Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB2715

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
03-09-2007
Zaaknummer
03/01088
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft gesteld dat de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van de boete niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6, lid 3, sub a EVRM, nu belanghebbende niet gedetailleerd is geïnformeerd over de gronden waarop de boete berust.

De inspecteur heeft ter zake aangevoerd dat belanghebbende bij brief d.d. 15 juli 2002 gemotiveerd ervan in kennis is gesteld dat de aanslag met een boete zou worden verhoogd. In die brief wordt o.a. overwogen dat belanghebbende in zijn hoedanigheid van directeur bestuurder/aandeelhouder van A (kosten)facturen valselijk heeft laten opmaken, dat hij deze valselijk opgemaakte (kosten)facturen heeft laten opnemen in de administratie van A, dat er verder door zijn toedoen in de administratie van A (kosten)facturen zakelijk zijn geboekt welke betrekking hebben op privé-uitgaven van belanghebbende, dat ter zake, in verband met de vermogensverschuiving van de vennootschap naar belanghebbende, sprake is van (verkapt) dividend dat niet is aangegeven in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 en dat daarom sprake is van opzet. Vorenomschreven overwegingen zijn ook opgenomen onder 4.1 van het voor belanghebbende bestemde exemplaar van het rapport van het boekenonderzoek, welk rapport is gedagtekend 12 juli 2002. Dat exemplaar is, naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, belanghebbende twee weken vóór voormelde brief d.d. 15 juli 2002 toegezonden.

De aanslag, de boetebeschikking en de kennisgeving zijn gedagtekend 15 juli 2002. In die kennisgeving zijn in duidelijke bewoordingen de gronden opgenomen waarop de boete berust. Die gronden zijn ook opgenomen in het belanghebbende eerder toegezonden exemplaar van het rapport van het boekenonderzoek. De stelling van belanghebbende mist feitelijke grondslag. Het hof verwerpt die stelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 03/01088

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraken van de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Z van de rijksbelastingdienst (hierna: de inspecteur) op de bezwaarschriften van belanghebbende betreffende de in 1.2.1 en 1.2.2 vermelde aanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Door belanghebbende onderscheidenlijk de vennootschap A BV, onderscheidenlijk de vennootschap B BV onderscheidenlijk de fiscale eenheid A BV en B BV zijn bij het hof in totaal vier beroepschriften ingediend die zien op aanslagen/beschikkingen betreffende gedeelten van de periode 1 januari 1996 t/m 30 juni 2002. Tot die beroepschriften, bij het hof geadministreerd onder de nummers 03/1088-01089-01090-01125, behoort het in 1.3 vermelde beroepschrift van belanghebbende.

1.2.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 331.116,--. Het aanslagbiljet is gedagtekend 29 december 2000. De aangifte was ingediend op 25 februari 1999. Bij de aanslag is belanghebbende bij beschikking fl. 11.834,-- heffingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar, waarbij belanghebbende tegen de heffingsrente geen zelfstandige grieven heeft geformuleerd, is de aanslag bij uitspraak van de inspecteur verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 298.131,-- (= € 135.285). De uitspraak is gedagtekend 12 maart 2003.

1.2.2. Aan belanghebbende is voor het jaar 1998 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 150.775,--. Het aanslagbiljet is gedagtekend 15 juli 2002. De aangifte was ingediend op 4 april 2000. Bij de aanslag is belanghebbende bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van per saldo 50% (fl. 2.818) en is belanghebbende bij beschikking fl. 579,-- heffingsrente in rekening gebracht. Na bezwaar, waarbij belanghebbende tegen de heffingsrente geen zelfstandige grieven heeft geformuleerd, is het bezwaar ongegrond verklaard. De uitspraak is gedagtekend 12 maart 2003.

1.3. Belanghebbende is tegen de in 1.2.1 en 1.2.2 vermelde uitspraken van de inspecteur bij één beroepschrift op 18 april 2003 in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep, dat op 3 september 2003 is doorgezonden aan de inspecteur met het verzoek uiterlijk 1 oktober 2003 een verweerschrift in te dienen, heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 31. De inspecteur heeft voor elke uitspraak afzonderlijk een verweerschrift ingediend. De verweerschriften zijn op 22 november 2004 respectievelijk op 26 november 2004 bij het hof binnengekomen en tot de gedingstukken gerekend, nadat het hof op verzoek van de inspecteur eerder de termijn voor het indienen van het verweerschrift schriftelijk had verlengd tot achtereenvolgens 5 november 2003, 1 januari 2004, 1 februari 2004 en 17 maart 2004. In de brief d.d. 18 februari 2004, waarbij de laatste termijnverlenging plaatsvond, berichtte het hof de inspecteur dat verder uitstel niet zou worden verleend. De verweerschriften zijn op 24 november 2004 respectievelijk 30 november 2004 doorgezonden aan belanghebbende.

1.4. Belanghebbende heeft op 15 juli 2005 schriftelijk gerepliceerd, nadat op diens verzoek de op 26 mei 2005 aflopende termijn voor het indienen van de repliek eerst mondeling was verlengd tot 9 juni 2005 en daarna, bij brief d.d. 1 juni 2005, schriftelijk tot 29 juni 2005. De indiening van de repliek geschiedde nadat de door het hof voorgenomen (eerste) mondelinge behandeling op 8 juli 2005, waarvoor partijen bij uitnodigingen d.d. 14 april 2005 waren opgeroepen, op verzoek van belanghebbende werd uitgesteld. De repliek is op 27 juli 2005 doorgezonden aan de inspecteur, met het verzoek uiterlijk 24 augustus 2005 te reageren. De inspecteur heeft op 2 september 2005 schriftelijk gedupliceerd.

1.5. Bij op 22 november 2005 verzonden uitnodigingen zijn belanghebbende, voormelde vennootschappen, voormelde fiscale eenheid alsmede de inspecteur opgeroepen voor de mondelinge behandeling van voormelde vier beroepschriften op 15 december 2005.

Ter zitting zijn, wat het in 1.3 vermelde beroep betreft, verschenen en gehoord belanghebbende, voorts de heer mr. C van D belastingadviseurs te E, als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mevrouw mr. F, en namens de inspecteur de heer mr. G, bijgestaan door de heer H, de heer J en mevrouw K.

Belanghebbende heeft het hof vóór de zitting bij begeleidende brief d.d. 7 december 2005 een reactie op de conclusie van dupliek van de inspecteur toegezonden. Die reactie is door het hof als pleitnota voor de zitting van 15 december 2005 aangemerkt en door tussenkomst van de griffier bij brief d.d. 8 december 2005 doorgezonden aan de wederpartij. Die pleitnota wordt geacht met instemming van partijen ter zitting te zijn voorgedragen. Het hof rekent die pleitnota tot de stukken van het geding. Ter zitting heeft belanghebbende een bij voormelde brief d.d. 7 december 2005 aangekondigde pleitnota, voorzien van een bijlage, voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de wederpartij en aan het hof. Het hof heeft die stukken als aanvullende pleitnota met bijlage aangemerkt. De inspecteur heeft verklaard tegen overlegging van de bijlage geen bezwaar te hebben. Ook de aanvullende pleitnota met bijlage rekent het hof tot de stukken van het geding.

Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft het hof in overleg met partijen met toepassing van artikel 8:64 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het onderzoek ter zitting geschorst, om partijen in de gelegenheid te stellen nader te overleggen over de verdere voortgang van de beroepsprocedures.

1.6.1. Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2006, nadat partijen eind januari 2006 uitstel voor nadere berichtgeving hadden gevraagd en verkregen en nadat partijen bij brief d.d. 23 februari 2006 het hof hadden bericht dat het nadere overleg niet tot gehele of gedeeltelijke overeenstemming had geleid. Ter zitting zijn verschenen en gehoord belanghebbende, voorts mr. C voornoemd, als gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mevrouw mr. F voornoemd en de heer mr. L van M advocaten en notarissen te E, alsmede namens de inspecteur mr. G voornoemd, bijgestaan door de heer H voornoemd en de heer J voornoemd.

Belanghebbende heeft vóór de zitting met toepassing van artikel 8:58 van de Awb een brief d.d. 30 juni 2006, voorzien van twee bijlagen, ingediend. Die bescheiden heeft hij vóór de zitting in kopie tevens aan de wederpartij gezonden. De inspecteur heeft daarna een brief d.d. 5 juli 2006 ingediend en daarvan vóór de zitting een afschrift aan mr. C voornoemd gezonden. Bedoelde stukken van belanghebbende en de inspecteur rekent het hof tot de stukken van het geding. Ter zitting heeft belanghebbende een brief d.d. 12 juli 2006 inzake een "OSB-controle (Ondernemersorganisatie Schoonmaak en Bedrijfsdiensten)" overgelegd aan de wederpartij en aan het hof, alsmede vier bescheiden uit ordners en een schema van door werknemers verrichte werkzaamheden. Het hof rekent bedoelde bescheiden eveneens tot de gedingstukken, de inspecteur heeft zich over die stukken in het kader van na te melden, hervat vooronderzoek kunnen uitlaten.

1.6.2. Ter zitting van 13 juli 2006 zijn voorts, op verzoek van belanghebbende, als getuigen verschenen en gehoord de heer P, de heer Q, mevrouw R en mevrouw S.

De door de getuigen afgelegde verklaringen zijn onverwijld door de betreffende zittingsgriffier op schrift gesteld, door de getuigen nagelezen en ondertekend. Afschriften van de verklaringen zijn aan het op 25 augustus 2006 in afschrift aan partijen toegezonden proces-verbaal van de zitting gehecht.

1.6.3. Aan het einde van de zitting van 13 juli 2006 heeft het hof met toepassing van artikel 8:64 van de Awb het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek werd hervat. Met toepassing van artikel 8:12 van de Awb heeft het hof vervolgens uit zijn midden de heer mr. Huige als raadsheer-commissaris aangewezen en hem opgedragen het vooronderzoek te verrichten.

1.7. Bedoeld vooronderzoek heeft plaatsgevonden op 1 september 2006.

Bij dat onderzoek is, wat het in 1.3 vermelde beroep betreft, als gemachtigde van belanghebbende verschenen en gehoord de heer mr. C voornoemd, na een tussentijdse schorsing bijgestaan door de heer mr. L voornoemd. Namens de inspecteur is verschenen en gehoord de heer mr. G voornoemd, bijgestaan door de heer H voornoemd. De inspecteur heeft vóór de zitting, bij brief d.d. 16 augustus 2006, het hof een pleitnota met 12 bijlagen (toelichting correcties uren/loonheffing) toegezonden. Door tussenkomst van de griffier, bij diens brief d.d. 21 augustus 2006, zijn die bescheiden doorgezonden aan belanghebbende. Het hof rekent de pleitnota met bijlagen tot de stukken van het geding.

Ter zitting van de raadsheer-commissaris heeft belanghebbende zonder bezwaar van de wederpartij in kopie een transactievoorstel van het Centraal Justitie Incasso Bureau overgelegd, drie vorderingen tot gerechtelijk vooronderzoek, een blad met getypte aantekeningen, een aantal verzamelloonstaten, een "overzicht personeelsbestand B BV" alsmede een brief d.d. 24 juli 2006 van het OSB aan B BV inzake een uitgevoerde controle naar de naleving van de CAO Schoonmaak en Glazenwassersbranche.

1.8. Aan het einde van de zitting van 1 september 2006 heeft de raadsheer-commissaris het vooronderzoek aangehouden en vervolgens aan belanghebbende met overeenkomstige toepassing van artikel 8:45 van de Awb partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

In de van hen afkomstige stukken hebben partijen, desgevraagd door de raadsheer-commissaris, aangegeven zonder voorwaarden toe te stemmen in het achterwege blijven van een nadere zitting van het hof.

1.9. Daarna heeft de raadsheer-commissaris aan het hof verslag uitgebracht van zijn bevindingen.

1.10. Het hof heeft op 6 november 2006, op de voet van het bepaalde in artikel 8:64, lid 5, van de Awb, het onderzoek gesloten. Bij brieven van diezelfde datum is partijen daarover bericht gezonden en is partijen een schriftelijke uitspraak aangekondigd. De termijn voor het doen van uitspraak is bij brieven aan partijen van achtereenvolgens 23 januari 2007 en 5 maart 2007 verlengd.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding, het verhandelde tijdens de zittingen van het hof en het verhandelde tijdens het hervatte vooronderzoek staat, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende en zijn echtgenote waren in de jaren 1997 en 1998 ieder voor 50% gerechtigd in het aandelenkapitaal van de vennootschap A BV. Die vennootschap werd op 8 oktober 1991 als B BV opgericht. Direct na de wijziging van de naam in die van A BV, op 5 oktober 1995, werd onder de naam B BV een nieuwe vennootschap opgericht (hierna: B). Direct na evengemelde naamswijziging en de oprichting van de nieuwe vennootschap is A met B, de werkmaatschappij waarin A alle aandelen bezit, een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting gaan vormen. Sedert 1 april 1999 vormen A en B ook voor de heffing van de omzetbelasting een fiscale eenheid. Belanghebbende was directeur van A en als zodanig tevens in dienstbetrekking bij die vennootschap. Belanghebbendes echtgenote was in dienstbetrekking bij B.

