B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. H.E.G. van der Flier,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht, sector Kanton, locatie Sittard-Geleen onder zaak/rolnummer 133786 CV EXPL 0301239 gewezen vonnis van 1 februari 2006 tussen appellant - [X.] - als eiser en geïntimeerde - NedCar - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar de daaraan voorafgegane tussenvonnissen van 30 juni 2004 en 9 februari 2005.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] vier grieven aangevoerd, producties overgelegd, en geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en zal verklaren voor recht dat NedCar aansprakelijk is voor alle door hem geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het aan hem overkomen ongeval op 24 mei 2000 en de overbelasting aan zijn rechterschouder door het uitvoeren van werkzaamheden voor NedCar, deze schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en NedCar zal veroordelen in de kosten van de beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft NedCar de grieven bestreden en één productie overgelegd.

2.3. Partijen hebben vervolgens gepleit, mr. G.J.F.M. Linders voor [X.] en mr. S.C. Welschen voor NedCar.

2.4. De raadsman van [X.] heeft na afloop van de pleidooien de gedingstukken overgelegd en de raadsvrouwe van NedCar heeft deze met tussenkomst van haar procureur nagezonden aan het hof. Partijen hebben uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [X.] is sinds 8 februari 1999, aanvankelijk als uitzendkracht, werkzaam voor NedCar. Op 13 december 1999 is hij in vaste dienst getreden.

Van 17 tot en met 21 februari 2000 is hij ziek thuis geweest vanwege lage rugklachten. Hij is toen door NedCar aangemerkt als een minder inzetbare werknemer en ingezet door NedCar aan de droogschuurlijn.

Aan de droogschuurlijn, worden oneffenheden van de auto’s weggeschuurd. Aldaar is ook een schuurmachine aanwezig voor de grotere oneffenheden. Deze schuurmachine is verbonden aan een afvoerslang. De werkvloer kan op diverse hoogtes worden ingesteld, afhankelijk van het type auto en de te schuren delen van de auto.

4.1.2. [X.] was op 24 mei 2000 bezig met opruimen, en had de werkvloer even verlaten. Toen hij terugkwam stapte hij van een hoger gelegen deel van de werkvloer op de afvoerslang van de schuurmachine en zwikte zijn enkel om, waarbij hij letsel aan zijn enkel heeft opgelopen.

Hij is dientengevolge arbeidsongeschikt geweest van 24 mei 2000 tot 2 juli 2000. Op laatstgenoemde datum heeft hij zijn werkzaamheden aan de droogschuurlijn hervat.

4.1.3. In het formulier bedrijfsongevallenmelding d.d. 24 mei 2000, ingevuld door de coördinator de heer [Y.], is vermeld:

“Toedracht van het ongeval: van trapje gesprongen en verkeerd op enkel gekomen omdat er een slang op de grond lag.

“Waar was betrokkene mee bezig:

Opruimen (einde dienst)

(…)

Door mij genomen maatregelen:

Trapje vastgezet. Beter opruimen. Niet meer van trapje springen.

(…)aangekruist is: `Onveilige handeling`

(…) Hoe kan herhaling voorkomen worden:

Beter opletten.´

4.1.4. Op 13 maart 2001 meldde [X.] zich met schouder-, rechterarm- en nekklachten bij de Arbo-arts, die hem adviseerde rust te nemen. Van 19 maart 2001 tot 15 mei 2001 heeft [X.] niet gewerkt. De bedrijfsarts oordeelde hem vervolgens geschikt voor schoudersparend werk. [X.] heeft vervolgens halve dagen gewerkt aan de Natschuurlijn tot 28 mei 2001 en vervolgens weer hele dagen, ook als maskeerder, tot 19 oktober 2001. Daarna heeft [X.] zich arbeidsongeschikt gemeld en heeft niet meer voor NedCar gewerkt.

