Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1981

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
20-08-2007
Zaaknummer
05/00409
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het Hof is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel, dat belanghebbende met wat zij heeft gesteld onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat het bedrag van € 625,= niet in een redelijke verhouding staat tot de werkelijk aan de betekening verbonden kosten en dat de betekeningkosten niet slechts een "pecuniary compensation for damage" vormen, maar tevens moeten worden aangemerkt als "a punishment to deter reoffending" (EHRM 24 februari 1994, nr. 3/1993/398/476, BNB 1994/175).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/55.29 met annotatie van Redactie
FutD 2007-1647
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 05/00409

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vierde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van X B.V. te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de Voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Ontvanger) op het bezwaarschrift betreffende na te melden beschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is op 1 maart 2002 een dwangbevel betekend, waarbij betekeningkosten in rekening zijn gebracht. Op 15 maart 2002 heeft belanghebbende administratief beroep ingesteld tegen de in rekening gebrachte betekeningkosten van € 625,=. Bij uitspraak van de Ontvanger van 28 mei 2002 is de beschikking, waarbij de betekeningkosten zijn vastgesteld (hierna: de beschikking), gehandhaafd.

1.2. Tegen die uitspraak is belanghebbende tijdig in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft bij uitspraak van 10 december 2002 wegens niet-betaling van het griffierecht het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende heeft daartegen verzet gedaan. Het Hof heeft bij uitspraak van 19 september 2003, nr. 02/03316, het verzet ongegrond verklaard.

1.3. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 20 mei 2005, nr. 40.508, het beroep in cassatie gegrond verklaard, de uitspraak van het Hof van 19 september 2003 vernietigd en de zaak naar het Hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing op het verzet.

1.4. Het Hof heeft bij uitspraak van 23 september 2005 het verzet gegrond verklaard, de uitspraak van 10 december 2002 vernietigd en de griffier opgedragen aan belanghebbende een nota griffierecht ten bedrage van € 218,= te verzenden. Deze nota heeft belanghebbende tijdig betaald.

1.5. De Ontvanger heeft bij verweerschrift het beroep bestreden.

1.6. Belanghebbende heeft op 2 april 2007 - twee dagen vóór de zitting - nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.7.1. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 april 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is verschenen de Ontvanger.

1.7.2. Belanghebbende noch haar gemachtigde is verschenen. Belanghebbendes gemachtigde, A, advocaat, verbonden aan B Advocaten te C, heeft bij brief van 30 maart 2007, bij het Hof ingekomen op 2 april 2007, meegedeeld, dat belanghebbende noch haar gemachtigde op de zitting zal verschijnen.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de Ontvanger ter zitting, stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast.

2.1. Belanghebbende heeft aangifte omzetbelasting over de maand oktober 2001 gedaan, maar het verschuldigde bedrag niet betaald. De inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 22 december 2001, ter zake een naheffingsaanslag opgelegd, aanslagnummer 0000.00.000.F01.1100, met 10% boete, in totaal tot een bedrag van ƒ 29.956,= (€ 13.593,44). De laatste vervaldag van deze aanslag was 5 januari 2002.

2.2. Op 18 januari 2002 is namens de Ontvanger een aanmaning gezonden.

2.3. Omdat belanghebbende niet op de aanmaning reageerde, heeft de Ontvanger op 18 februari 2002 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 1 maart 2002 werd betekend. Ter zake van deze betekening heeft de belastingdeurwaarder € 625,= betekeningkosten in rekening gebracht. Het dwangbevel is betekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 47 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, derhalve door middel van het achterlaten van een afschrift aan de woonplaats in een gesloten envelop, omdat niemand op het betekeningadres werd aangetroffen.

2.4. Belanghebbende heeft tegen de in rekening gebrachte betekeningkosten tijdig administratief beroep ingesteld. Bij uitspraak van 28 mei 2002 heeft de Ontvanger de beschikking, waarbij de betekeningkosten zijn vastgesteld, gehandhaafd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

- Zijn de betekeningkosten terecht door de Ontvanger in rekening gebracht?