2.2. De ondernemingsactiviteiten van B betroffen het drijven van een schoonmaakbedrijf (hierna: het schoonmaakbedrijf). Tot de werkzaamheden van het schoonmaakbedrijf behoorden onder meer het schoonmaken van bedrijfspanden en woningen en het reinigen van glaswanden. De schoonmaakwerkzaamheden vormden de hoofdmoot van de werkzaamheden. In voorkomende gevallen besteedde B de werkzaamheden uit aan een onderaannemer.

2.3. Een klein gedeelte van het woonpand van belanghebbende en zijn echtgenote diende als kantoorruimte ten behoeve van A. Bij het woonpand, dat in een woonwijk was gelegen, behoorde een grote, losstaande garage, welke de mogelijkheid van opslag en stalling bood. Met de bouw van het woonpand werd in 1995 gestart.

2.4. Het perceel waarop het woonpand kwam te staan, was aanvankelijk op de balans van A geactiveerd. Dat perceel werd in 1996 overgeboekt naar het (privé-)vermogen van belanghebbende. Voor door A BV gedane investeringen op het perceel werd op advies van de adviseur van belanghebbende een vergoedingsregeling overeengekomen, welke inhield dat belanghebbende bij de beëindiging van het gebruik door de vennootschap van zaken welke investeringen vormden van de vennootschap, de waarde in het economische verkeer van die zaken zou vergoeden, een en ander ten tijde van die beëindiging.

2.5. Op bedoeld perceel is in 1997 een bestrating, ook ten behoeve van parkeren, aangelegd en zijn een muur en hekwerk geplaatst. De muur en het hekwerk kwamen aan de grenzen van het perceel te staan. De uitgaven ter zake van de bestrating, de muur en het hekwerk bedroegen in totaal fl. 35.543,--, inclusief fl. 5.294,-- omzetbelasting. In de factuur d.d. 28 maart 1997 betreffende de levering en plaatsing van het hekwerk is het hekwerk omschreven als sierhekwerk, met "vakhoogten" van 85 en 90 cm. De factuur betreft het "woonhuis T-straat 37, V" en is gericht aan "Weledele Heer W, AA-straat 100, ---- -- BB".

2.6. A heeft voormeld totaalbedrag ad fl. 35.543,-- voldaan. De bestrating, de muur en het hekwerk heeft zij als zakelijke investeringen aangemerkt. De in het totaalbedrag begrepen omzetbelasting ad fl. 5.294,-- heeft de vennootschap als voorbelasting in aftrek gebracht. Het bedrag van de netto betaling ad (fl. 35.543,-- - fl. 5.294,-- =) fl. 30.249,-- werd op de balans van de vennootschap geactiveerd. Voorts behoorden tot het vermogen van de vennootschap diverse personenauto's: van 8 juli 1996 t/m 6 februari 1997 een Opel Kadett (kenteken --------), van 1 januari 1997 t/m 20 januari 1997 een Opel Omega (kenteken --------), van 17 januari 1997 t/m 3 februari 1997 een Opel Astra (kenteken --------) en van 4 februari 1997 t/m 29 maart 2001 een Opel Vectra (kenteken --------).

2.7. Belanghebbende deed op 25 februari 1999 voor het jaar 1997 aangifte van een belastbaar inkomen/premie-inkomen van fl. 134.301,--, waarin begrepen een bedrag van fl. 12.200,-- in verband met privé-gebruik van de Opel Omega gedurende het gehele jaar 1997.

Bij brief d.d. 28 juli 1999 vulde hij de aangifte in die zin aan dat hij in verband met volgtijdelijk privé-gebruik in 1997 van achtereenvolgens de Opel Omega, de Opel Astra en de Opel Vectra een bedrag in aanmerking nam van in totaal fl. 9.015,-- ter zake van privé-gebruik auto. Voor 1997 werd derhalve aangegeven een belastbaar inkomen van [fl. 134.301,-- -(fl. 12.200,-- -

fl. 9.015,-- =) fl. 3.185,-- =] fl. 131.116,--.

2.8. Op 14 oktober 1999 kondigde de inspecteur bij A een boekenonderzoek aan. Dat boekenonderzoek ving aan op 11 november 1999. Resultaten van verifiëring van facturen bij derden vormden voor de inspecteur aanleiding het administratiefrechtelijk onderzoek te schorsen en de Fiod in te schakelen.

2.9. Bij vorderingen d.d. 3 mei 2000 vorderde de officier van justitie dat de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken, een gerechtelijk vooronderzoek instelde bij A, B en belanghebbende.

De verdenkingen luidden als volgt.

- A werd ervan verdacht dat zij "in of omstreeks de/het ja(a)r(en) 1997 en/of 1998 en/of 1999 en/of 2000 (...) (telkens) opzettelijk een (aantal) bij de wet voorziene aangifte(n) Vennootschapsbelasting niet en/of niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, zulks terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of terwijl het feit er (telkens) toe strekte dat te weinig belasting werd geheven".

- B werd ervan verdacht dat zij "in of omstreeks de/het ja(a)r(en) 1995 en/of 1996 en/of 1997 en/of en/of 1998 en/of 1999 en/of 2000 (...) (telkens) opzettelijk een (aantal) bij de wet voorziene aangifte(n) Loonbelasting/Premie volksverzekeringen en/of Omzetbelasting niet en/of niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, zulks terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn dat de te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of terwijl het feit er (telkens) toe strekte dat te weinig belasting werd geheven".

- Belanghebbende werd, als feitelijk leidinggever, ervan verdacht dat:

a. A "in of omstreeks de/het ja(a)r(en) 1997 en/of 1998 en/of 1999 en/of 2000 (...) (telkens) opzettelijk een (aantal) bij de wet voorziene aangifte(n) Vennootschapsbelasting niet en/of niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, zulks terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of terwijl het feit er (telkens) toe strekte dat te weinig belasting werd geheven".

b. B "in of omstreeks de/het ja(a)r(en) 1995 en/of 1996 en/of 1997 en/of 1998 en/of 1999 en/of 2000 (...) (telkens) opzettelijk een (aantal) bij de wet voorziene aangifte(n) Loonbelasting/Premie volksverzekeringen en/of Omzetbelasting niet en/of niet binnen de gestelde termijn en/of onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, zulks terwijl daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn dat de te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of terwijl het feit er (telkens) toe strekte dat te weinig belasting werd geheven".

2.10. In het kader van het gerechtelijk vooronderzoek vond op 9 mei 2000 een doorzoeking plaats in de panden CC-straat 37 en DD-straat 13 te E. Hierbij werd de aanwezige administratie in beslag genomen. Het onderzoek werd daarna voortgezet op het adres van de Fiod te EE.

2.11. De strafzaken tegen A en B werden geseponeerd. In de strafzaak tegen belanghebbende deed de officier van justitie bij brief d.d. 11 februari 2003 een transactievoorstel. Door tijdige betaling, vóór 19 februari 2003, van een bedrag van € 10.120 kon belanghebbende verdere strafvervolging voorkomen. In de brief is ten aanzien van de in het transactievoorstel betrokken strafbare feiten onder meer het volgende vermeld:

- Opzettelijk doen van onjuiste/onvolledige aangifte omzetbelasting, leidinggever. Pleegdatum: 26 april 2000; pleegplaats: E.

- Opzettelijk doen van onjuiste/onvolledige aangifte omzetbelasting, leidinggever. Pleegdatum: 29 april 1999; pleegplaats: E.

- Valselijk opmaken/vervalsen van een of meer geschriften - meerdere tijdstippen. Pleegdatum: 12 augustus 1996; pleegplaats: FF.

- Valselijk opmaken/vervalsen van een geschrift - een tijdstip. Pleegdatum: 11 december 1997; pleegplaats: FF.

- Valselijk opmaken/vervalsen van een of meer geschriften - meerdere tijdstippen. Pleegdatum: 25 oktober 1996; pleegplaats: GG.

- Valselijk opmaken/vervalsen van een geschrift - een tijdstip. Pleegdatum: 1 december 1997; pleegplaats: HH.

- Valselijk opmaken/vervalsen van een of meer geschriften - meerdere tijdstippen. Pleegdatum: 31 maart 2000; pleegplaats: JJ.

- Valselijk opmaken/vervalsen van een of meer geschriften - meerdere tijdstippen. Pleegdatum: 31 augustus 1998; pleegplaats: KK.

- Valselijk opmaken/vervalsen van een geschrift - een tijdstip. Pleegdatum: 11 november 1997; pleegplaats: KK.

2.12. Belanghebbende heeft, tegen betaling van voormeld bedrag ad

€ 10.120, verdere strafvervolging voorkomen.

2.13. De inspecteur heeft, lopende voormeld strafrechtelijk onderzoek door de Fiod, belanghebbende ter behoud van rechten voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 331.116,--. Het aanslagbiljet is gedagtekend 29 december 2000. Bij zijn uitspraak d.d. 12 maart 2003 op bezwaar, kort na de beëindiging van de strafvervolging, heeft de inspecteur de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van fl. 298.131,--. Per saldo werd het door belanghebbende voor 1997 aangegeven belastbare inkomen ad fl. 131.116,-- met (fl. 298.131,-- -

fl. 131.116,-- =) fl. 167.015,-- gecorrigeerd. Die correctie betreft (fl. 9.573,-- - fl. 9.015,-- =) fl. 558,-- ter zake meer privé-gebruik auto (met toepassing van artikel 42, lid 3 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964) en fl. 168.457,-- ter zake van (vermomd) dividend, te verminderen met de dividendvrijstelling ad fl. 2.000,--.

2.14. Belanghebbende deed op 4 april 2000 voor het jaar 1998 aangifte van een belastbaar inkomen van fl. 119.387,--.

De inspecteur heeft, naar aanleiding van het controlerapport d.d. 12 juli 2002 betreffende het op 11 november 1999 aangevangen administratiefrechtelijke boekenonderzoek, het door belanghebbende aangegeven belastbare inkomen voor 1998 met fl. 31.388,-- gecorrigeerd en de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van fl. 150.775,--. Het aanslagbiljet is gedagtekend 15 juli 2002.

De correctie ad fl. 31.388,-- betreft fl. 8.840,-- ter zake van privé-gebruik auto (met toepassing van voormeld artikel 42, lid 3) en fl. 24.548,-- ter zake van (vermomd) dividend, te verminderen met de dividendvrijstelling ad fl. 2000,--.

Bij de aanslagregeling heeft de inspecteur belanghebbende bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van per saldo 50%. Die boete bedraagt fl. 2.818,--. Bij zijn uitspraak d.d. 12 maart 2003 op bezwaar, kort na de beëindiging van de strafvervolging, heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Voor het jaar 1997 is in geschil of de in 2.12 vermelde correcties ad fl. 558,-- en (fl. 168.457,-- - fl. 2.000,-- =) fl. 166.457,-- terecht zijn. Belanghebbende beantwoordt die vraag geheel ontkennend, de inspecteur beantwoordt die vraag geheel bevestigend.

Voor het jaar 1998 is in geschil of de in 2.13 vermelde correcties ad fl. 8.840,-- en (fl. 24.548,-- - fl. 2.000,-- =) fl. 22.548,-- en de aldaar vermelde vergrijpboete terecht zijn. Belanghebbende beantwoordt die vraag geheel ontkennend, de inspecteur beantwoordt die vraag geheel bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, vermeld in de van hen afkomstige stukken. Ter zitting zijn, voor wat betreft de onderhavige aanslagen en de onderhavige boete, geen gronden toegevoegd, behoudens de navolgende.

Belanghebbende heeft ter zitting van 15 december 2005 een aantal foto's getoond van zijn woonpand en directe omgeving, ter staving van zijn stelling dat in verband met de bestrating, de muur en het hekwerk sprake was van zakelijke investeringen door A BV. De inspecteur heeft ter zitting van 15 december 2005 aangevoerd dat, gelet op de vele tekortkomingen en valse facturen daarin, sprake is van een ondeugdelijke administratie en dat in verband daarmee de bewijslast moet worden omgekeerd.

De inspecteur heeft ter zitting van 1 september 2006 verklaard dat de woorden "en uitbetaald", voorkomende op pagina 3, onder "opmerkingen bij getuigenverhoor van mevrouw R" tweede alinea, eerste volzin, van zijn pleitnota, moeten komen te vervallen.

3.3. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de opgelegde aanslagen inkomstenbelasting voor 1997 en 1998 alsmede tot vernietiging van de boete voor 1998. Subsidiair concludeert hij tot vermindering van de opgelegde aanslagen, afhankelijk van de beslissingen van het hof in de beroepszaken 03/01089-01090-01125.