4.2.1. [X.] stelt dat hij tengevolge van de val op de werkvloer zijn enkelbanden heeft gescheurd en dat er ook sprake is van beschadiging van het kraakbeen aan het bovenste sprong gewricht, waardoor hij blijvende schade aan zijn enkel heeft.

Hij wijt het ongeval aan een gevaarlijke situatie op de werkvloer. Er zijn daar wel meerdere collega´s gevallen. Er was een te groot hoogteverschil tussen twee vloeren dat hij zonder trapje moest overbruggen.

Hij is toen op de afvoerslang gestapt. Het monteren van de schuurmachine in de nabijheid van het hoogteverschil schept volgens hem een onnodig gevaarlijke situatie. De slang is door een van de collega’s niet goed, namelijk niet zoveel mogelijk langs de kant, weggelegd.

4.2.2. [X.] stelt voorts dat hij schouderklachten heeft opgelopen bij NedCar door zware werkzaamheden aan de schuurlijn. In 1999 was de werkdruk veel te hoog. Hij moest regelmatig tijdens toiletbezoek van een van de collega’s diens werkzaamheden overnemen. Hij is wegens reorganisatie overgeplaatst van de droge naar de natte schuurlijn, waar hij de zwaarste plaats kreeg. Hij kreeg last van ontstekingen in het rechter schouderkapsel die veroorzaakt worden door een zogenaamde beklemming.

Hij heeft de laatste vier maanden aangepast werk gedaan in de vorm van spuiten en kleven totdat het werk niet vol te houden was van de pijn.

4.2.3. NedCar betwist primair dat [X.] enig letsel van betekenis heeft overgehouden aan zijn enkel waarvoor een schadevergoeding op zijn plaats zou zijn.

Subsidiair stelt zij voldaan te hebben aan haar zorgplicht ex artikel 7: 658 BW. Zij wijst op de ongevallenmelding d.d. 24 mei 2000, opgemaakt door [Y.], coördinator en op het expertiserapport dat zij heeft laten opmaken d.d. 31 oktober 2002 door [Z.] en [W.] (prod 2 bij dagvaarding). Volgens dit rapport was er destijds een afstapje van 10 cm. [X.] is van het trapje afgesprongen/afgestapt en heeft zijn enkel verzwikt. Behalve haar werknemers instrueren de slang op te ruimen, hetgeen zij gedaan heeft, had zij het ongeval niet kunnen voorkomen.

Zij wijst iedere aansprakelijkheid af voor de klachten die [X.] aan zijn schouder heeft gekregen, stellende dat deze niet veroorzaakt zijn door zijn werkzaamheden. Zij legt onder meer een verklaring over van de bedrijfsarts M. Spiertz d.d. 2 oktober 2003. [X.] is na een rustperiode vanwege zijn schouderklachten in overleg met het Sociaal Medisch Team geplaatst in schoudersparend werk aan de natschuurlijn en nadien als maskeerder. Zijn schouderklachten namen echter niet af.

4.2.4. De kantonrechter heeft op voordracht van beide partijen een deskundigenonderzoek gelast ter beantwoording van de door partijen geformuleerde vraagstelling, kort gezegd, met betrekking tot de gevolgen die [X.] op dat moment nog ondervond tengevolge van de kwetsuur aan zijn enkel en het verband tussen de werkzaamheden die [X.] verrichtte en zijn schouderklachten. Benoemd is de orthopedisch chirurg R.J.J. Devilee, verbonden aan het Catharinaziekenhuis te Eindhoven. Het rapport is uitgebracht op 10 juli 2005.

4.2.5. De deskundige geeft een uitvoerig verslag van zijn bevindingen bij het onderzoek van [X.] en van zijn onderzoek van de medische dossiers en gegevens van [X.]. Tevens heeft hij uitvoerig gereageerd op het commentaar dat de raadsman van [X.] heeft gegeven op zijn rapport.

4.2.6. De conclusie van de deskundige en diens beantwoording van de vraagstelling zijn overgenomen door de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [X.] vervolgens afgewezen en hem in de kosten van het geding veroordeeld.

