Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB2798

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-08-2007
Datum publicatie
05-09-2007
Zaaknummer
C0500229
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof overweegt dat [appellant] bij brief van [datum 3] aan [geïntimeerde] heeft meegedeeld dat er geen afspraken zijn gemaakt over de overname van [bedrijf 1] en dat [appellant] niet verder met [geïntimeerde] kan onderhandelen over deze overname. [geïntimeerde] heeft uit deze mededelingen moeten afleiden dat [appellant] de op hem rustende verbintenis met betrekking tot de overname van [bedrijf 1] niet zou nakomen. Nu [appellant] reeds in verzuim was, was er geen ingebrekestelling meer nodig. De rechtbank heeft de inkomensschade van [geïntimeerde] vastgesteld op basis van scenario b in een op verzoek van [geïntimeerde] opgesteld accountantsrapport. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom zij dit rapport en dit scenario ten grondslag legt aan de vaststelling van de inkomensschade en waarom de kritiek van [appellant] niet tot een ander oordeel leidt [...]. Het hof neemt deze overwegingen over en maakt die tot de zijne. [appellant] heeft in hoger beroep geen argumenten aangevoerd die leiden tot een ander oordeel omtrent de hoogte van de inkomensschade van [geïntimeerde].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. CB

rolnr. C0500229/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vijfde kamer, van 28 augustus 2007,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats], [gemeente],

appellant in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 29 oktober 2004,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. T.J.A. Winnubst,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellant in incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht gewezen vonnissen van 21 januari 2004 en 4 augustus 2004 tussen principaal appellant - [appellant] - als gedaagde in conventie, eiser en reconventie en geïntimeerde – [geïntimeerde]- als eiser in conventie, gedaagde in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 76811/HA ZA 02-708)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 5 november 2003.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven aangevoerd, waaronder een grief tegen het tussenvonnis van 5 november 2003. Dit tussenvonnis is daarmee in het hoger beroep betrokken. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing alsnog van de conventionele vorderingen van [geïntimeerde] en toewijzing van de reconventionele vorderingen van [appellant].

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van twee producties de grieven bestreden. Voorts heeft hij incidenteel appel ingesteld tegen het eindvonnis van 4 augustus 2004, daartegen één grief aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van dit vonnis voor zover daarbij de door [geïntimeerde] gevorderde kosten van het deskundigenrapport zijn afgewezen en toewijzing alsnog van die kosten.

2.3. [appellant] heeft in incidenteel appel geantwoord.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep in principaal en in incidenteel appel

Voor de grieven verwijs het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling in principaal en in incidenteel appel

4.1. Er zijn geen grieven gericht tegen de vaststelling van de feiten in r.o. 1 van het vonnis van 5 november 2003. Ook het hof gaat uit van deze feiten.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[appellant] heeft een horecaonderneming onder de handelsnaam "[bedrijf 1]" geëxploiteerd. Partijen hebben afspraken gemaakt over de verkoop van [bedrijf 1] aan [geïntimeerde]. Deze afspraken zijn neergelegd in een brief van

[datum 2]. [geïntimeerde] heeft in zijn brieven van 15 en 23 mei 2002 gewijzigde afspraken geformuleerd over de verkoop van [bedrijf 1] aan [geïntimeerde]. [appellant] weigerde deze gewijzigde afspraken te ondertekenen. Hij heeft [geïntimeerde] bij brief van [datum 3] onder meer medegedeeld niet verder te onderhandelen over de overname van [bedrijf 1]. Op [datum 1] heeft [appellant] [bedrijf 1] verkocht aan [bedrijf 2].

4.3. In deze procedure vordert [geïntimeerde] - voor zover hier van belang - in conventie ontbinding dan wel vernietiging van de koopovereenkomst van [datum 2] met veroordeling van [appellant] tot schadevergoeding.

[appellant] vordert in reconventie - kort weergegeven - veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade en de proceskosten.