De inspecteur heeft, naar het hof begrijpt, geheel geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. De inspecteur heeft zowel ten aanzien van het jaar 1997 als ten aanzien van het jaar 1998 aangevoerd dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan, "nu hij geen opgaaf heeft gedaan van de aan hem uitgekeerde winsten". In verband daarmee heeft hij geconcludeerd dat de bewijslast moet worden omgekeerd.

4.1.2. Belanghebbende heeft voor zowel voor 1997 als voor 1998 een aangifte inkomstenbelasting ingediend. Voor de juistheid van de conclusie dat belanghebbende voor die jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan, moet vaststaan dat, hoewel aangifte is gedaan, een bedrag is verzwegen dat, zowel absoluut als in verhouding tot het wel aangegeven bedrag, aanzienlijk is. Nu belanghebbende de in geding zijnde correcties geheel heeft betwist, staat dat vorenstaande niet vast. Voor omkering van de bewijslast om die reden is, voor beide jaren, geen plaats.

4.2.1. De inspecteur heeft ter zitting van 15 december 2005 aangevoerd dat, gelet op de vele tekortkomingen en valse facturen daarin, sprake is van een ondeugdelijke administratie en dat in verband daarmee de bewijslast moet worden omgekeerd.

4.2.2. Het onderhavige beroep ziet op aangiften inkomstenbelasting van een natuurlijk persoon die, naar niet in geschil is, in de jaren 1997 en 1998 niet een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefende.

Belanghebbende was niet een administratieplichtige in de zin van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr). Voor omkering van de bewijslast, op de grond dat sprake was van een gebrekkige administratie, is derhalve geen plaats.

4.3. Gelet op het hiervoor vermelde dient het hof te beslissen volgens de regels van de bewijslastverdeling, zonder omkering van de bewijslast op voormelde door de inspecteur aangevoerde gronden.

4.4. Met betrekking tot het jaar 1997 overweegt het hof het volgende.

4.4.1.1. De eerste correctie betreft de (per saldo) correctie ad fl. 558,-- ter zake meer privé-gebruik auto. Die correctie berust, enerzijds, op een (gezamenlijke) bijtelling privé-gebruik van fl. 9.573,--, bestaande uit afzonderlijke bijtellingen van fl. 493,-- (Opel Kadett), fl. 8.100,-- (Opel Vectra), fl. 345,-- (Opel Astra) en fl. 635,-- (Opel Omega), en anderzijds, op de door belanghebbende in zijn (gecorrigeerde) aangifte ter zake van privé-gebruik auto in aanmerking genomen fl. 9.015,-- nadat belanghebbende ter zake van bijtelling privé-gebruik aanvankelijk een bedrag van fl. 12.200,-- had opgevoerd.

4.4.1.2. In zijn aanvulling d.d. 28 juli 1999 op de aangifte voor het jaar 1997, opgesteld door het kantoor van belanghebbendes gemachtigde, is onder meer het volgende vermeld.

"In de aangifte is vermeld dat de heer W het gehele jaar een Opel Omega, kenteken --------, tot zijn beschikking had. Dit is niet het geval geweest. Van 1 januari tot 20 januari reed de heer W in de Opel Omega, van 20 januari tot 4 februari in een Opel Astra en van 4 februari tot en met 31 december in een Opel Vectra.

(...)

Ik verzoek u vriendelijk de forfaitaire bijtelling, welke in de aangifte is opgenomen voor een bedrag van f 12.200, te wijzigen in f 9.015.".

4.4.1.3. In zijn beroepschrift voert belanghebbende op de pagina's 7 en 8 onder meer het volgende aan.

"Belanghebbende is van mening dat de bijtelling voor privé-gebruik van de Opel Vectra achterwege dient te blijven.

(...)

Belanghebbende is van mening dat de Opel Vectra haar in 1997 en 1998 niet ter beschikking heeft gestaan op grond van artikel 42, lid 3 Wet IB 1964.

Holding heeft op 4 februari 1997 een Opel Vectra met het kenteken -------- aangeschaft. Deze auto is aan mevrouw S, een werkneemster van Holding ter beschikking gesteld.

In de aanvulling op de aangifte inkomstenbelasting 1997 en 1998 d.d. 29 juli 1999 is abusievelijk wel aangegeven dat de Opel Vectra het gehele jaar 1997 en 1998 aan belanghebbende ter beschikking stond.

(...)

Nadat het boekenonderzoek had plaatsgevonden bleek dat reeds in 1997 de Opel Vectra aan mevrouw S ter beschikking was gesteld en dat de bijtelling niet terecht was geweest.

(...)

Mevrouw S heeft geen kilometeradministratie bijgehouden en, uitgaande van een cataloguswaarde van € 20.873 (f 46.000), heeft zij in haar aangiften inkomstenbelasting derhalve de bijtelling in verband met het privé-gebruik van deze auto gesteld op 20% van € 20.873 (f 46.000), zijnde € 4.174 (f 9.200). De aangiften over deze jaren zijn door de belastingdienst zonder correctie gevolgd.

Over het jaar 1997 is door mevrouw S geen aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan. Dit heeft zij wel over de jaren 1998, 1999, 2000 en 2001 gedaan (zie bijlagen). Mevrouw S heeft de auto op 30 maart 2001 van de Holding gekocht.

Belanghebbende is van mening dat zowel over 1997 als 1998 geen bijtelling wegens het privé-gebruik dient plaats te vinden omdat de Opel Vectra gedurende de jaren 1997 en 1998 aan mevrouw S en niet aan hem ter beschikking bestond.

(...)

Een bijtelling in verband met het vermeende privé-gebruik van deze auto dient dan ook achterwege te blijven.".

4.4.1.4. Blijkens het dienaangaande in het beroepschrift vermelde, een en ander als weergegeven in 4.4.1.3, spitst het geschil inzake de correctie ad fl. 558,-- zich toe op het antwoord op de vraag of A de op 4 februari 1997 aangeschafte Opel Vectra in 1997 aan belanghebbende voor het verrichten van arbeid ter beschikking heeft gesteld.

4.4.1.5. Het hof kent betekenis toe aan de door het kantoor van belanghebbendes gemachtigde, een professioneel belastingadviesbureau, opgestelde aanvulling d.d. 28 juli 1999 op de aangifte voor het jaar 1997. Blijkens het beroepschrift was die aangifte nog gedaan door de heer LL en werd vanaf 1999 de financiële administratie verzorgd door de dochter van belanghebbende, in samenwerking met het kantoor van belanghebbendes gemachtigde. Bedoelde aanvulling, opgesteld en verzonden ruim nadat de financiële administratie was overgegeven, was stellig en zonder voorbehoud. Duidelijk is in de aanvulling vermeld dat belanghebbende in 1997 van 4 februari t/m 31 december de Opel Vectra tot zijn beschikking had, nadat belanghebbende in 1997 achtereenvolgens de Opel Omega en de Opel Astra tot zijn beschikking had gehad.

Belanghebbende stelt dat in verband met het ook opvoeren van de Opel Vectra sprake is van een abuis, "vanwege het feit dat nog niet alle gegevens van belanghebbende bij D bekend waren". Belanghebbende heeft evenwel de juistheid van die stelling onvoldoende aannemelijk gemaakt. In dit verband merkt het hof op dat omtrent de door belanghebbende gestelde terbeschikkingstelling aan mevrouw S van de Opel Vectra, in 1997, niets is komen vast te staan. In ieder geval heeft belanghebbende, op wie in deze de bewijslast is komen te rusten, tegenover de betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat A de Opel Vectra in 1997 niet aan belanghebbende voor het verrichten van arbeid ter beschikking heeft gesteld.

4.4.1.6. Voor dat geval is niet in geschil dat de correctie ad fl. 558,-- juist is. In dit verband merkt het hof op dat het, anders dan de inspecteur, in het beroepschrift niet leest dat belanghebbende van mening is dat voor 1997 "de autokostenfictie" in het geheel niet dient te worden toegepast.

4.4.2.1. De tweede correctie betreft de correctie ad fl. 168.457,-- (€ 76.4420) ter zake van (vermomd) dividend, te verminderen met de dividendvrijstelling ad fl. 2.000,--.

De fl. 168.457,-- is opgebouwd uit de volgende bedragen.

a. fl. 35.543,-- (inclusief fl. 5.294,-- omzetbelasting) in verband met de door A betaalde bedragen ter zake van de aanleg van de bestrating en de plaatsing van de muur en het hekwerk, een en ander als omschreven in 2.5;

b. fl. 33.828,-- in verband met door B aangeschafte inventarisgoederen;

c. fl. 3.897,-- in verband met door B aangeschafte audioapparatuur;

d. fl. 95.189,-- ter zake van, zoals door de inspecteur gesteld, onjuiste, door B betaalde facturen.

4.4.2.2. Met betrekking tot voormelde fl. 35.543,-- (inclusief fl. 5.294,-- omzetbelasting) merkt het hof het volgende op.

Vaststaat dat het woonpand van belanghebbende in een woonwijk is gelegen en dat een klein gedeelte van het woonpand diende als kantoorruimte ten behoeve van A. Tevens staat vast dat met de bouw van het woonpand in 1995 werd gestart, dat de factuur inzake de levering en plaatsing van het hekwerk het "woonhuis T-straat 37, V" betrof en dat die factuur, welke is gedateerd 28 maart 1997, is gericht aan "Weledele Heer W, AA-straat 100, ---- -- BB".

In die factuur is het hekwerk omschreven als "sierhekwerk", met "vakhoogten" van 85 en 90 cm. Vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, wijst op de voltooiing in het eerste kwartaal van 1997 van de bouw van een woonpand, van welke voltooiing de aanleg van de bestrating en de plaatsing van de muur en het hekwerk deel uitmaakten. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de investeringen door A BV in de bestrating, de muur en het hekwerk, in enigszins betekenende mate een zakelijk belang van het schoonmaakbedrijf dienden, ook niet een veiligheidsbelang. De omstandigheid dat de grote, bij het woonpand behorende losstaande garage de mogelijkheid van opslag en stalling bood en ook de omstandigheid dat op de aangelegde bestrating goed kon worden gereden en geparkeerd, zegt niets over het zakelijke karakter van bedoelde investeringen. Ook de door belanghebbende ter zitting getoonde foto's hebben daarin geen duidelijkheid geschapen. A BV, in de persoon van belanghebbende, was zich bewust van de vermogensverschuiving ad fl. 35.543,-- ten gunste van belanghebbende. De inspecteur heeft dat bedrag, inclusief de daarin begrepen, voor naheffing in aanmerking komende omzetbelasting ad fl. 5.294,--, bij belanghebbende terecht als vermomd dividend aangemerkt.

4.4.2.3. De in 4.4.2.1 onder b vermelde fl. 33.828,-- betreft de volgende correcties in verband met (gestelde) leveringen aan B BV.

- Aankopen bij B-E Tuinbouwtechniek MM BV te JJ.

a. de aanschaf op 2 december 1997 van een noodstroom aggregaat,

nota ad fl. 4.140,70 (inclusief fl. 616,70 btw), contant voldaan;

b. de aanschaf op 20 december 1997 van een 200 "Tricotech.1", robot, MLV 25 (Mobiel Kachel) en Babysub 2001, nota ad fl. 8.284,93 (inclusief fl. 1.233,93 btw), contant voldaan;

c. de aanschaf op 23 juli 1997 van een Compressor CS 900,

nota ad fl. 7.302,63 (inclusief fl. 1.087,63 btw), contant voldaan.

- Aankopen bij NN te FF.

d. "kantoreninrichting", factuurdatum 16 juni 1997, factuurnummers

-------------- t/m --------------, 1e t/m 4e termijn [4 x

fl. 9.000,--(exclusief fl. 1.575,-- btw) =]: fl. 36.000,-- (na korting).

In een aan de Fiod ter beschikking gestelde orderbevestiging dienaangaande is vermeld dat kastenwanden geplaatst moesten worden op een of meer slaapkamers en op de zolder voor een bedrag van

fl. 14.645,-- (exclusief btw). In verband met die orderbevestiging en omdat de fl. 14.645,-- ruim 1/3 gedeelte bedraagt van de fl. 36.000,-- heeft de inspecteur ter zake een correctie in aanmerking genomen van 1/3 x fl. 36.000,-- en inclusief btw (fl. 2.100,--) de correctie berekend op fl. 14.100,--.

4.4.2.4. In een proces-verbaal van bevindingen van de Fiod aangaande (ondermeer) de in 4.4.2.3 vermelde nota's ad fl. 4.140,70, fl. 8.284,93 en fl. 7.302,63, is vermeld dat evengemelde nota's aan de magazijnmeester bij B-E Tuinbouwtechniek MM BV zijn getoond en dat die magazijnmeester omtrent (onder meer) die nota's, als getuige, het volgende heeft verklaard:

"Ik werk sinds 1988 bij BE MM BV te JJ als magazijnmeester. MM BV is een groothandel in tuinbouwartikelen.