De kantonrechter heeft onder meer overwogen dat de deskundige tot het oordeel is gekomen, dat er sprake is van een milde instabiliteit van het enkelgewricht, die aanleiding geeft tot 2% beperking van de totale persoon, terwijl het schouderprobleem niet direct door de werkomstandigheden is veroorzaakt, maar mogelijk meer door het intensief beoefenen van fitness in de periode direct voorafgaand aan het ontstaan van de klachten.

4.3.1. De eerste grief betreft de overweging van de kantonrechter die hierop volgt:

"Dit oordeel wordt hier overgenomen. Een beperking van 2% van de totale persoon is arbeidskundig verwaarloosbaar en leidt niet tot een vermindering van verdiencapaciteit in meetbare mate, zodat geen schade aangenomen kan worden, nog daargelaten, dat de aansprakelijkheid van gedaagde voor dat ongeval in het geheel niet is komen vast te staan. Dat laatste geldt ook voor de schouderklachten, die niet door de werkomstandigheden zijn veroorzaakt, doch hooguit zijn verergerd, hetgeen werkgever evenmin verweten kan worden."

Het hof zal deze grief eerst bespreken voor wat betreft het bedrijfsongeval d.d. 24 mei 2000 en het daaruit voortvloeiende letsel aan de enkel.

Volgens [X.] geeft 2% 'Blijvende Invaliditeit van de Gehele Persoon' aanleiding voor het op zijn minst toekennen van smartengeld. De motivering van de kantonrechter dat 2% blijvende invaliditeit arbeidskundig verwaarloosbaar is, en dat derhalve geen schade kan worden aangenomen, is daarom niet houdbaar. [X.] wijst erop dat hij slechts een verklaring voor recht heeft gevorderd en vergoeding van schade op te maken bij staat, zodat pas in de schadestaat-procedure de materiële en immateriële kosten aan de orde komen, zoals verlies aan arbeidsvermogen, medische kosten, reiskosten en verlies aan zelfwerkzaamheid.

4.3.2. NedCar heeft hiertegen ingebracht dat de deskundige heeft geoordeeld dat de enkelklachten wellicht kunnen worden toegerekend aan het ongeval, maar arbeidskundig verwaarloosbaar zijn (ad vraag 5) en geen beperkingen tot gevolg hebben. De door [X.] geuite enkelklachten zijn uiterst miniem (ad vraag 1) en stroken bovendien niet met de objectief gevonden afwijkingen (ad vraag 3).

Het enkele feit dat [X.] betrokken was bij een ongeval en daardoor letsel heeft opgelopen wil nog niet zeggen dat een smartengelduitkering aangewezen is.

4.4. Het hof oordeelt als volgt.

4.4.1. De door de kantonrechter benoemde deskundige schrijft in zijn rapportage op p. 20 onder meer het volgende inzake de klachten aan de enkel:

"Röntgenfoto's uit de Stichting GOZL locatie Atrium te Heerlen en het ziekenhuis te Genk en een MRI uit het ziekenhuis te Genk tonen alle geen aanwijzingen voor posttraumatische afwijkingen. De MRI uit 2004 van de enkel vertoont geen aanwijzingen voor kraakbeenpathologie. Er wordt geen oedeem in tibia noch in tallus waargenomen. De achtereenvolgende foto's uit de twee ziekenhuizen tonen geen aanwijzingen voor gewrichtsspleetversmalling dan wel progressieve artrose."

en op p. 21:

"Met betrekking tot de enkelklachten rechts is zeer waarschijnlijk het verstappen met de daarop volgende distorsie de oorzaak van de huidige klachten. (…) De meeste laterale enkelbanddistorsies genezen goed middels conservatieve therapie. Persisterende klachten zijn vaak het gevolg van inadequate revalidatie, impingementproblematiek, kraakbeenletsels, peroneuspeesletsels of syndesmose letsels dan wel laterale enkelbandinstabiliteit. Bij betrokkene worden geen aanwijzingen gevonden voor een impingement aan de ventrale noch aan de dorsale zijde. Er worden op de MRI die vier jaar na het ongeval gemaakt is geen aanwijzingen gevonden voor kraakbeenpathologie dan wel subchondraal oedeem in tibia dan wel talus hetgeen een aanwijzing had kunnen zijn voor kraakbeen pathologie. (Als er door het verstuikingletsel in 2000 kraakbeen pathologie was ontstaan, was er na de verlopen termijn zeker subchondraal oedeem aanwezig geweest.) De peroneuspezen zijn niet pijnlijk en er zijn geen tekenen voor syndesmose pathologie. Het enige dat bij lichamelijk onderzoek wordt aangetroffen is een gering anterior drawer sign dat 1+ is in vergelijking met de contralaterale zijde. Symptomatische instabiliteit gaat meestal gepaard met recidiverende distorsies tijdens sportactiviteiten of in de ADL activiteiten. Vreemd genoeg geeft betrokkene een enkele keer giving way klachten aan 's ochtends nadat hij de avond tevoren heeft gesport. Ook tree dt dit wel eens op na cardiofitness, dus tijdens vermoeidheid van zijn musculatuur. Een andere mogelijke oorzaak voor persisterende klachten na een doorgemaakte distorsie is eventueel reflexdystrofie, doch hiervoor worden klinisch geen aanwijzingen gevonden.

(…) Qua spierontwikkeling blijkt dat het rechter been beter ontwikkeld is dan het linker been ondanks het feit dat betrokkene aangeeft dat zijn rechter been minder belastbaar is. Dit is in tegenspraak met elkaar. Gezien het ontbreken van atrofie aan het rechter been ben ik van mening dat de mate van subjectieve klachten niet strookt met de objectief gevonden afwijkingen. (…)

Dus voor wat betreft de enkel is er zeer waarschijnlijk sprake van een gering proprioceptief probleem als gevolg van de doorgemaakte distorsie (…)"

Voor de loonvormende arbeid stelt de deskundige vast dat er in geen enkel opzicht beperkingen aanwezig zijn voor wat betreft de enkel, zoals staan, traplopen, klimmen duwen, trekken en dragen, behoudens voor lopen op oneffen terrein, dat licht beperkt is. Volgens de deskundige is er sprake van een milde instabiliteit van het enkelgewricht hetgeen aanleiding geeft tot een meetbare blijvende functionerende invaliditeit volgens de AMA guides van 2% beperking van de totale persoon.

Het hof oordeelt het rapport van de deskundige goed en zorgvuldig opgesteld en neemt diens conclusies over. Gelet op het ontbreken van relevante beperkingen vanwege het enkelgewricht - behalve voor wat betreft de door de deskundige aangenomen lichte beperking voor wat betreft het lopen op oneffen terrein - neemt het hof, evenals de deskundige in zijn antwoord op de vragen 5 en 6, geen verlies van arbeidsvermogen aan en evenmin voor wat betreft zelfwerkzaamheid tengevolge van de doorgemaakte kwetsuur aan de enkel. Aangezien er voor wat betreft het letsel aan de enkel sprake is van een eindtoestand (rapport deskundige ad vraag 7), is er onvoldoende reden om een schadestaatprocedure te bevelen, aangezien de immateriële schade, medische- en vervoerskosten inmiddels wel door [X.] begroot dienen te kunnen worden.

4.4.2. Alvorens daaraan kan worden toegekomen, dient te worden vastgesteld of NedCar aansprakelijk is voor het aan [X.] overkomen ongeval.

Anders dan [X.] meent, is het enkele feit dat dit ongeval is geschied tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden niet voldoende om de werkgeefster aansprakelijk te achten voor de schade.

Nu vaststaat dat [X.] in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft geleden, dient NedCar te stellen en zonodig te bewijzen dat zij de maatregelen heeft getroffen of de aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat [X.] een ongeval als dit overkwam.

