Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB2247

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
23-08-2007
Zaaknummer
KGC200700326 & KGC200700327
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Tegen appellanten is in eerste aanleg een vonnis in kort geding tot ontruiming gewezen op de grond van dealen uit de huurwoning. Het hoger beroep faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. CB

rolnrs. KG C0700326/MA en KG C0700327/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 21 augustus 2007,

gewezen in de zaken van:

1. [A.],

wonende te [woonplaats], hierna: “[A.]”,

en

2. [B.],

wonende te [woonplaats], hierna: “[B.]”,

appellanten bij afzonderlijke exploten van dagvaarding van 23 februari 2007,

procureur: mr. P.W. van der Kruijs,

tegen:

de stichting STICHTING WOONPUNT,

gevestigd te [vestigingsplaats], hierna: “Woonpunt”,

geïntimeerde bij voormelde exploten van dagvaarding,

niet verschenen,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, gewezen vonnis van 8 februari 2007 tussen Woonpunt als eiseres en [A.] en [B.] als gedaagden.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld kort geding vonnis met zaak/rolnummer 242897/06-3699.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij afzonderlijke memories van grieven heeft [A.] één grief en [B.] twee grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Zij hebben ieder afzonderlijk geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de vorderingen van Woonpunt in eerste aanleg zal afwijzen, met veroordeling van Woonpunt in de proceskosten in beide instanties.

2.2. [A.] en [B.] hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Hiervoor wordt verwezen naar de grieven en de daarop gegeven toelichtingen, zoals vermeld in de memories van grieven.

4. De beoordeling:

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [A.] en [B.] hebben met ingang van 10 september 2003 van Woonpunt gehuurd de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de “woning”). Zij bewonen deze woning met hun drie minderjarige kinderen.

4.1.2. Op de huurovereenkomst zijn van toepassing Algemene voorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte. Deze voorwaarden bevatten onder meer de volgende bedingen:

Artikel 6. Verplichtingen van de huurder

6.1. Huurder zal het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt.

(…)

Huurder dient ervoor zorg te dragen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich met toestemming van huurder in het gehuurde bevinden.

(…)

6.5. Het is huurder verboden in het gehuurde verdovende middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I of II (…) te verkopen, af te leveren of te verstrekken dan wel huisgenoten of derden die zich in het gehuurde bevinden in de gelegenheid te stellen

verdovende middelen te gebruiken of te doen verhandelen.

(…)

4.1.3. Bij brief van 10 december 2005 heeft de huurder van de naastgelegen woning [adres] zich bij de verhuurder, Woonpunt, beklaagd over door [A.] en [B.] veroorzaakte overlast, bestaande in:

lawaaioverlast ’s avonds en ’s nachts;

bedreigingen;

overlast in verband met drugsverkoop vanuit de woning.

4.1.4. Op 25 november 2006 is [A.] in de brandgang achter de woning door de politie aangehouden op verdenking van handel in verdovende middelen. Bij hem zijn twee zakjes met 1,7 gram respectievelijk 1,0 gram heroïne in beslag genomen. Bij doorzoeking van de woning heeft de politie een zakje met 2,2 gram heroïne aangetroffen, twee zakjes met 14 gram resp. 15,8 gram op heroïne gelijkende stof en een zakje met 147,4 gram op cocaïne gelijkende stof, alsmede een weegschaal en twee spuitbusjes met CS-gas.

4.1.5. Bij e-mail bericht van 28 november 2006 heeft de huurder van een naburige woning aan de advocaat van Woonpunt bericht dat de (nachtelijke) overlast ook ná 25 november 2006 voortduurde.

4.1.6. Bij brief van 11 december 2006 heeft L.L.M.J. Gorissen, wijkagent bij de Regiopolitie Limburg-Zuid, voor zover hier van belang het volgende aan de advocaat van Woonpunt bericht:

(…)

Perceel [adres] te [woonplaats] wordt (…) door Woonpunt te [vestigingsplaats] verhuurd aan [A.] voornoemd. Het gezin [A.] bestaat uit man, vrouw en drie minderjarige kinderen.

Tussen februari 2006 en december 2006 werd, zowel bij de Regiopolitie Limburg-Zuid als bij woningstichting Woonpunt te [vestigingsplaats], door omwonenden van [A.] voornoemd, met regelmaat melding gedaan van overlast gerelateerd aan de vermoedelijke handel in verdovende middelen.

De overlast had onder andere betrekking op:

het aanbellen van kopers van verdovende middelen bij de verkeerde buurtbewoners;

bewegingen en geluidsoverlast van bezoekers en/of [A.] in de buurt gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd;

de aanwezigheid van auto’s met buitenlandse kentekens in de buurt;

frequent GSM-verkeer door [A.];

Rapporteur voegt hier aan toe dat:

(…) de woning van [A.] is gelegen recht tegenover een school voor lager onderwijs;

[A.] gedurende het afgelopen jaar meerdere keren werd aangehouden wegens het bezit van harddrugs.