(...)

Ik ken W alleen maar als klant van BE MM BV. Door hem zijn hier diverse zaken gekocht. Altijd werd hij dan, voor zover ik weet, door mij geholpen.

(...)

Het volgende is wel gebeurd. De heer W is een klant van ons. Hij kocht hier de meest uiteenlopende zaken bij ons, variërend van slangen, hulpstukken, pompen, electromaterialen en druppelsetjes, bestemd voor het bewateren van planten. Al deze zaken werden door hem contant afgerekend. Hij kreeg dan een contantbon. Dit is eenzelfde factuur zoals door u getoond, maar dan zonder vermelding van de naam van degene aan wie werd geleverd.

(...)

Enkele malen per jaar kwam W bij mij hier op de zaak met een aantal contantbonnen en vroeg mij voor deze bonnen één factuur af te geven. Tevens werd door hem gevraagd op de factuur als omschrijving van gekochte zaken op te schrijven een artikel of artikelen, die de schijn zouden kunnen wekken dat het om voor hem zakelijke goederen zou gaan, terwijl dat in werkelijkheid niet zo was. Ik totaliseerde vervolgens de door hem meegekochte bonnen, maakte een factuur voor dat bedrag en verzon een artikel of meerdere artikelen welke voor dat bedrag gekocht zouden kunnen zijn. Ik weet zeker dat ik geen hogere bedragen op de factuur hoefde te vermelden dan het totaal van de contantbonnen.

(...)

De zo door mij gemaakte factuur en de contantbonnen van W werden aan hem afgegeven. Ik weet nu dat ik dit niet had moeten doen. Op deze manier stelde ik W in staat om te frauderen.".

4.4.2.5. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de magazijnmeester van B-E Tuinbouwtechniek MM BV. Aannemelijk is dat A, in de persoon van belanghebbende, bedragen van fl. 4.140,70, fl. 8.284,93 en fl. 7.302,63, inclusief de in die bedragen begrepen omzetbelasting, aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich bewust was van de vermogensverschuivingen ten gunste van belanghebbende. De inspecteur heeft die bedragen terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.6. In een proces-verbaal van bevindingen van de Fiod aangaande de in 4.4.2.3 vermelde vier termijnfacturen ad fl. 9.000,-- (na korting, exclusief btw)(in het proces-verbaal aangeduid als "de bijlagen Doc/17-1 t/m Doc/17-4), is vermeld dat die facturen aan de leverancier zijn getoond en dat de leverancier omtrent die facturen ondermeer heeft verklaard dat die facturen "deelbetalingen zijn op de eerder genoemde orderbevestiging". Die orderbevestiging betreft de in 4.4.2.3 onder d vermelde orderbevestiging waarin is vermeld dat kastenwanden geplaatst moesten worden op een of meer slaapkamers en op de zolder voor een bedrag van fl. 14.645,-- (exclusief btw).

Exclusief omzetbelasting heeft de inspecteur ter zake een correctie in aanmerking genomen van 1/3 x (4 x fl. 9000,-- =) fl. 36.000,-- = fl. 12.000,-- en inclusief btw de correctie berekend op fl. 14.100,--.

4.4.2.7. Aannemelijk is dat die correctie geheel door A BV, via B BV, ten behoeve van belanghebbende in privé, aangeschaft meubilair betreft. In ieder geval heeft belanghebbende, op wie in deze de bewijslast is komen te rusten, het tegendeel tegenover de betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt. In verband met het vorenstaande is aannemelijk dat A, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 14.100,-- aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich bewust was van die vermogensverschuiving. De inspecteur heeft het betreffende bedrag terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.8. De in 4.4.2.1 onder c vermelde fl. 3.897,-- betreft, blijkens een factuur d.d. 7 juni 1997, door PP te QQ aan B BV geleverde audioapparatuur. In de factuur is te lezen dat het om inbouw van audioapparatuur in een Seat Inca ging. B BV heeft die audioapparatuur als investeringsgoed geactiveerd.

4.4.2.9. Bij controle van de juistheid van evengemelde factuur bleek dat de audioapparatuur zich niet in de Seat Inca bevond. Ook in enige andere bedrijfswagen van het schoonmaakbedrijf werd audioapparatuur als omschreven op voormelde factuur, niet aangetroffen. Belanghebbende, die in zijn beroepschrift heeft vermeld dat "de audioapparatuur nog steeds aanwezig is in de onderneming", heeft niet aangegeven waar in de onderneming die audioapparatuur zich bevindt, c.q. bevond. Aannemelijk is dat A de audioapparatuur ten behoeve van belanghebbende voor privé-doeleinden heeft aangeschaft en aan deze heeft doen toekomen, een en ander via B, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich bewust was van de betreffende vermogensverschuiving. De inspecteur heeft het factuurbedrag ad fl. 3.897,-- terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.10. De in 4.4.2.1 onder d vermelde fl. 95.189,-- (€ 43.194) betreft de navolgende correcties.

a. Aankopen van brandstof bij Automobielbedrijf G+H te KK, volgens bonnen tot een totaalbedrag, in 1997, van fl. 15.796,24 (inclusief fl. 2.352,56 btw).

b. Een factuur d.d. 11 november 1997 van RR te KK, gericht aan Dhr. SS, CC-straat 37 te BB. Op de factuur is als omschrijving vermeld het leveren en egaliseren van diverse vloeren van de projecten TT-straat, VV-straat en WW-straat. De totaalsom bedraagt fl. 4.353,38 inclusief fl. 648,38 btw).

c. Een kassabon d.d. 2 mei 1997 van AAA te FF. De totaalsom bedraagt fl. 3.600,-- (inclusief fl. 536,17 btw).

d. Een nota d.d. 1 november 1997 van BBB BV te E, gericht aan Schoonmaakbedrijf CCC te E. De totaalsom bedraagt fl. 1.324,-- (inclusief fl. 197,19 btw), een en ander in verband met "diversen tapijten festonneren i.v.m. rookschade".

e. Een nota d.d. 8 december 1997 van DDD BV (kunststof, ramen en deuren) te FF, gericht aan B BV. De totaalsom bedraagt fl. 8.374,-- (inclusief fl. 1.247,19 btw), een en ander in verband met "uitgevoerde reparatie pand EEE-straat 11 i.v.m. beschadiging gevelreiniging, vervanging rolluiken en glas".

f. Een voor voldaan getekende orderbon d.d. 17 april 1996 (DOC/24-1) en twee nota's d.d. 28 januari 1997 (DOC/24-2) en 19 april 1997 (DOC/24-3), alle van FFF Woninginrichting Interieurinrichting Project-vloerbedekking te E, gericht aan B BV.

Op de orderbon is als omschrijving opgenomen "het leveren en leggen van tapijttegels bij GGG, schade veroorzaakt door HHH BV." De totaalsom bedraagt fl. 8.500,-- (inclusief btw).

Op de nota d.d. 28 januari 1997 is als omschrijving opgenomen "570 stuks tapijt-tegels fabr. JJJ, merk Rival 9436 + arbeidsloon leggen". De totaalsom bedraagt fl. 8.695,-- (inclusief fl. 1.295,--) btw).

Op de nota d.d. 19 april 1997 is als omschrijving opgenomen "het leveren en leggen van tapijttegels bij KKK, Schade veroorzaakt door schoonmaakbedrijf B BV". De totaalsom bedraagt fl. 8.500,-- (inclusief btw).

De inspecteur heeft alleen de orderbon geaccepteerd. De nota d.d. 28 januari 1997 ad fl. 8.695,-- en de nota d.d. 19 april 1997 ad fl. 8.500,-- heeft hij als onbetaald gebleven nota's gecorrigeerd.

g. Een nota d.d. 1 december 1997 van LLL v.o.f. te HH, gericht aan Schoonmaakbedrijf CCC te V. In die nota is als omschrijving opgenomen "Diverse werkzaamheden MMM-E- en BB". De totaalsom bedraagt fl. 15.686,25 (inclusief fl. 2.336,25 btw).

h. Een factuur/afleveringsbon d.d. 19 december 1997 van DrankenCentrum NNN te E, gericht aan Schoonmaakbedrijf CCC te BB. Die factuur, waarin als omschrijving is opgenomen "Geleverde kerst + relatie pakketten", is voor "voldaan" getekend. De totaalsom bedraagt fl. 8.236,99 (inclusief fl. 1.226,79 btw).

i. Twee nota's d.d. 7 juni 1997 van PP te QQ, gericht aan B BV (factuurnummers 0 en 2), betreffende de levering van audioapparatuur. De eerste nota vermeldt een te betalen bedrag van fl. 4.414,98,-- (inclusief fl. 657,55 btw). De tweede nota vermeldt een te betalen bedrag van fl. 493,50 (inclusief fl. 73,50 btw). B BV heeft voormelde bedragen ad fl. 4.414,98 en fl. 493,50 als kosten ten laste van het resultaat gebracht.

j. Een nota d.d. 27 juni 1997 van OOO te E, gericht aan B BV, betreffende de levering van diverse witgoedartikelen. De nota vermeldt een te betalen bedrag van fl. 4.836,-- (inclusief fl. 720,26 btw).

k. Een nota d.d. 28 februari 1997 van PPP te E, gericht aan B BV. Op de nota is vermeld dat het om kosten van reparatie en reiniging van goederen gaat. De nota vermeldt een te betalen bedrag van fl. 7.578,75 (inclusief fl. 1.128,75 btw).

l. Een nota d.d. 13 oktober 1997 van QQQ te JJ. De nota vermeldt de levering van schoonmaakartikelen en een te betalen bedrag van fl. 3.300,-- (inclusief fl. 491,49 btw).

4.4.2.11. Betreffende de in 4.4.2.10 onder a vermelde post ad fl. 15.796,24 merkt het hof het volgende op.

In een proces-verbaal van bevindingen van de Fiod aangaande de bonnen welke in het proces-verbaal zijn aangeduid als bijlagen DOC 18-1 t/m DOC /18-26, is vermeld dat die bonnen aan de financieel directeur van het automobielbedrijf zijn getoond en dat die persoon daaromtrent, als getuige, onder meer het volgende heeft verklaard.

"Ik herken (...) deze bonnen. Deze werden bij ons gebruikt tot ongeveer 1984 bij de verkoop van benzine.

(...)

Nogmaals na 1984 werden de bonnen niet gebruikt voor de verkoop van benzine. Deze door u aan mij getoonde bonnen bevinden zich dan ook niet in onze administratie.

(...)

Ik heb wel een vermoeden wie deze bonnen heeft opgemaakt. Ik herken namelijk het handschrift op een groot aantal bonnen van een zekere RRR, een ex werkneemster van ons bedrijf. Volgens mij, ik kan het natuurlijk niet met zekerheid zeggen, zijn dit de bonnen met de nummers DOC/18-1 tot en met DOC/18-3, DOC/18-5 tot en met DOC/18-13, DOC/18-16 en DOC/18-19. RRR heeft hier gewerkt vanaf 1 januari 1997 tot en met 30 december 1998. RRR heeft ook een periode vóór 1996 bij ons gewerkt en wel vanaf 1987 tot en met 31 december 1995. Dus in 1996 heeft zij niet voor ons gewerkt.

Ook herken ik het handschrift van een zekere SSS.

Ook zij werkt niet meer voor ons bedrijf. Het betreft de bonnen met nummer DOC/18-4, 18-18,18-21 en DOC/18-24.

Verder herken ik het handschrift van TTT, namelijk op de bonnen met de nummers DOC/18-14, 15, 17, 20, 22, 23, 25 en DOC/18-26. TTT werkte bij ons in de periode 15 april 1996 tot en met 1 november 1998.

(...)

Het personeel aan de kassa van het tankstation mag niet zulke bonnen uitschrijven voor de verkoop, alleen voor de inname van spaarkaarten.".

De door de financieel directeur eerstgenoemde ex werkneemster heeft blijkens het proces-verbaal, als getuige, onder meer het volgende verklaard.

"Ik ben vanaf 21 april 1987 tot en met 1995 en vanaf 1997 tot en met einde 1998 werkzaam geweest bij G en H te KK.

(...)

Bij elke tankbeurt door W of zijn personeel werd wel een tankbonnetje uitgedraaid door middel van het computersysteem, welke op het tankstation in gebruik was. Door W werden deze tankbonnetjes niet meegenomen door het personeel meestal wel.

Meestal kwam VVV op het einde van de maand om een verzamelfactuur te halen.

Deze verzamelfactuur werd door mij opgemaakt en de bedragen en aantallen die erop stonden werden door mij op deze verzamelfactuur geschreven.