NedCar stelt dat er van haar niet kan worden gevergd dat er constant op wordt toegezien dat de slangen steeds zijn opgeruimd. NedCar biedt aan te bewijzen dat er voldoende toezicht werd en wordt gehouden op het opruimen van slangen en dat medewerkers ook worden geïnstrueerd om slangen op te ruimen. [X.] had beter dienen op te letten. Er is volgens NedCar sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.

[X.] heeft betwist dat NedCar instructies zou hebben gegeven voor het opruimen van slangen.

4.4.3. Het hof is van oordeel dat [X.], die naar hij stelt, met opruimwerkzaamheden aan het einde van zijn shift bezig was, erop bedacht diende te zijn dat de afzuigslang, die verbonden was aan de schuurmachine die door de werknemers bij de uitoefening van hun werkzaamheden werd gebruikt, zich op de werkvloer kon bevinden, nu men bezig was met opruimen. Van NedCar kan niet gevergd worden dat zij continue erop toeziet dat deze slang steeds langs de wand wordt gelegd, ongeacht of deze al dan niet in gebruik is. Instructies omtrent opruimen hebben onder deze omstandigheden dan ook weinig invloed op de aanwezigheid van die slang ter plaatse tijdens het opruimen.

Het feit dat er hoogteverschil tussen de werkvloeren was, zoals een aantal ex-collega's van [X.] in de door [X.] overgelegde verklaringen stelt, oordeelt het hof op zich onvoldoende gevaarzettend, nu dit bij de werknemers bekend was en verband hield met de ergonomische noodzaak de vloer in hoogte te kunnen verstellen.

NedCar heeft als productie 12 bij Conclusie van Antwoord een foto overgelegd van de locatie van het ongeval. Daarop is een verhoging te zien tussen de deuropening en de werkvloer. Volgens [X.] stond die verhoging, door partijen "trapje" genoemd er niet toen hij per abuis op de afzuigslang van de schuurmachine stapte. Wel was de vloer toen hoger, meer in de lijn van de deuropening, zoals hij ter zitting tijdens de pleidooien heeft verklaard. Het hof neemt dan ook niet aan dat het afstapje onverantwoord hoog was. Al dan niet losliggende roosters zijn in dit verband niet relevant, aangezien niet gesteld of gebleken is dat het ongeval hiermee verband hield. De stelling van [X.] dat meerdere collega’s op die plaats zijn gestruikeld oordeelt het hof te vaag om daaraan betekenis voor deze zaak te hechten, nu [X.] niet aangeeft wat de oorzaak daarvan was en wanneer dat is gebeurd.

Uit het bovenstaande volgt, dat het hof NedCar niet aansprakelijk acht voor de eventuele schade die [X.] lijdt tengevolge van de kwetsuur aan zijn enkel, omdat niet kan worden aangenomen dat NedCar haar zorgverplichting heeft geschonden.

4.5.1. Het hof bespreekt thans grief I voor wat betreft de schouderklachten en de grieven II en III, die tevens daarop betrekking hebben.

[X.] voert aan (grief één) dat de kantonrechter ten onrechte geen aansprakelijkheid aanneemt van NedCar.

Grief II betreft de overweging van de kantonrechter dat een descente of een nadere arbeidskundige beoordeling niet is geïndiceerd, nu de vraagstelling volledig is beantwoord en het hoogst onwaarschijnlijk is te achten, dat alsnog gegevens vergaard zullen kunnen worden, die voor de beantwoording van die vraagstelling, waarover partijen het eens waren van belang zouden kunnen zijn.

Grief III betreft de overweging

"Wat het dispuut tussen eiser en de deskundige betreft met betrekking tot de vraag of eiser bij het onderzoek aan de deskundige heeft gezegd, dat de schouderklachten eerst na de verzwikking van de enkel zijn ontstaan, moet het daarvoor gehouden worden dat de gang van zaken is geweest zoals de deskundige weergeeft nu hij die gang van zaken uitdrukkelijk aan eiser heeft voorgehouden en eiser daarmee heeft ingestemd en de deskundige, ander dan eiser, geen belang heeft bij het al dan niet toewijzen van eisers vorderingen."