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Ontvanger is de tegengestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting heeft de Ontvanger hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

- Ik heb het stuk, door belanghebbende aangeduid als "pleitnotities", bij het Hof ingekomen op 2 april 2007, gelezen. Ik heb er geen bezwaar tegen, dat het stuk tot de stukken van het geding wordt gerekend.

- Een post als deze beïnvloedt aanzienlijk de gemiddelde kosten van invordering, zoals aangehaald in de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel Verhoging tarieven van de Kostenwet invordering rijksbelastingen, Kamerstukken II 1990/91, nr. 22 237, nr. 3.

- Belanghebbende heeft wel aangifte gedaan, maar niet betaald. Zij heeft geen uitstel van betaling verzocht en heeft eigenmachtig de op de aangifte af te dragen omzetbelasting verrekend met haar vermeende vordering uit onrechtmatige daad op de Ontvanger.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak, alsmede vernietiging van de beschikking. De Ontvanger concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1.1. Aan belanghebbende is bij beschikking een bedrag van € 625,= aan betekeningkosten in rekening gebracht. Belanghebbende stelt, dat de beschikking strijdig is met artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), omdat de betekeningkosten mede zijn gerelateerd aan een - volgens belanghebbende nog niet onherroepelijk vaststaande - boete. Het Hof stelt voorop, dat gesteld noch gebleken is, dat belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag gedagtekend 22 december 2001 en de boete. Naar het oordeel van het Hof stond de boete ten tijde van het betekenen van het dwangbevel - op 1 maart 2002 - derhalve onherroepelijk vast.

4.1.2. Overigens verwijst het Hof naar het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 1996, nr. 31.346, BNB 1997/6, waarin werd bepaald, dat de in artikel 6, lid 2, EVRM, neergelegde onschuldpresumptie niet zo ver gaat, dat de invordering van een niet-vaststaande verhoging niet mogelijk is. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft in zijn oordeel van 23 juli 2002 (Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic tegen Zweden, nr. 36 985/97, BNB 2003/2), in de paragrafen 118 tot en met 122 geoordeeld, dat invordering van boetes in belastingzaken onder omstandigheden in strijd kan zijn met de onschuldpresumptie van artikel 6, lid 2, EVRM. Beoordeeld dient te worden of het belang van de Staat der Nederlanden om de boete in te vorderen, voordat deze vaststaat, even zwaar weegt als het belang van belanghebbende bij het niet-invorderen van de boete. Hierbij is van belang of een ingevorderde boete terug kan worden gekregen en de juridische positie van een belastingschuldige kan worden hersteld, ingeval de belastingrechter beslist, dat de boete onterecht is opgelegd, en is ook de hoogte van het bedrag aan boete van belang.

4.1.3. In het onderhavige geval is een boete van ƒ 2.723,= (€ 1.235,64) opgelegd. Gelet op het Nederlandse rechtssysteem, waarin het mogelijk is onterecht ingevorderde boetes terug te krijgen en de Staat aansprakelijk te stellen voor schade door middel van een procedure uit onrechtmatige daad, is het Hof van oordeel, dat in dit geval - nog daargelaten hetgeen het Hof onder 4.1.1 heeft overwogen omtrent het onherroepelijk vaststaan van de boete - de beschikking niet in strijd is met de onschuldpresumptie van artikel 6, lid 2, EVRM.

4.1.4. Kosten van vervolging zijn - evenals heffing van invorderingsrente - een gevolg van niet-tijdige betaling van belastingschulden. De hoogte van het bedrag aan kosten van vervolging is - evenals invorderingsrente - mede afhankelijk van het verschuldigde bedrag aan boete. Omdat de Hoge Raad in het arrest van 9 oktober 1996, nr. 31.346, BNB 1997/6, heeft bepaald, dat het EVRM het belopen van invorderingsrente over niet-vaststaande boetes niet verhindert, is het Hof van oordeel, dat de keuze van de wetgever om de in rekening gebrachte kosten van vervolging te relateren aan het bedrag van de aanslag inclusief de boete niet onjuist is.