VVV gaf mij aan welke aantallen en bedragen dat erop de verzamelfactuur moesten komen te staan. Deze aantallen liter waren voor mij niet te controleren. Ik heb dit gedaan omdat het een goede klant van G en H was en om het W naar de zin te maken, klant is immers koning.".

"De verzamelfacturen DOC/18-1, DOC/18-2, DOC/18-3, DOC/18-8, DOC/18-11, en DOC/18-16 zijn door mij opgemaakt en de overige waarschijnlijk door TTT of SSS.

(...)

Deze verzamelfacturen opgemaakt in de verkoopruimte van het tankstation van G en H te KK. De tekst voldaan of per kas betaald moest van W erop gezet worden. Dit heb ik dan ook voor hem gedaan. De betaling van de acht tot tien tankbeurten had contant reeds plaatsgevonden. De bedragen die op deze verzamelfacturen staan zijn niet door W betaald.".

Een andere ex werkneemster, WWW, heeft als getuige onder meer het volgende verklaard.

"Ik ben vanaf april 1996 tot en met november 1998 werkzaam geweest bij G en H te KK. Vanaf april 1996 ken ik de heer VVV. VVV was een vaste klant van G en H te KK.

(...)

De verzamelfacturen DOC/18-5, DOC/18-6, DOC/18-7, DOC/18-9, DOC/18-10, DOC/18-12, DOC/18-13, DOC/18-14, DOC/18-15, DOC/18-17, DOC/18-20, DOC/18-22, DOC/18-23, DOC/18-25 en DOC/18-26 zijn door mij opgemaakt.

De bedragen of de aantallen liters brandstof die op deze verzamelfacturen staan zijn door VVV aan mij opgegeven. Ik heb de bedragen en de aantallen liters brandstof die op de verzamelfacturen staan erop geschreven op aangeven van de heer W. Hij zei dan tegen mij maak mij een bonnetje van afgelopen maand en zet mij daar zoveel liter diesel en/of benzine en gas op. De verzamelfacturen werden opgemaakt op de laatste dagen van de maand waarop de verzamelfactuur betrekking heeft.

Over de exacte aantallen liters benzine en of diesel en gas kan ik niets zeggen. Nu ik de verzamelfacturen nogmaals bekijk valt mij op dat de bedragen steeds afgerond zijn, wat mijns inziens niet kan. Wat betreft de aantallen kan ik alleen maar zeggen dat dit wel erg veel is, wat betekenen zou dat hij minimaal éénmaal per dag getankt heeft en dat is bij mij zeker niet gebeurd. Iemand die elke dag zou komen tanken zou ik weten.".

4.4.2.12. Het hof heeft geen reden aan de juistheid van de verklaringen in het proces-verbaal van de Fiod, een en ander als in 4.4.2.11 weergegeven te twijfelen. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de in 4.4.2.10 onder a bedoelde bonnen de aankoop van brandstof betreffen. Aannemelijk is dat A BV, in de persoon van belanghebbende, een (totaal)bedrag ad fl. 15.796,24 (inclusief btw) aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B en dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuiving bewust is geweest. De inspecteur heeft dat totaalbedrag terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.13. Betreffende de in 4.4.2.10 onder b vermelde post ad

fl. 4.353,38 merkt het hof het volgende op.

In een proces-verbaal van bevindingen van de Fiod aangaande de die post betreffende bon is vermeld dat die bon aan de directeur van RR is getoond en dat die persoon daaromtrent, als getuige, het volgende heeft verklaard.

"De omschrijving op deze factuur is door W aan mij opgegeven en dit heb ik vervolgens op deze factuur gezet.

De werkzaamheden die op deze factuur staan zijn niet uitgevoerd. Het verzoek is door W gedaan. Deze factuur is door mij hier op kantoor rond november, december 1997 gemaakt. Voor het opmaken van deze factuur heb ik niets gekregen.

W is een goede klant van mij en daarom heb ik dat op zijn verzoek gedaan. (...). Deze factuur maakt geen deel uit van de administratie van RR BV omdat het eigenlijk voor mij geen factuur is. Het bedrag op de factuur is ook niet ontvangen.".

4.4.2.14. Het hof heeft geen reden aan de juistheid van de verklaringen in het proces-verbaal van de Fiod, een en ander als in 4.4.2.13 weergegeven, te twijfelen. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de in 4.4.2.10 onder b bon werkzaamheden betreft als op die bon vermeld. Aannemelijk is dat A, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 4.353,38 (inclusief btw) aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B en dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuiving bewust is geweest. De inspecteur heeft dat bedrag terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.15. Betreffende de in 4.4.2.10 onder c vermelde post (kassabon) ad fl. 3.600,-- (inclusief fl. 536,17 btw), merkt het hof het volgende op.

In een proces-verbaal van bevindingen van de Fiod aangaande de die post betreffende bon is vermeld dat die bon aan de directeur van AAAA BV is getoond en dat die persoon daaromtrent, als getuige, onder meer het volgende heeft verklaard.

"De aard van het bedrijf is verkoop van bouwmaterialen, keukens en tegels.

(...)

De heer W heeft mij begin 1997 gevraagd om een factuur uit te schrijven voor H.G. schoonmaakproducten. De motivatie was dat hij ook klinkers bij ons bedrijf gekocht heeft. Tevens is hij ook diverse andere keren bij mij op het bedrijf geweest om aan hem een factuur uit te schrijven voor HG schoonmaakproducten. Omdat ik van hem af wilde heb ik maar een factuur gemaakt op 2 mei 1997 voor HG schoonmaakproducten voor een bedrag van fl. 3.600,--. Deze factuur is gemaakt door middel van het factuursysteem welk ik op de zaak gebruik. Nadat W deze factuur op 2 mei 1997 gekregen heeft heb ik de kopie factuur welke normaal gesproken bestemd zou zijn voor de administratie va AAAA BV, vernietigd.".

4.4.2.16. Het hof heeft geen reden aan de juistheid van de verklaringen in het proces-verbaal van de Fiod, een en ander als in 4.4.2.15 weergegeven, te twijfelen.

Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de in 4.4.2.10 onder c vermelde bon een levering betreft als op die bon vermeld.

Aannemelijk is dat A, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 3.600,-- (inclusief btw) aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B en dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuiving bewust is geweest. De inspecteur heeft dat bedrag terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.17. Betreffende de in 4.4.2.10 onder d vermelde post (nota) ad fl. 1.324,-- (inclusief fl. 197,19 btw), merkt het hof het volgende op.

In een proces-verbaal van bevindingen van de Fiod aangaande de die post betreffende nota is vermeld dat die nota aan de voormalige bedrijfsleider van BBB BV is getoond en dat die persoon daaromtrent, als getuige, onder meer het volgende heeft verklaard.

"Het document DOC/28-7 dat u mij toont ten bedrage van fl. 1.324,-- met de omschrijving diverse tapijten festonneren i.v.m. rookschade uitgeschreven de dato 1-11-97 is geen factuur maar een offerte. Een factuur dient namelijk afgetekend te zijn. De offerte heeft waarschijnlijk betrekking op een brandschade en is zeker niet uitgevoerd.".

4.4.2.18. Het hof heeft geen reden aan de juistheid van de verklaringen in het proces-verbaal van de Fiod, een en ander als in 4.4.2.17 weergegeven, te twijfelen. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de in 4.4.2.10 onder d vermelde bon verrichte werkzaamheden betreft als op die bon aangegeven. Aannemelijk is dat A BV, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 1.324,-- (inclusief fl. 197,19 btw) aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B BV, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuiving bewust is geweest. De inspecteur heeft dat bedrag terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.19. Betreffende de in 4.4.2.10 onder e vermelde post (nota) ad fl. 8.374,-- (inclusief fl. 1.247,19 btw) merkt het hof het volgende op.

In een proces-verbaal van bevindingen van de Fiod aangaande de die post betreffende nota is vermeld dat die nota aan de directeur van BBBB BV is getoond en dat die persoon daaromtrent, als getuige, onder meer het volgende heeft verklaard.

"In 1997 zijn wij gevraagd om een offerte te maken in opdracht van de familie CCCC, EEE-straat 11 te KK voor het leveren en plaatsen van nieuwe ramen en rolluiken. Wij hebben een offerte gemaakt op 29 september 1997. Deze offerte staat op naam van de familie CCCC.

De offerte werd door CCCC geaccepteerd en de opdracht werd uitgevoerd. Ik moet nog opmerken dat de offerte ook inhield het plaatsen van horprofielen.

Deze konden wij echter bij plaatsing niet meteen leveren. Dit is enkele maanden later geschied en apart gefactureerd. De factuur betreffende profielen was gericht aan CCCC en deze werd ook door hun betaald.

Ten aanzien van de factuur betreffende de levering en de plaatsing van de ramen en rolluiken het volgende.

In eerste instantie werd gefactureerd aan de familie CCCC, EEE-straat 11 te KK met datum 8 december 1997 ten bedrage van 8374 gulden inclusief BTW.

Enkele dagen later, en wel 11 december 1997, kwam W onverwacht hier op de zaak. Hij is te woord gestaan door mijn vrouw. Hij kwam de factuur van CCCC betalen. Hij zei tegen mijn vrouw dat hij kwam betalen omdat volgens hem door gevelreiniging door zijn bedrijf schade was ontstaan aan de ramen en de rolluiken en dat hij daarom de rekening voor CCCC moest voldoen. W wilde verder dat er een nieuwe factuur werd opgemaakt op zijn naam met een andere omschrijving.

(...)

Dit is de bedoelde factuur. De oorspronkelijke factuur aan CCCC heb ik niet meer. De omschrijving vermeld op de door u getoonde factuur werd door W aan mijn vrouw gedicteerd. Ikzelf ben bij CCCC geweest om op te meten.

Ik weet niets van een beschadiging door gevelreiniging. Door CCCC werd hier niets over verteld. De rolluiken die door ons werden geleverd waren volgens mij niet ter vervanging van andere rolluiken. Er zaten op die plaatsen geen rolluiken.

Ik weet dit echter niet meer voor de volle 100 procent zeker. Of er beschadigingen waren aan de ramen weet ik niet. Ik heb daar niet op gelet. Mij is in ieder geval niets bijzonders opgevallen. Ik denk dat als er vooraf sprake was van beschadiging dat wij dan meteen hadden gefactureerd aan W.

(...)

In onze administratie werd de oorspronkelijke factuur aan CCCC vervangen door de nieuwe factuur gericht aan W.".

4.4.2.20. Het hof heeft geen reden aan de juistheid van de verklaringen in het proces-verbaal van de Fiod, een en ander als in 4.4.2.19 weergegeven, te twijfelen. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de in 4.4.2.10 onder e vermelde nota een levering/dienst aan B betreft. Aannemelijk is dat A, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 8.374,-- (inclusief btw) aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B BV, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuiving bewust is geweest. De inspecteur heeft dat bedrag terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.21. Betreffende de in 4.4.2.10 onder f vermelde orderbon ad fl. 8.500,-- (DOC/24-1) en de nota's ad fl. 8.695,-- (DOC/24-2) en fl. 8.500,-- (DOC/24-3) merkt het hof het volgende op.

In een proces-verbaal van bevindingen van de Fiod aangaande die posten is het volgende vermeld:

"In de (inbeslaggenomen) administratie van 1e verdachte B BV voornoemd troffen wij, verbalisanten, 2 facturen en 1 bon aan van (...).

Het betreft de navolgende bescheiden:

Een orderbon (bijlage DOC/24-1) betreffende het leveren en leggen van tapijttegels bij KKK aangaande een schade veroorzaakt door HHH b.v. ten bedrage van f 8.500,-- inclusief BTW, met datum 17-4-'96 (...)

Een factuur (bijlage DOC/24-2) betreffende het leveren en leggen van tapijttegels ten bedrage van f 8.695,--, inclusief BTW, met factuurnummer 970012 en met datum 28 januari 1997 en een factuur (bijlage DOC/24-3) betreffende het leveren en leggen van tapijttegels bij KKK aangaande schade veroorzaakt door schoonmaakbedrijf CCC BV E ten bedrage van f 8.500, inclusief BTW, met factuurnummer 000000 en met datum 19 april 1997.

Wij, verbalisanten, zagen dat de factuurbedragen exclusief BTW van voormelde facturen, de bijlagen DOC/24-2 en DOC/24-3 bij dit proces-verbaal, waren geboekt in het 'Historisch overzicht grootboek' over 1997 op rekeningnummer ----, zijnde 'derdenwerk', met omschrijving 'FFF'.

Verder zagen wij verbalisanten, 2 betalingen per kas van f 8.695,00 repectievelijk f 8.500,-- staan vermeld op een 'controlelijst mutaties' van het dagboek Meervoudig Memoriaal van 18 november 1997, betreffende de betaling van incidentele crediteuren, welke bedragen gelijk zijn aan de factuurbedragen inclusief BTW van de meervermelde facturen, de bijlagen DOC/24-2 en DOC/24-3 bij dit proces-verbaal.".