4.4. Bij vonnis van 5 november 2003 heeft de rechtbank overwogen dat de overeenkomst van [datum 2] moet worden geacht te zijn blijven bestaan.

Bij vonnis van 21 januari 2004 heeft de rechtbank deze overeenkomst ontbonden omdat [appellant] de horecaonderneming op [datum 1] heeft verkocht aan een derde. Tevens heeft zij [geïntimeerde] in de gelegenheid gesteld de door hem gestelde schade te onderbouwen.

Bij eindvonnis van 4 augustus 2004 heeft de rechtbank [appellant] in conventie veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van EUR 210.325,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 juni 2002 en tot betaling van de proceskosten, waaronder de beslagkosten. Zij heeft de vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van de accountantskosten en het beweerdelijk geleden verlies afgewezen. Voorts heeft de rechtbank de vordering in reconventie bij gebreke aan enige rechtsgrond afgewezen onder veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

in principaal appel

4.5. Bij het vonnis van 21 januari 2004 heeft de rechtbank de tussen partijen gesloten schriftelijke overeenkomst van [datum 2] ontbonden. Hiermee heeft zij door een uitdrukkelijk dictum definitief beslist omtrent een deel van het gevorderde. Omtrent een ander deel van het gevorderde heeft zij nog niet definitief beslist. Dit vonnis is derhalve deels een eindvonnis, deels een tussenvonnis.

4.6. Ingevolge het bepaalde in artikel 339 lid 1 Rv stond tegen het deel van het vonnis van 21 januari 2004 dat een eindvonnis is hoger beroep open gedurende drie maanden vanaf de dag waarop het vonnis is uitgesproken. De overweging van de rechtbank dat op grond van de wet tegen dit vonnis geen afzonderlijk hoger beroep openstaat maakt dit niet anders. De rechtbank is immers niet bevoegd hoger beroep uit te sluiten tegen een gedeeltelijk eindvonnis.

4.7. [appellant] heeft niet binnen de termijn van drie maanden beroep ingesteld tegen het deel van het vonnis van 21 januari 2004 dat een eindvonnis is. Tegen het deel van dit vonnis dat een tussenvonnis is, heeft hij geen grieven aangevoerd. Hieruit vloeit voort dat hij niet-ontvankelijk is in het hoger beroep tegen het vonnis van 21 januari 2004.

4.8. De ontbinding van de overeenkomst van [datum 2] heeft kracht van gewijsde gekregen en staat daarom niet meer ter discussie. De eerste en tweede principale grief zijn gericht tegen de ontbinding van de overeenkomst en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Deze grieven dienen buiten beschouwing te blijven.

4.9. Met de derde principale grief betoogt [appellant] dat hij ten onrechte is veroordeeld tot enig bedrag aan schadevergoeding. Daartoe voert hij aan dat de ingebrekestelling ontbreekt en dat het schadebedrag uitsluitend is gebaseerd op het door [geïntimeerde] zelf opgestelde ondernemingsplan. [geïntimeerde] heeft volgens [appellant] geen cent waar kunnen maken van dit rooskleurige ondernemingsplan.

4.10. Het hof overweegt dat [appellant] bij brief van [datum 3] aan [geïntimeerde] heeft meegedeeld dat er geen afspraken zijn gemaakt over de overname van [bedrijf 1] en dat [appellant] niet verder met [geïntimeerde] kan onderhandelen over deze overname. [geïntimeerde] heeft uit deze mededelingen moeten afleiden dat [appellant] de op hem rustende verbintenis met betrekking tot de overname van [bedrijf 1] niet zou nakomen. Nu [appellant] reeds in verzuim was, was er geen ingebrekestelling meer nodig.