4.5.2. Volgens [X.] is er sprake geweest van miscommunicatie tussen hem en de deskundige. Hij verwijst naar de inhoud van de brief d.d. 14 juni 2005 die zijn raadsman aan de deskundige heeft geschreven. Zijn raadsman wijst in deze brief de deskundige erop dat ten onrechte in de rapportage is vermeld dat [X.] heeft verklaard dat hij ongeveer een maand nadat hij in de ziektewet zat voor de enkelklachten de schouderklachten heeft gekregen.

[X.] had al vóór 24 mei 2000 schouderklachten rechts vanwege het zware werk aan de schuurlijn. De klachten waren toen niet zodanig dat hij daardoor is uitgevallen. De klachten aan zijn schouder zijn helemaal verdwenen tijdens de gedwongen ziekteperiode, maar kwamen snel weer terug toe hij, door NedCar gedwongen, weer aan het werk moest. De schouder- klachten zijn aanmerkelijk toegenomen nadat hij in mei 2001 onder druk is gezet om zijn werkzaamheden te hervatten. Zijn raadsman schrijft aan de deskundige dat deze voor wat betreft de zwaarte van het werk aan de droge schuurlijnen ten onrechte is afgegaan op de verklaring van dokter Spiertz van 2 oktober 2003, die geen onderscheid maakt tussen de droge schuurlijn waaraan zijn cliënt heeft gewerkt en de natte schuurlijn, waaraan veel artikel 30 medewerkers en vrouwen werken.

Aangezien partijen lijnrecht tegenover elkaar staan voor wat betreft de zwaarte van het werk, stelt [X.] dat de kantonrechter een descente of arbeidskundig onderzoek had moeten gelasten naar de ergonomische omstandigheden van het werk.

4.5.3. NedCar heeft hiertegen het volgende ingebracht:

[X.] heeft zich kort na zijn vaste aanstelling op 13 december 1999 ziek gemeld met lage rugklachten. Bij zijn terugkomst is hij ingezet als "artikel 30 (WAO, hof) werknemer", dat wil zeggen dat hij beperkter inzetbaar werd geacht en werkzaamheden verrichtte waarbij rekening werd gehouden met zijn specifieke klachten.

Het werk aan de droogschuurlijn betreft licht schuurwerk, waarbij nauwelijks kracht worden gezet bij het verwijderen van oneffenheden. Na het ongeval met zijn enkel is [X.] op 3 juli 2000 weer op zijn werk verschenen en heeft zijn werkzaamheden probleemloos hervat. Op 13 maart 2001 meldt hij voor het eerst schouder-, nek en rechterarmklachten. Hij is van 19 maart tot en met 15 mei 2001 om die reden met ziekteverlof en heeft daarna gedurende 5 maanden, tot zijn definitieve uitval op 19 oktober 2001, schoudersparend werk verricht.

NedCar betwist dat de schouderklachten hun oorzaak vinden in het werk van [X.]. De deskundige heeft dat eveneens geoordeeld op basis van hetgeen [X.] zelf aan hem heeft verteld.

4.5.4. Het hof oordeelt als volgt.

Het hof merkt in de eerste plaats op dat [X.] het tijdstip van het ontstaan van zijn schouder-klachten diverse malen heeft gewijzigd in de loop van dit geding: bij dagvaarding onder punt 3 stelt hij last te hebben gekregen van zijn schouder en dat die klachten nà het ongeval verergerden; bij repliek onder punt 13 schrijft hij: "vóór mei 2000 heeft eiser nooit last gehad. Toen hij na zijn enkelletsel op 2 juli 2000 weer verplicht was om weer te beginnen, zijn die schouderklachten langzaam ontstaan" en onder punt 22: "in de tijd dat de klachten bij eiser ontstonden, voorjaar 2001," en onder punt 45: "sedert het voorjaar van 2001 heeft hij forse schouderklachten". In zijn conclusie na deskundigenbericht stelt hij dat de schouder- klachten toen hij na het ongeval weer begon te werken, weer snel toenamen en dat hij dàt heeft bedoeld in zijn gesprek met de deskundige.