4.2.1. Belanghebbende stelt, dat de kosten van het dwangbevel niet in een redelijke verhouding staan tot de werkelijk aan een dergelijke betekening verbonden deurwaarderskosten, zodat in de betekeningkosten een boete-element schuilt. Zij verwijst hierbij naar het tarief met ingang van 15 juli 2001 van € 61,37 ter zake van betekening van een titel in het Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders. In de nadere stukken, bij het Hof ingediend op 2 april 2007, noemt belanghebbende een tarief van € 86,= en verzoekt zij het Hof de Ontvanger te gelasten inzicht te geven in de kosten van het invorderingsproces en de opbrengsten, die per vervolgingsactiviteit worden behaald.

4.2.2. Belanghebbende heeft zelf niets cijfermatigs gesteld of aannemelijk gemaakt omtrent de werkelijke kosten van vervolging, die bij de betekening van het onderhavige dwangbevel door de belastingdeurwaarder zijn gemaakt. Belanghebbende verwijst slechts naar een vastgesteld tarief voor gerechtsdeurwaarders en is kennelijk van mening, dat de werkelijke kosten van de betekening van het onderhavige dwangbevel overeenkomen met dat vastgestelde tarief. Naar het oordeel van het Hof miskent belanghebbende hiermee, dat bij een civiele incassoprocedure niet alleen deurwaarderskosten in rekening worden gebracht aan de schuldenaar, maar ook het honorarium voor degene, die de vordering incasseert, en griffierechten voor de rechtbank. Een vastgesteld tarief voor gerechtsdeurwaarders zegt niets over de totale kosten van betekening.

4.2.3. Een van de beginselen van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (hierna: de Kostenwet) is, dat de totale invorderingskosten gedekt moeten worden door de opbrengst van de kosten, die in rekening worden gebracht ter zake van de diverse vervolgingsmaatregelen.

Het Hof verwijst naar de vergelijking van de kosten van de civiele incassoprocedure en de fiscale invorderingsprocedure in het artikel van mr. A.P.M. van Rijn in WFR 1992/1689, alsmede naar de uitkomsten van een in opdracht van het Ministerie van Financiën verricht onderzoek van het Centrum beleidsadviserend onderzoek B.V. (Cebeon) naar de vraag of de tarieven van de Kostenwet nog steeds kostendekkend zijn (zie MvT, Kamerstukken II 2002/03, 28 917, nr.3, blz. 1-2). Uit het laatstgenoemd onderzoek blijkt, dat de tarieven uit de Kostenwet - zelfs na een verhoging ten opzichte van het jaar 2002 met 46% - royaal onder die, welke in civiele incassoprocedures voor vergelijkbare werkzaamheden in rekening kunnen worden gebracht, blijven. Voorts blijkt uit het in maart 2001 naar aanleiding van het Cebeon-onderzoek opgestelde rapport, dat in de jaren 1998 en 1999 in totaliteit sprake was van een onderdekking bij de rijksbelastingdienst van ongeveer € 27 miljoen.

4.2.4. Gelet op de uitkomsten van het aangehaalde onderzoek, ziet het Hof geen aanleiding om de Ontvanger nog te gelasten inzicht te geven in de kosten van het invorderingsproces zoals door belanghebbende verzocht.

4.2.5. Het Hof is gelet op het hiervoor overwogene van oordeel, dat belanghebbende met wat zij heeft gesteld onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat het bedrag van € 625,= niet in een redelijke verhouding staat tot de werkelijk aan de betekening verbonden kosten en dat de betekeningkosten niet slechts een "pecuniary compensation for damage" vormen, maar tevens moeten worden aangemerkt als "a punishment to deter reoffending" (EHRM 24 februari 1994, nr. 3/1993/398/476, BNB 1994/175).

4.3.1. Belanghebbende stelt onder verwijzing naar de artikelen 3:40 en 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), dat de beschikking betekeningkosten niet in werking is getreden, omdat zij niet op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. Naar het oordeel van het Hof dient het in een gesloten envelop achterlaten van een beschikking overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering met betrekking tot de betekening van exploten te worden gezien als een vorm van verzending in de zin van artikel 3:41, lid 1, van de Awb. "Toezenden" moet worden verstaan als "doen toekomen". Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs per post te geschieden, maar kan ook geschieden door een ambtenaar van de rijksbelastingdienst. De kostenbeschikking is op juiste wijze bekendgemaakt. Niet valt in te zien, waarom het overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering betekenen van dwangbevelen in strijd zou zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat in dit artikel waarborgen zijn opgenomen tegen het verloren gaan van het dwangbevel.