In het proces-verbaal is voorts vermeld dat voormelde orderbon aan een (voormalige) mede-eigenaar van FFF Woninginrichting is getoond en dat die persoon daaromtrent, als getuige, onder meer het volgende heeft verklaard.

"Op deze orderbon staat 17 april 1996, dit moet zijn 17 april 1997.

Deze orderbon is door mij geschreven, ik kan dat herkennen aan mijn handschrift. Ook herken ik mij handtekening voor voldaan. 17 april 1997 is de dag dat W bij mij op kantoor is geweest om het bedrag van fl. 8.500,-- te betalen en hierop zijn de facturen 6 en 7 opgemaakt door mijn broer.

Deze orderbon is als kwitantie gebruikt en hierop staat het eerder verschuldigde bedrag en het bedrag dat door W nog is afgepingeld op het laatste moment en door mij als korting is omschreven op deze kwitantie.

Er is voor W alleen de opdracht bij de firma DDDD op het EEEE te E uitgevoerd en van W is alleen een bedrag van f 8.500,00 ontvangen betreffende deze uitgevoerde werkzaamheden. Verder heb ik geen geld van W ontvangen.".

4.4.2.22. Het hof heeft geen reden aan de juistheid van de verklaringen in het proces-verbaal van de Fiod, een en ander als in 4.4.2.21 weergegeven, te twijfelen. Belanghebbende heeft in de onderhavige procedure eerst in repliek aangevoerd dat "de inspecteur niet heeft aangetoond dat er drie nota's in de administratie van B BV zijn opgenomen".

Het hof is van oordeel dat, gelet op de weergegeven verklaringen van de verbalisanten in het proces-verbaal, wél daarvan als vaststaand moet worden uitgegaan.

Aannemelijk is dat A, in de persoon van belanghebbende, de op voormelde nota's d.d. 28 januari 1997 en 19 april 1997 vermelde bedragen (inclusief btw) aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via FFFF BV, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuivingen bewust is geweest. De inspecteur heeft de bedragen van respectievelijk fl. 8.695,-- en fl. 8.500,-- terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.23. Betreffende de in 4.4.2.10 onder g vermelde nota ad

fl. 15.686,25 (inclusief btw)(DOC/19-3) merkt het hof het volgende op.

In een proces-verbaal van bevindingen van de Fiod aangaande die post (nota) is vermeld dat bedoelde nota aan een (voormalige) firmant van de firma is getoond en dat die persoon daaromtrent, als getuige, onder meer het volgende heeft verklaard.

"Dit betreffen onder meer werkzaamheden in een pand te MMM waar brandschade was geweest. Naar ik meen te herinneren hebben we in MMM gewerkt in een doodlopende straat, ik dacht dat de naam van deze straat GGGG-straat was. De werkzaamheden kostten ongeveer fl. 2.600,--.

Verder heeft deze rekening ook betrekking op werkzaamheden verricht in het privé-pand CC-straat te E, dit laatste had betrekking op de afzuiging in die serre. De prijs van de afzuiging en andere werkzaamheden was ongeveer fl. 2.000,--.

Tevens zijn in deze factuur begrepen de kosten van de aanpassing van een keuken plus diverse werkzaamheden in het woonhuis in de HHHH-straat in E, het vroegere woonhuis van W. Hier woont thans zijn dochter. De kosten hiervan bedroegen ongeveer fl. 5.000,--.

En verder zaten hier ook de aanschaf van de wasmaschine en wasdroger in fl. 3.600,-- exclusief BTW. Trouwens alles is exclusief BTW wat ik hiervoor heb genoemd.

De facturen zijn in de regel door mij opgemaakt. Ik heb met W aan tafel gezeten en ik heb W gevraagd wat ik op de factuur moest vermelden, wij hadden deze werkzaamheden doorgelopen. W heeft mij toen gezegd zet op de factuur diverse werkzaamheden MMM BB E. Het initiatief is uitgegaan van W. De facturen zijn opgemaakt op de datum die ook op de factuur is vermeld.

Voormelde door mij genoemde bedragen heb ik zoveel mogelijk benaderd omdat er geen onderliggende bescheiden meer van zijn.".

4.4.2.24. Het hof heeft geen reden aan de juistheid van de verklaringen in het proces-verbaal van de Fiod, een en ander als in 4.4.2.23 weergegeven, te twijfelen. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat ter zake van werkzaamheden als op de nota aangegeven enige werkzaamheden met een zakelijk karakter zijn verricht. Aannemelijk is dat A, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 15.686,25 (inclusief btw) aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B BV, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuiving bewust is geweest. De inspecteur heeft meergemeld bedrag ad fl. 15.686,25 terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.25. Aangaande de in 4.4.2.10 onder h vermelde post (nota) d.d. 19 december 1997 ad fl. 8.236,99 (inclusief fl. 1.226,79 btw), merkt het hof het volgende op.

Blijkens een bon d.d. 19 december 1997 van het drankencentrum, behelzende een zogeheten dagafslag, is op die datum bij het drankencentrum, naast bier en frisdrank, voor een bedrag van fl. 6.085,-- aan kerstpakketten gekocht. Volgens de bon is omzetbelasting in rekening gebracht naar het (lage) tarief van 6%. Dat was het te hanteren tarief.

Op de nota d.d. 19 december 1997 wordt melding gemaakt van de levering van kerst- + relatiepakketten voor een totaalbedrag van fl. 7.010,20, exclusief fl. 1.226,79 btw. De fl. 1.226,79 bedraagt 17,5% van fl. 1.226,79. Op de nota d.d. 19 december 1997 is dus, in tegenstelling tot de dagafslagbon van die datum, het hoge omzetbelastingtarief in rekening gebracht, terwijl het lage omzetbelastingtarief had moeten zijn berekend. De inspecteur heeft in verband met een en ander geconcludeerd dat de nota d.d. 19 december 1997 valselijk is opgemaakt. Het hof volgt de inspecteur in die conclusie. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft in ieder geval het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. Aannemelijk is dat A, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 8.236,99 (inclusief btw) aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B BV, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuiving bewust is geweest.

De inspecteur heeft dat bedrag ad fl. 8.236,99 terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.26. Betreffende de twee, in 4.4.2.10 onder i vermelde nota's d.d. 7 juni 1997, merkt het hof het volgende op.

B BV heeft de betreffende bedragen, exclusief btw, in één keer ten laste van het resultaat gebracht. Evenals de audioapparatuur, vermeld in de in 4.4.2.8 bedoelde factuur d.d. 7 juni 1997 van PP, werd de audioapparatuur, als omschreven in evenbedoelde twee nota's, niet aangetroffen. Belanghebbende heeft ook niet aangegeven waar in de onderneming die audioapparatuur zich bevindt, c.q. bevond.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk dat A, in de persoon van belanghebbende, de audioapparatuur ten behoeve van belanghebbende voor privé-doeleinden heeft aangeschaft, een en ander via B BV en dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuivingen bewust is geweest. De inspecteur heeft de betreffende bedragen ad fl. 4.414,98 en fl. 493,50 (beide inclusief omzetbelasting) terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.27. Betreffende de in 4.4.2.10 onder j vermelde nota ad fl. 4.836,-- (inclusief fl. 720,26 btw), merkt het hof het volgende op.

Die nota betreft de levering van diverse witgoedartikelen (wasautomaat, wasdroger, koelkast, stofzuigers, stoombouten). De inspecteur heeft gesteld dat de betreffende witgoedartikelen op het voormalige woonadres van belanghebbende, AA-straat 100 te E, zijn afgeleverd. Dat is door belanghebbende niet weersproken. Mede gelet op de aard van de aangeschafte artikelen is niet aannemelijk dat die artikelen in het geval van B voor zakelijke doeleinden zijn aangeschaft.

In ieder geval heeft belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, het tegendeel tegenover de betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt. Aannemelijk is dat A, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 4.836,-- voor privé doeleinden van belanghebbende heeft aangewend, een en ander via B BV, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuiving bewust is geweest. De inspecteur heeft het betreffende bedrag ad fl. 4.836,-- (inclusief omzetbelasting) terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.28. Betreffende de in 4.4.2.10 onder k vermelde nota ad fl. 7.578,75 (inclusief fl. 1.128,75 btw), merkt het hof het volgende op.

De inspecteur heeft gesteld dat hem van de zijde van PPP is medegedeeld dat die nota, welke is gedateerd 28 februari 1997 en welke "reparatie van goederen en reiniging" vermeldt, de levering van lamellen en dergelijke betreft ten behoeve van belanghebbende in privé waarvoor op 6 februari 1997 offerte was uitgebracht. Die offerte vermeldde werkzaamheden voor lamellen.

Het hof heeft geen reden aan de juistheid van de stelling van de inspecteur te twijfelen. Het heeft ook geen reden eraan te twijfelen dat de nota de levering en het aanbrengen van lamellen ten behoeve van belanghebbende in privé betrof. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheid dat het bedrag van de nota afweek van het bedrag van de offerte, noopt niet tot de conclusie dat de nota de "reparatie van goederen en reiniging" betrof. In verband met het vorenstaande is aannemelijk dat A, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 7.578,75 aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuiving bewust is geweest. In ieder geval heeft belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De inspecteur heeft het bedrag van fl. 7.578,75 (inclusief omzetbelasting) terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.4.2.29. Betreffende de in 4.4.2.10 onder l vermelde factuur inzake "schoonmaakartikelen", met factuurnummer 6 en ten bedrage van fl. 3.300,-- (inclusief omzetbelasting), merkt het hof op dat in het proces-verbaal van bevindingen van de Fiod het volgende is vermeld.

"7. Twee facturen van QQQ, JJJJ-straat 64 ---- -- JJ met dagtekening 19-12-96 nummer ------ en 13-10-97 nummer ----- beiden ten bedrage van f. 3300,00.

Beide facturen werden niet in de administratie bij QQQ aangetroffen. Wel werd een factuur aangetroffen met dagtekening 13-12-96 met eveneens factuurnummer ------ en ook met een bedrag van groot f. 3300,00.".

De inspecteur heeft uit het niet aanwezig zijn in de administratie van QQQ van de (doorslag van de) factuur met factuurnummer nummer ----- afgeleid dat de factuur valselijk is opgemaakt. Bedoeld niet aanwezig zijn is evenwel onvoldoende voor de fundering van het oordeel dat ter zake van de factuur sprake is van (vermomd) dividend. De correctie van fl. 3.300,-- bij belanghebbende in privé moet komen te vervallen.

4.4.2.30. Gelet op het hiervoor onder 4.4.2.11 t/m 4.4.2.29 vermelde moet de in 4.4.2.1 onder d vermelde (verzamel)correctie ad fl. 95.189,-- met fl. 3.300,-- worden verminderd tot fl. 91.889,--.

4.5. Met betrekking tot het jaar 1998 overweegt het hof het volgende.

4.5.1.1. De eerste correctie betreft de correctie ad fl. 8.840,-- ter zake van meer privé-gebruik auto. Die correctie berust op een bijtelling in verband met privégebruik van de (o.a.) in 2.6 vermelde Opel Vectra.

Belanghebbende heeft daaromtrent gesteld dat in (onder meer) 1998 de Opel Vectra niet aan hem maar aan mevrouw S ter beschikking is gesteld. Tegen de berekening als zodanig van de bijtelling heeft belanghebbende geen grieven geformuleerd.

4.5.1.2. Het hof kent betekenis toe aan de door het kantoor van belanghebbendes gemachtigde, een professioneel belastingadviesbureau, opgestelde brief d.d. 28 juli 1999, houdende een verzoek om vermindering van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998.

In die brief is ondermeer het volgende vermeld.

"De aanslag is opgelegd conform de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1997. Hierin is echter een onjuiste forfaitaire bijtelling inzake het privé-gebruik auto gehanteerd. Tegen deze onjuiste bijtelling is reeds een verzoekschrift, kenmerk ------, bij u ingediend.

Hieruit blijkt dat de heer W in de laatste maanden van 1997 en geheel 1998 een Opel Vectra met het kenteken --------, ter beschikking heeft gehad, waarvoor de forfaitaire bijtelling f 5.907 bedraagt.

Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting/premie 1998 volksverzekeringen 1998 is echter rekening gehouden met een forfaitaire bijtelling voor de Opel Omega, kenteken --------, ad f 12.200. Ik verzoek u vriendelijk de aanslag te verminderen met en uitstel van betaling te verlenen totdat op mijn verzoek is beslist.".

4.5.1.3. Bedoeld verzoek om vermindering is, evenals de in dat verzoek bedoelde aanvulling op de aangifte inkomstenbelasting 1997, gedateerd 28 juli 1999 en opgesteld en verzonden ruim nadat de financiële administratie was overgegeven aan belanghebbendes dochter, die de administratie vanaf 1999, in samenwerking met het kantoor van belanghebbendes gemachtigde, verzorgde.