Naar aanleiding van concrete meldingen uit de buurt werd op zaterdag 25 november 2006 een onderzoek ingesteld naar de handel in harddrugs door [A.] voornoemd.

Hierbij werd geconstateerd dat:

[A.] aan meerdere kopers harddrugs verkocht;

dat hij dit deed onder andere in de onmiddellijke omgeving van zijn woning;

dat in zijn woning alsmede in de daartoe behorende schuur (…) harddrugs in beslag werden genomen alsmede 2 verboden wapens.

(…)

Op zaterdag 9 december 2006 werd vanuit de buurt wederom melding gedaan van het feit dat [A.] tot diep in de nacht bezig is met de handel in drugs en dat zijn bewegingen en gedrag onveranderd zijn.

4.1.7. Woonpunt heeft bij exploot van dagvaarding in kort geding van 22 december 2006 gevorderd dat [A.] en [B.] worden veroordeeld - kort gezegd - de woning te ontruimen.

4.1.8. De voorzieningenrechter heeft bij het vonnis waarvan beroep [A.] en [B.] veroordeeld om binnen 14 dagen na betekening van dat vonnis de woning te ontruimen en ter algehele beschikking van Woonpunt te stellen, met machtiging aan Woonpunt deze ontruiming zonodig zelf te doen bewerkstelligen met behulp van politie en justitie, met veroordeling van [A.] en [B.] in de proceskosten.

4.1.9. [A.] en [B.] kunnen zich niet met dit vonnis verenigen en komen daarvan ieder afzonderlijk in hoger beroep.

4.2. Met een gelijkluidende grief (in het geval van [B.] genummerd grief 1) komen [A.] en [B.] op tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat het tekortschieten de toewijzing van de vordering tot ontruiming rechtvaardigt. Zij voeren daartoe aan dat blijkens het door hen overgelegde proces-verbaal van het opsporingsonderzoek door de politie in hun woning slechts 2,2 gram heroïne is aangetroffen en niet – zoals het vonnis waarvan beroep vermeldt – 180 gram. De twee aangetroffen verboden wapens betroffen spuitbusjes met CS-gas. De klachten omtrent overlast zijn alle afkomstig van één buurman. Dit alles vormt niet een zodanig ernstige tekortkoming dat hierdoor ontruiming in kort geding wordt gerechtvaardigd, aldus [A.] en [B.].

4.3. Het hof is (voorshands) van oordeel dat ook indien uitgegaan wordt van de in hoger beroep door [A.] en [B.] gegeven presentatie van de feiten en omstandigheden er sprake is van een ernstig tekortschieten in hun verplichtingen op grond van de huurovereenkomst. Immers,

zowel uit het door hen overgelegde proces-verbaal van het opsporingsonderzoek door de politie als uit de in zoverre niet bestreden brief van de wijkagent L.L.M.J. Gorissen blijkt dat er tussen februari 2006 en december 2006 sprake is geweest van aan drugsverkoop gerelateerde overlast in en rond de woning van [A.] en [B.]. Uit deze brief blijkt voorts dat de overlast ook na de politie inval op 25 november 2006 heeft voortgeduurd.

4.4. Naar voorlopig oordeel van het hof is deze overlast voldoende ernstig om in een bodemprocedure ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming te rechtvaardigen. De omstandigheid dat van de ca 180 gram in de woning aangetroffen op heroïne resp. cocaïne gelijkend poeder in 2,2 gram poeder heroïne kon worden aangetoond, neemt niet weg dat voorshands voldoende is komen vast te staan dat [A.] zich in en rond de woning structureel bezig hield met de handel in verdovende middelen en dat hierdoor ernstige overlast werd veroorzaakt. De grief faalt dus.

4.5. Met grief 2 betoogt [B.] dat de voorzieningenrechter haar ten onrechte aansprakelijk heeft gehouden voor het gedrag van haar partner [A.] en dat hij te weinig gewicht heeft toegekend aan het woonbelang van haar en haar drie minderjarige kinderen.

4.6. Naar voorlopig oordeel van het hof is [B.] als contractueel medehuurster van de woning mede aansprakelijk is voor het (ernstige) tekortschieten door haar partner [A.] in zijn verplichtingen als huurder. Deze tekortkoming is (naar voorlopig oordeel) zodanig ernstig dat valt te verwachten dat de bodemrechter zal oordelen dat het woonbelang van haar en haar drie kinderen hiervoor dient te wijken. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat in de woning attributen en zakjes met poeder zijn aangetroffen welke duiden op de handel in verdovende middelen en dat [B.] niet heeft aangevoerd dat zij niet op de hoogte was van drugshandel door haar partner [A.]. Ook deze grief faalt derhalve.

4.7. Ten aanzien van het door [A.] en [B.] gedane bewijsaanbod overweegt het hof dat het onderhavig kort geding zich niet leent voor leveren van getuigenbewijs.

4.8. De grieven falen alle. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [A.] en [B.] hoofdelijk in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van Woonpunt gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. Den Hartog Jager, Bark en Van den Bergh, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 21 augustus 2007.