Het hof ziet geen aanleiding te twijfelen aan de door de deskundige in zijn rapport opgenomen verklaring van [X.] dat hij tijdens zijn ziekteperiode van 24 mei 2000 tot 3 juli 2000 die verband hield met de kwetsuur aan zijn enkel, voor het eerst last heeft gekregen van zijn schouder. Er valt in de medische gegevens van [X.] immers ook geen enkele aanwijzing te vinden voor diens stelling dat hij reeds schouderklachten had voorafgaand aan die periode. De deskundige heeft naar aanleiding van het commentaar van de raadsman van [X.] in diens brief d.d. 14 juni 2005 in de aanvullingen op zijn rapport geschreven (p.2/4):

"(…) bespreekt Mr. Linders dat betrokkene nu betwist dat hij tegenover mij gezegd heeft dat een maand na het ongeval, in de periode dat hij in de ziektewet zat vanwege zijn enkelprobleem, de schouderklachten rechts ontstaan zijn. Dit bevreemdt mij zeer daar betrokkene tijdens de anamnese zelf op een open vraag mijnerzijds wanneer de klachten van de schouder waren ontstaan, aangegeven heeft dat dat vier weken na het enkelongeval was. Mijn conclusie dat hij op dat moment dan vier weken thuis was vanwege zijn enkelprobleem en niet werkzaam was werd door hem bevestigd. Aan het einde van de anamnese heb ik nogmaals al hetgeen door betrokkene vermeld was en door mij genotuleerd was samen met hem doorgenomen waarbij ik wederom aandacht heb besteed aan het tijdstip van ontstaan van de schouderklachten. Hij gaf daarop aan dat alles correct (…) was weergegeven."

De deskundige heeft vastgesteld dat er voor wat betreft de schouder sprake was van een subacromiaal impingement dat operatief middels een artroscopische Neerprocedure werd behandeld (rapportage ad vraag 1). Verder stelt hij vast dat de klachten zijn ontstaan in een periode dat betrokkene niet werkzaam was en stelt vast ad vraag 3, p. 23:

"Overbelasting als gevolg van de werkzaamheden kunnen er op dat moment dan ook niet geweest zijn. De klachten zijn wel toegenomen na hervatten van de werkzaamheden."

Hij wijst erop dat volgens het door hem aangehaalde TNO-rapport uit 1999 er slechts een licht verhoogd risico optreedt voor het ontstaan van nek- en schouderklachten ingeval van "vele malen per minuut dezelfde beweging maken, statische arbeid, grote kracht uitoefenen" (rapportage ad vraag 3) Hij is van mening dat de schouderklachten niet veroorzaakt zijn door de werkzaamheden, uitgaande van

"1) het feit dat de klachten ontstaan tijdens een periode dat betrokkene in verband met zijn enkelprobleem niet werkzaam is, 2) de verklaring van Dr. Spierts, bedrijfsarts dat bij het werken aan de schuurlijn de kans op ontstaan van schouderklachten klein is als gevolg van het feit dat er sprake is van dynamische arbeid en deze werkzaamheden vooral worden toegewezen aan fysiek minder belastbare werknemers. Mogelijk dat drie tot viermaal per week fitness in de periode voorafgaand aan het ontstaan van de klachten, hetgeen betrokkene intensief beoefende waarbij hij toch redelijk fanatiek was getuige het feit dat hij ook met betrekking tot zijn voedingsschema gebruik maakten van aminozuur en vitaminepreparaat en eiwit- en koolhydraatpreparaten, mogelijk meer een oorzakelijke rol heeft gespeeld dan zijn werkzaamheden." (rapportage ad vraag 4)