Bedoeld verzoek om vermindering is, evenals bedoelde aanvulling, stellig en zonder voorbehoud. Duidelijk is in het verzoek om vermindering vermeld dat belanghebbende in geheel 1998 de Opel Vectra ter beschikking heeft gehad. Belanghebbende stelt dat in verband met het opvoeren van de Opel Vectra sprake is van een abuis, "vanwege het feit dat nog niet alle gegevens van belanghebbende bij D bekend waren". Belanghebbende heeft evenwel de juistheid van die stelling onvoldoende aannemelijk gemaakt. In dit verband merkt het hof op dat omtrent de door belanghebbende gestelde terbeschikkingstelling aan mevrouw S van de Opel Vectra, in 1998, niets is komen vast te staan.

In ieder geval heeft belanghebbende, op wie in deze de bewijslast is komen te rusten, tegenover de betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat A de Opel Vectra in 1998 niet aan belanghebbende voor het verrichten van arbeid ter beschikking heeft gesteld.

4.5.1.4. Voor dat geval is niet in geschil dat de in (o.a.) 4.5.1.1 vermelde correctie ad fl. fl. 8.840,-- juist is.

4.5.2.1. De tweede correctie betreft de correctie ad (fl. 24.548,-- - fl. 2.000,-- =) fl. 22.548,--.

De fl. 24.548,-- (afgerond) is opgebouwd uit de volgende bedragen.

A. fl. 9.232,-- (inclusief btw) in verband met door B aangeschafte inventarisgoederen.

B. fl. 15.316,-- (inclusief btw) ter zake van, zoals door de inspecteur is gesteld, in de administratie opgenomen, gefingeerde aankopen van B.

4.5.2.2. De in 4.5.2.1 onder A vermelde fl. 9.232,-- (afgerond) betreft correcties ad fl. 8.328,47 (a) en fl. 903,47 (b).

ad (a). De fl. 8.328,47 behelst, blijkens de desbetreffende nota, een aankoop bij B-E Tuinbouwtechniek MM BV te JJ. De voor voldaan getekende nota is gericht aan B BV, vermeldt de levering van twee luchtverwarmers (MLV 75) en vermeldt een te betalen bedrag van fl. 8.328,40 (inclusief fl. 1.240,40 btw).

ad (b). De fl. 903,47 betreft de gedeeltelijke betaling op 2 juli 1998 van een factuur d.d. 19 november 1997 van NN te FF, gericht aan B BV. De factuur vermeldt een te betalen bedrag van fl. 2.711,49 (exclusief fl. 474,51 btw) en betreft een nageleverd werkblad. Na korting werd een bedrag van fl. 2.371,06 (exclusief btw) voldaan.

Het werkblad hangt samen met de door NN in 1997 geleverde "kantoreninrichting" voor een bedrag van fl. 36.000,-- (exclusief btw). Zoals in 4.4.2.3 is vermeld, heeft de inspecteur ter zake van die "kantoreninrichting" een correctie in aanmerking genomen van 1/3 x fl. 36.000,-- = fl. 12.000,-- en inclusief btw de correctie berekend op fl. 14.100,--. Het hof verwijst naar het aldaar (daaromtrent) vermelde. Dezelfde lijn doortrekkend voor het in 1998 betaalde, nageleverde werkblad, heeft de inspecteur ter zake van het werkblad een correctie in aanmerking genomen van (1/3 x fl. 2.371,06 =) fl. 790,-- (afgerond). Met inbegrip van de daarover verschuldigde omzetbelasting (fl. 113,47) heeft hij een correctie berekend van fl. 903,47.

4.5.2.3. In een proces-verbaal van bevindingen van de Fiod aangaande (ondermeer) de in 4.5.2.2 vermelde nota ad fl. 8.328,47, is vermeld dat (ondermeer) die nota aan de magazijnmeester van B-E Tuinbouwtechniek MM BV is getoond en dat die magazijnmeester omtrent (onder meer) die nota, als getuige, verklaringen heeft afgelegd. Het hof verwijst naar de verklaringen, zoals weergegeven in 4.4.2.4.

4.5.2.4. Het hof herhaalt hier dat het geen reden heeft te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van bedoelde magazijnmeester.

Aannemelijk is dat ook meergemelde nota ad fl. 8.328,40 valselijk is opgemaakt en dat A, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 8.328,40 aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van d. De inspecteur heeft dat bedrag terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

4.5.2.5. Aangaande de in 4.5.2.2 vermelde correctie fl. 903,47 merkt het hof het volgende op.

Het betreffende, nageleverde werkblad houdt verband met de voor een bedrag van fl. 36.000,-- (exclusief btw) aangeschafte "kantoreninrichting". De inspecteur heeft, om de dienaangaande in 4.4.2.3 vermelde redenen, 1/3 gedeelte van dat bedrag (exclusief btw) gecorrigeerd. De inspecteur heeft niet onredelijk gehandeld door van de in 4.5.2.2 vermelde fl. 2.371,06 eveneens 1/3 gedeelte of fl. 790,-- (afgerond) als (vermomd) dividend aan te merken en te corrigeren en inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting de correctie te berekenen op fl. 903,47.

4.5.2.6. Het in 4.5.2.1 onder B vermelde bedrag van fl. 15.316,-- (door de inspecteur gestelde gefingeerde aankopen) betreft correcties (inclusief btw) ad fl. fl. 10.016,74 (a), fl. 611,-- (b) en fl. 4.688,25 (c).

ad (a). De fl. 10.016,74 behelst brandstofbonnen als bedoeld in 4.4.2.11, voorzien van een datum in 1998, waaromtrent de financieel directeur van automobielbedrijf G + H te KK heeft verklaard dat die bonnen na 1984 niet werden gebruikt voor de verkoop van benzine.

Het hof herhaalt hier dat het geen reden heeft aan de juistheid van de verklaringen in het proces-verbaal van de Fiod, een en ander als in 4.4.2.11 weergegeven, te twijfelen. Belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat de tot een totaalbedrag van fl. 10.016,74 (inclusief fl. 1.493,20 btw) uitgeschreven brandstofbonnen de aankoop van brandstof betreffen. Aannemelijk is dat A, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 10.016,74 (inclusief fl. 1.493,20 btw) aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuiving bewust is geweest. De inspecteur heeft dat (totaal)bedrag terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

(ad b). Voormelde fl. 611,-- (inclusief fl. 91,-- btw) betreft een gecorrigeerde aanschaf bij B-E Tuinbouwtechniek MM BV te JJ van, blijkens een aan "KKKK" te BB gerichte, voor "voldaan" getekende nota d.d. 18 februari 1998, een "kabel 3 x 2,5 (aantal: 100), Vip 130/6 (aantal: 2) en Tricotech 1 (aantal: 24).".

In het proces-verbaal van bevindingen van de Fiod aangaande (ondermeer) die nota is te lezen dat in de administratie van bedoeld bedrijf geen gegevens omtrent die nota zijn aangetroffen, is vermeld dat (ondermeer) die nota aan de magazijnmeester van dat bedrijf is getoond en dat die magazijnmeester omtrent (ondermeer) die nota, als getuige, verklaringen heeft afgelegd. Voor die verklaringen verwijst het hof naar het daaromtrent in 4.4.2.4 weergegevene. Het hof herhaalt dat het geen reden heeft aan de juistheid van die weergegeven verklaringen te twijfelen.

Aannemelijk is dat A, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 611,-- aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuiving bewust is geweest. De inspecteur heeft dat bedrag terecht als (vermomd) dividend aangemerkt en gecorrigeerd.

(ad c). Voormelde fl. 4.688,25 (inclusief fl. 698,25 btw) betreft een voor "voldaan 17-4-'98" getekend bestelformulier d.d. 17 april 1998 van LLLL BV te E.

Op dat bestelformulier, waarop als koper " B BV" is vermeld, is als omschrijving opgenomen "Afgehaald 1 mobiele airco type 19A1, Betaling via Hr. MMMM". Evengemeld bestelformulier is in de kasadministratie van B opgenomen. Aangaande vorenomschreven aircoapparaat is eveneens een factuur d.d. 11 mei 1998 van LLLL in de administratie van B opgenomen, in welke factuur is vermeld "Betaling is contant geschied op 17-04-1998". Het bestelformulier en de factuur betreffen derhalve dezelfde aankoop. De inspecteur heeft onweersproken gesteld dat één aankoop tweemaal ten laste van het resultaat is gebracht. Hij heeft ter zake bij belanghebbende in privé eenmaal fl. 4.688,25 gecorrigeerd. De omstandigheid dat de betaling van bedoelde aankoop tweemaal ten laste van het resultaat is gebracht, is evenwel onvoldoende voor de fundering van de oordelen dat A, in de persoon van belanghebbende, een bedrag van fl. 4.688,25, aan belanghebbende in privé ten goede heeft laten komen, een en ander via B, alsmede dat A, in de persoon van belanghebbende, zich van de vermogensverschuiving bewust is geweest. De correctie ad fl. 4.688,25 bij belanghebbende in privé, ter zake waarvan de inspecteur heeft gesteld dat sprake is van vermomd dividend, moet komen te vervallen.

4.6. Met betrekking tot de 50% vergrijpboete van fl. 2.818,-- voor het jaar 1998 welke de gehele correctie ad (fl. 24.548,-- - fl. 2.000,-- =) fl. 22.548,-- betreft, overweegt het hof het volgende.

4.6.1. Belanghebbende heeft aangevoerd dat voor boeteoplegging geen plaats is, nu de betreffende correcties gemotiveerd zijn bestreden. Het hof verstaat een en ander aldus dat belanghebbende stelt dat de boete moet komen te vervallen omdat ter zake van de aan de boete ten grondslag liggende correcties sprake is van een pleitbaar standpunt van belanghebbende.

4.6.2. Bedoelde correcties behelzen de in 4.5.2.1 vermelde correctie ad totaal (fl. 24.548,-- - fl. 2.000,-- (dividendvrijstelling) =) fl. 22.548,--. Het bedrag ad fl. 24.548,-- is opgebouwd uit correcties ad fl. fl. 8.328,40, fl. 903,47, fl. 10.016,74, fl. 611,-- en fl. 4.688,25. Die correcties zijn na elkaar onder 4.5.2.2 t/m 4.5.2.6 behandeld. Behoudens de in 4.5.2.6 onder ad c vermelde correctie ad fl. 4.688,25 welke op de aldaar vermelde gronden moet komen te vervallen, is ter zake van die correcties geen sprake van een pleitbaar standpunt van belanghebbende. Voor een afzonderlijke vermindering van de boete, op de grond dat sprake is van een pleitbaar standpunt, is derhalve geen plaats.

4.6.3. Belanghebbende heeft aangevoerd dat ter zake van de 50% vergrijpboete de bewijslast ten aanzien van opzet/grove schuld bij de inspecteur berust, dat "de inspecteur wel erg summier is (geweest)" en dat belanghebbende geen opzet of grove schuld verweten kan worden in verband met de correcties, "die alleen en uitsluitend zijn gebaseerd op extrapolaties naar aanleiding van veronderstelde gebreken in de administratie".

4.6.4. Gelet op het hiervoor onder 4.5.2.2 t/m 4.5.2.6 vermelde, inclusief hetgeen waarnaar wordt verwezen, een en ander betreffende achtereenvolgens de correcties ad fl. 8.328,40, fl. 903,47, fl. 10.016,74 en fl. 611,--, volgt het hof de door de inspecteur in de kennisgeving d.d. 15 juli 2002 gegeven motivering van de boete, een en ander als hierna in 4.6.9 weergegeven. A, in de persoon van belanghebbende, heeft belanghebbende langs de weg van onjuiste facturen willen bevoordelen, een en ander via B. Belanghebbende heeft in privé vervolgens vermomd dividend opzettelijk niet aangegeven.

Dit was ook met voormelde gecorrigeerde bedragen het geval. De boete van (per saldo) 50% dient te worden verminderd in verband met voormelde te vervallen correctie ad fl. 4.688,25. De aldus verminderde boete van (per saldo) 50% is passend en geboden.

4.6.5. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat beboeting een schending van het una via beginsel oplevert, nu het strafrechtelijk onderzoek eveneens betrekking had op die aspecten, die thans tot beboeting leiden.

4.6.6. Belanghebbendes aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 is op 4 april 2000 ingediend.

Gelet op hetgeen in 2.9 is vermeld omtrent de verdenkingen van de rechter-commissaris bij diens vordering tot instelling van een gerechtelijk vooronderzoek bij A BV, B BV en belanghebbende, alsmede gelet op hetgeen in 2.10 is vermeld omtrent de in het transactievoorstel betrokken strafbare feiten, staat de beboeting door de inspecteur bij de aanslagregeling inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 geheel los van de verdenkingen omtrent strafbare feiten in de strafprocedure.