4.11. De rechtbank heeft de inkomensschade van [geïntimeerde] vastgesteld op basis van scenario b in een op verzoek van [geïntimeerde] opgesteld accountantsrapport. De rechtbank heeft uitvoerig gemotiveerd waarom zij dit rapport en dit scenario ten grondslag legt aan de vaststelling van de inkomensschade en waarom de kritiek van [appellant] niet tot een ander oordeel leidt (r.o. 2.3 eindvonnis 4 augustus 2004). Het hof neemt deze overwegingen over en maakt die tot de zijne. [appellant] heeft in hoger beroep geen argumenten aangevoerd die leiden tot een ander oordeel omtrent de hoogte van de inkomensschade van [geïntimeerde].

4.12. Gelet op het voorgaande faalt grief 3.

4.13. Grief 4 houdt in dat de reconventionele vordering van [appellant] ten onrechte is afgewezen omdat de conventionele vordering van [geïntimeerde] ten onrechte is toegewezen. Blijkens de voorgaande overwegingen treffen de grieven tegen de toewijzing van de conventionele vorderingen geen doel. Grief 4 deelt dat lot.

4.14. Voor het overige heeft [appellant] geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat zijn bewijsaanbod als niet relevant wordt gepasseerd.

in incidenteel appel

4.15. Bij vonnis van 4 augustus 2004 heeft de rechtbank de door [geïntimeerde] gevorderde vergoeding van accountantskosten afgewezen omdat deze door [appellant] zijn betwist en door [geïntimeerde] onvoldoende zijn onderbouwd.

4.16. De incidentele grief is gericht tegen deze afwijzing. [geïntimeerde] stelt dat hij kosten heeft gemaakt voor de opstelling van een schadeberekening door een accountant. Ter onderbouwing hiervan brengt hij een voorschotdeclaratie van 13 januari 2004 en een e-mailbericht van de betrokken accountant van 22 april 2004 in het geding. De kosten van dit deskundigenrapport dienen volgens hem op grond van art. 6:96 lid 2 BW te worden vergoed.

4.17. Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken die [geïntimeerde] in het geding heeft gebracht blijkt niet, althans onvoldoende, dat hij de accountantskosten heeft betaald. De voorschotdeclaratie d.d.13 januari 2004 staat niet op naam van [geïntimeerde], maar op naam van [bedrijf 3]. In het e-mailbericht van de betrokken accountant is sprake van een declaratie van 2 april 2004. Deze declaratie is echter niet bijgevoegd. In verband hiermee is niet duidelijk of deze declaratie op naam van [geïntimeerde] is gesteld. Verder schrijft de accountant dat hij de volgende maand € 1.500,-- vermeerderd met BTW zal declareren, maar hij doet daarbij het voorstel voorlopig te factureren aan [bedrijf 3]. Tenslotte blijkt uit het emailbericht dat het bedrag van EUR 3.500,--, vermeerderd met BTW, alleen zal worden gedeclareerd als "de zaak [bedrijf 1]" uiteindelijk tot uitbetaling van schade leidt die de gemaakte kosten voor advocaat en accountant ruimschoots dekt. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze kosten daadwerkelijk in rekening zijn gebracht bij [geïntimeerde]. Gelet op het voorgaande zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat [geïntimeerde] zelf accountantskosten heeft gemaakt ter vaststelling van de door hem geleden schade.

4.18. [geïntimeerde] heeft in incidenteel appel ter zake geen bewijsaanbod gedaan. Aangezien niet vaststaat dat hij (zelf) accountantskosten heeft gemaakt, is zijn vordering op dit punt terecht afgewezen. Zijn grief treft geen doel.

in principaal en in incidenteel appel

4.19. De slotsom is dat de vonnissen van 5 november 2003 en 4 augustus 2004 worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal appel worden veroordeeld. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidenteel appel worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en op het incidenteel appel

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn principale beroep tegen het vonnis van 21 januari 2004;

bekrachtigt de vonnissen van 5 november 2003 en 4 augustus 2004;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in principaal appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 291,-- aan verschotten en op € 3.263,-- aan salaris procureur;

verklaart de vorenbedoelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep in incidenteel appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op € 1.631,50 aan salaris procureur;

wijst hetgeen overigens of anders is gevorderd af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Feddes en Hutten en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 28 augustus 2007.