Het hof betrekt in zijn oordeel mede de verklaring d.d. 2 oktober 2003 van de bedrijfsarts M. Spiertz (productie 2 bij CvA), die sinds 1980 werkzaam is bij NedCar. Deze schrijft:

"[X.] gaf voor het eerst aan schouderklachten te ondervinden in de periode dat hij zoals gezegd werkzaam was bij de schuurlijn. Dat schouderklachten worden ontwikkeld aan die lijn ligt niet voor de hand. Het werk aan de schuurlijn is namelijk dynamisch en niet statisch. Er zijn bovendien zeer goede voorzieningen aan de schuurlijn, bijvoorbeeld een in hoogte verstelbaar bordes waardoor niet boven de macht gewerkt behoeft te worden. De schuurlijn (die is onder te verdelen in een Droog Schuur Lijn (DSL) en Nat Schuur Lijn (NSL) is dan ook een lijn waaraan veel artikel 30 medewerkers en ook veel vrouwen die lichamelijk niet zwaar belast kunnen worden werkzaam zijn.

De DSL en de NSL (…) kennen dus geen hoge uitval.

(…) Het eigenaardige met het dossier van [X.] is dat in de periode dat hij schoudersparend werk deed, hij aangaf dat zijn klachten niet minder werden. Integendeel, zijn klachten zouden zijn verergerd. Ook in de periode dat hij langdurig thuis heeft gezeten, heeft hij aangegeven dat zijn klachten niet verminderden. Dat duidt erop dat de klachten niet het gevolg kunnen zijn van zijn werkzaamheden bij NedCar."

[X.] heeft weliswaar bestreden dat het volgens Spiertz in hoogte verstelbaar bordes ook aanwezig was bij de droogschuurlijn maar hij heeft niet of onvoldoende onderbouwd bestreden dat juist werknemers met lichamelijke beperking ten aanzien van de belastbaarheid, op beide schuurlijnen werden ingezet en dat de bij deze schuurlijnen werkzame werknemers geen hoge uitval kenden. Het hof is op grond van de uitvoerige en gedetailleerde rapportage van Dr. Devilee en de hiervoor genoemde verklaring van de bedrijfsarts van oordeel dat de kantonrechter op goede gronden heeft geoordeeld dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de werkzaamheden van [X.] bij NedCar en diens schouderklachten.

In dit verband is tevens relevant dat [X.] tijdens het onderzoek van de door de kantonrechter benoemde deskundige nog steeds beperkingen ondervond tengevolge van zijn schouder, terwijl hij inmiddels vier jaren niet meer bij NedCar werkte. Het hof oordeelt de verklaringen van de behandelend geneeskundigen van [X.] omtrent mogelijke oorzaken van zijn klachten zoals zware schuurwerkzaamheden, niet relevant, aangezien deze slechts gebaseerd zijn op de eigen verklaringen van [X.] over het werk dat hij verrichtte.

Het hof merkt hier ten overvloede nog op, dat van het toenemen van de klachten tijdens het werk, zoals [X.] stelt, NedCar geen verwijt kan worden gemaakt, nu zij [X.] na zijn verzuimperiode wegens schouderklachten heeft laten werken op een aangepaste werkplek, welke werkzaamheden [X.] eveneens heeft moeten staken en rust geen invloed lijkt te hebben op de klachten.

4.5.5. Uit het bovenstaande volgt, dat het hoger beroep faalt en dat het vonnis waarvan beroep wordt bekrachtigd onder verbetering en aanvulling van gronden.

[X.] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep gevallen aan de zijde van NedCar.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt onder verbetering en aanvulling van gronden het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van NedCar tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 343,- aan verschotten en € 2.682,- aan salaris procureur;

Dit arrest is gewezen door mrs. Spoor, Slootweg en Koster-Vaags en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 24 april 2007.