Ook belanghebbende, die via mr. L, onder 1.6.1 genoemd, heeft aangevoerd dat "het strafrechtelijk onderzoek zich vanaf den beginne heeft toegespitst op het doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting en/of loonbelasting en/of omzetbelasting", lijkt daar, in diens brief d.d. 11 september 2006, nader van uit te gaan. De in 4.6.5 vermelde stelling van belanghebbende mist in ieder geval voor de onderhavige procedure feitelijke grondslag. Het hof verwerpt die stelling.

4.6.7. Belanghebbende heeft gesteld dat bij het opleggen van de boete de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM is overschreden. Tevens heeft hij aangevoerd dat ook niet valt te verwachten dat de door hem nog te bewandelen, langdurige procedure in overeenstemming valt te brengen met de redelijke termijn als bedoeld in die bepaling. Ten aanzien van de redelijke termijn als bedoeld overweegt het hof het volgende.

4.6.7.1. Naar 's hofs oordeel moet de in 2.10 voormelde doorzoeking op 9 mei 2000 worden beschouwd als het moment waarop vanwege de Staat jegens belanghebbende een handeling is verricht waaruit deze in redelijkheid heeft kunnen opmaken dat het Openbaar Ministerie het ernstige vermoeden had van een door belanghebbende begaan strafbaar feit. Die doorzoeking vormt het beginpunt van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, lid 1 EVRM. De met die criminal charge aangevangen redelijke termijn, waarvan moet worden beoordeeld of die is overschreden, heeft met de voorkoming van verdere strafvervolging als vermeld in 2.12 geen einde genomen maar moet in verband met die beëindiging en de voordien genomen boetebeschikking d.d. 15 juli 2002 worden aangemerkt als zijn voortzetting te hebben gevonden in de procedure betreffende de boetebeschikking. Als eindpunt van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn moet worden aangemerkt de datum waarop inzake de boete onherroepelijk is beslist.

4.6.7.2. Ingevolge het arrest van de Hoge Raad BNB 2005/337 geldt voor de berechting van de zaak in eerste aanleg als uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet. Daarbij moet naar het oordeel van de Hoge Raad worden gedacht aan de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de beboete en/of diens raadsman, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan is behandeld en de wijze waarop de zaak door de rechter is behandeld. Zonder de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld eindigde in het geval van belanghebbende de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn uiterlijk op 9 mei 2002. Die termijn is, gelet op de datum van gereed komen van de onderhavige uitspraak, in ieder geval met ruim 5 jaar overschreden.

4.6.7.3. Betreffende de al dan niet aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als vorenbedoeld, overweegt het hof het volgende.

a. Aan het nemen van de onderhavige boetebeschikking d.d. 15 juli 2002, bij het opleggen van de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998, ging vooraf het op 11 november 1999 aangevangen administratiefrechtelijke boekenonderzoek dat zeer omvangrijk was en dat uiteindelijk uitmondde in het onderzoeksrapport d.d. 12 juli 2002. Dat administratiefrechtelijke onderzoek werd geschorst en de Fiod werd ingeschakeld toen resultaten van verifiëring van facturen bij derden hiervoor aanleiding vormden voor de inspecteur. Direct na de beëindiging van het (eveneens) zeer omvangrijke strafrechtelijke onderzoek, begin februari 2003, deed de inspecteur uitspraak op de door belanghebbende ingediende bezwaarschriften, waaronder het bezwaarschrift betreffende de opgelegde vergrijpboete. De omvang van beide, zorgvuldig te verrichten onderzoeken en de omstandigheid dat de beslissing van de inspecteur op het bezwaarschrift tegen de boete mede afhankelijk was van de uiteindelijke uitkomst van de strafprocedure tegen belanghebbende, vormen bijzondere omstandigheden welke meebrengen dat bij het nemen van de boetebeschikking d.d. 15 juli 2002 en het doen van de uitspraak d.d. 12 maart 2003 op bezwaar, een en ander na de in 2.10 vermelde doorzoeking d.d. 9 mei 2000, op zichzelf geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

b. In de beroepsfase heeft de inspecteur, gelet op het daaromtrent in 1.3 vermelde, na een herhaald verzoek om termijnverlenging voor de indiening van het verweerschrift inzake de aanslag inkomstenbelasting 1998, in totaal ruim 14 maanden benut voor de indiening van het verweerschrift. Daarbij is de aanvankelijke datum waarop het verweerschrift moest zijn ingediend, 1 oktober 2003, met ruim 13 maanden overschreden. Die overschrijding acht het hof op zichzelf een overschrijding van redelijke termijn. Dat geldt ook voor het doen van de onderhavige hofuitspraak, ongeveer 5 maanden na 29 januari 2007, de aanvankelijke datum voor het doen van uitspraak, nadat bij brieven d.d. 6 november 2006 partijen bericht was gezonden dat het onderzoek was gesloten.

c. De loop van het geheel inzake de inkomstenbelasting 1998 en de vergrijpboete overziende, is het hof van oordeel dat, behoudens de hiervoor onder b vermelde overschrijdingen van de redelijke termijn, sprake is van een regelmatig verloop van het geding op de diverse onderdelen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat de eerste mondelinge behandeling eerst plaatsvond op 15 december 2005, nadat de aanvankelijk voor 8 juli 2005 voorgenomen mondelinge behandeling op verzoek van belanghebbende was uitgesteld.

d. De totale lengte van de termijn overziende, vanaf voormelde doorzoeking op 9 mei 2000 tot het moment van het doen van de onderhavige hofuitspraak, neerkomende op een tijdsverloop van ruim 7 jaren, is het hof van oordeel dat bij dat tijdverloop sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

4.6.7.4. In verband met de in 4.6.7.3 onder b en d vermelde overschrijdingen van de redelijke termijn is het hof van oordeel dat de boete met 20% dient te worden gematigd.

4.6.8. Belanghebbende heeft gesteld dat de kennisgeving van het voornemen tot het opleggen van de boete niet voldoet aan het bepaalde in artikel 6, lid 3, sub a EVRM, nu belanghebbende niet gedetailleerd is geïnformeerd over de gronden waarop de boete berust.

4.6.9. De inspecteur heeft ter zake aangevoerd dat belanghebbende bij brief d.d. 15 juli 2002 gemotiveerd ervan in kennis is gesteld dat de aanslag met een boete zou worden verhoogd. In die brief wordt o.a. overwogen dat belanghebbende in zijn hoedanigheid van directeur bestuurder/aandeelhouder van A (kosten)facturen valselijk heeft laten opmaken, dat hij deze valselijk opgemaakte (kosten)facturen heeft laten opnemen in de administratie van A, dat er verder door zijn toedoen in de administratie van A (kosten)facturen zakelijk zijn geboekt welke betrekking hebben op privé-uitgaven van belanghebbende, dat ter zake, in verband met de vermogensverschuiving van de vennootschap naar belanghebbende, sprake is van (verkapt) dividend dat niet is aangegeven in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 en dat daarom sprake is van opzet. Vorenomschreven overwegingen zijn ook opgenomen onder 4.1 van het voor belanghebbende bestemde exemplaar van het rapport van het boekenonderzoek, welk rapport is gedagtekend 12 juli 2002. Dat exemplaar is, naar de inspecteur onweersproken heeft gesteld, belanghebbende twee weken vóór voormelde brief d.d. 15 juli 2002 toegezonden.

4.6.10. De aanslag en de boetebeschikking zijn, evenals de in 4.6.9 bedoelde kennisgeving, gedagtekend 15 juli 2002. In die kennisgeving zijn, gelet op het dienaangaande in 4.6.9 vermelde, in duidelijke bewoordingen de gronden opgenomen waarop de boete berust. Die gronden zijn ook opgenomen in het belanghebbende eerder toegezonden exemplaar van het rapport van het boekenonderzoek. De in 4.6.8 vermelde stelling mist feitelijke grondslag. Het hof verwerpt die stelling.

4.6.11. Belanghebbende heeft zich erover beklaagd dat hem niet de gelegenheid is geboden binnen een redelijke termijn de in de kennisgeving vermelde gronden voor het opleggen van de boete te betwisten. Aldus heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur artikel 67k, lid 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen niet heeft nageleefd. Ook heeft belanghebbende zich erover beklaagd dat hem niet "de gelegenheid werd geboden om - ter voorbereiding op de verzochte mogelijkheid te reageren - het (boete)dossier in te zien".

4.6.12. De inspecteur heeft erop gewezen dat het voor belanghebbende bestemde exemplaar van het controlerapport, met in dat rapport voor wat betreft de boete opgenomen de overwegingen zoals geformuleerd in de kennisgeving d.d. 15 juli 2002, belanghebbende twee weken vóór de kennisgeving en de boetebeschikking is toegezonden. De inspecteur heeft in verband daarmee gesteld dat belanghebbende op het punt van voormeld artikel 67k, lid 2 niet in zijn belangen is geschaad. Ook heeft de inspecteur aangevoerd dat belanghebbende in de bezwaarfase en in de beroepsfase meer dan voldoende gelegenheid had zich tegen de opgelegde boete te verweren.

4.6.13. Belanghebbende is, naar aanleiding van het ingediende bezwaar, op 5 november 2002 door de inspecteur gehoord. Dat horen heeft geen invloed gehad op de hoogte van de opgelegde boete.

Belanghebbende heeft eveneens, voordat de boetebeschikking werd genomen, binnen een redelijke termijn de gronden waarop de inspecteur voornemens was de boete te laten berusten, kunnen betwisten. Het voor hem bestemde exemplaar van het controlerapport, met in dat rapport voor wat betreft de boete opgenomen de overwegingen zoals geformuleerd in de kennisgeving d.d. 15 juli 2002, is belanghebbende immers twee weken voor die kennisgeving toegezonden. Indien ervan moet worden uitgegaan dat de toezending aan belanghebbende van het onderzoeksrapport, waarin is opgenomen dat over de correctie "onder punt 3.2" een vergrijpboete zal worden opgelegd en waarin die boete wordt gemotiveerd, niet kan worden aangemerkt als een in kennis stellen van het voornemen een vergrijpboete op leggen, als bedoeld in voormeld artikel 67k, is belanghebbende door het achterwege blijven van bedoeld in kennis stellen, gelet op het vorenstaande, niet in zijn belangen geschaad.

Voor wat betreft de klacht dat belanghebbende niet de gelegenheid werd geboden om, "ter voorbereiding op de verzochte mogelijkheid te reageren", het boete(dossier) in te zien, merkt het hof op dat niet is gesteld of aannemelijk geworden dat belanghebbende daartoe aan de inspecteur, voorafgaande aan de boetebeschikking, een verzoek heeft gedaan. Van schending van artikel 67m van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, ingevolge welke bepaling, voor zover hier van belang, op verzoek van de belastingplichtige gelegenheid wordt geboden inzage te nemen, is derhalve geen sprake. Belanghebbende heeft ook in de beroepsfase niet een desbetreffend verzoek gedaan.

4.6.14. Gelet op al het vorenstaande het jaar 1997 betreffende, waaronder het in 4.4.2.30 vermelde, moet de aanslag voor het jaar 1997 zoals die na bezwaar is verminderd, (verder) worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van (fl. 298.131,-- - fl. 3.300,-- =) fl. 294.831,--. De aanslag voor het jaar 1998 moet, mede gelet op de in 4.5.2.6 onder "ad c" vermelde slotconclusie, worden verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van (fl. 150.775,-- - fl. 4.688,25 =) fl. 146.087,-- (afgerond).

De in verband met de voor het jaar 1998 opgelegde boete ad (per saldo) 50% zoals die komt te resteren na het vervallen van de boete in verband met het vervallen van de correctie ad fl. 4.688,25, moet, gelet op de in 4.6.7.4 vermelde slotconclusies, worden gematigd met 20%. Het beroep is gedeeltelijk gegrond.

5. Proceskosten

Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht spreekt het hof ten aanzien van de inspecteur een veroordeling uit in de kosten van rechtsbijstand die belanghebbende in verband met het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, een en ander mede met toepassing van het puntenstelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het hof stelt die kosten vast op 4,5 punt x € 322 x 2 = € 2.898. Voor de door belanghebbende geclaimde integrale proceskostenvergoeding, met toepassing van artikel 2, lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, acht het hof geen termen aanwezig.

6. Beslissing

Het hof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de bestreden uitspraken,

- vermindert de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1997 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 294.831,-- (€ 133.788,47),

- vermindert de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 tot een berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 146.087,-- (€ 66.292,40),

- vermindert de boete voor het jaar 1998 in dier voege dat de boete, zoals die resteert na het vervallen van de boete in verband met het vervallen van de in 4.5.2.6 vermelde correctie ad fl. 4.688,25, wordt gematigd met 20%,

- gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.898 en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 28 juni 2007 door G.J. van Muijen, voorzitter, J.W.J. Huige en T. Blokland, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 28 juni 2007

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen

van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus

70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden

uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.