4.3.2. Belanghebbende stelt, dat aan haar de mogelijkheid is ontnomen om bij betekening de belastingschuld te voldoen en zodoende ook de betekeningkosten te voorkomen. Belanghebbende stelt, dat het in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, om het dwangbevel in een gesloten envelop achter te laten.

De Ontvanger heeft in zijn verweerschrift verklaard, dat als een belanghebbende door een belastingdeurwaarder op het vestigingsadres wordt aangetroffen, hij in de gelegenheid wordt gesteld om terstond te betalen. Alsdan worden geen betekeningkosten in rekening gebracht, wel kwitantiekosten. Indien de belastingdeurwaarder een belastingschuldige niet thuis aantreft, betekent hij het dwangbevel en laat dit in een gesloten envelop achter in de brievenbus.

4.3.3. Naar het oordeel van het Hof zijn belastingschuldigen die niet thuis zijn en belastingschuldigen die wel thuis zijn geen gelijke gevallen. Gelet op het verschil tussen deze groepen - met de ene groep kan de deurwaarder niet ter plekke communiceren en met de andere wel - is een verschillende behandeling geoorloofd. Mede gelet op het feit, dat de wetgever vanaf 1 januari 2004 betekening per post onder zekere voorwaarden mogelijk heeft gemaakt, kan niet worden gezegd, dat een door de belastingdeurwaarder niet bij de betekening aangetroffen belastingschuldige desalniettemin recht heeft op een laatste mogelijkheid tot contante betaling tegen voldoening van kwitantiekosten. Van het schenden van het zorgvuldigheidsbeginsel is naar het oordeel van het Hof geen sprake.

4.4. Belanghebbende stelt, dat de onderhavige beschikking onvoldoende is gemotiveerd. Belanghebbende wordt, zo stelt zij, slechts door een rode pijl ter hoogte van de betekeningkosten verwezen naar de achterzijde van het dwangbevel.

Het Hof overweegt, dat op het dwangbevel onder meer de benaming van de aanslag, het aanslagnummer, het bedrag van de aanslag en het invorderbare bedrag staan vermeld en ook dat

"(...) X B.V. D-straat 25 ---- -- Y achter is met het betalen van de hieronder genoemde aanslag: [...]".

Naar het oordeel van het Hof is de beschikking aldus voldoende gemotiveerd. Het Hof overweegt, dat het van algemene bekendheid is, dat het niet tijdig voldoen van te betalen bedragen kan leiden tot het moeten vergoeden van invorderingskosten. Bovendien is in de Kostenwet duidelijk aangegeven in welke gevallen van niet-tijdige betaling welke kosten in rekening zullen worden gebracht. Op een aanslag of aanmaning hoeft derhalve niet te worden vermeld, dat aan te late betaling kosten zijn verbonden en dat te late betaling kan leiden tot het in rekening brengen van betekeningkosten van een dwangbevel van ten hoogste € 6.807,=.

4.5. Belanghebbende stelt, dat zij niet in gebreke was op het moment, dat het dwangbevel werd betekend. Belanghebbende stelt, dat kosten niet in rekening mogen worden gebracht, indien de belastingschuldige geen verwijt kan worden gemaakt, dat hij op het moment van betekenen van het dwangbevel nog niet betaald had.

In dit geval is niet in geschil, dat belanghebbende de naheffingsaanslag heeft ontvangen. Belanghebbende was op de hoogte van haar belastingschuld en de termijn waarbinnen zij diende te betalen en heeft ruim de tijd gehad de belastingschuld te voldoen. Het Hof is derhalve van oordeel, dat belanghebbende in gebreke was ten tijde van het betekenen van het dwangbevel en dat het dwangbevel terecht is betekend. De door belanghebbende in haar beroepschrift aangehaalde arresten zien op situaties, waarin een terstond uitvoerbare aanslag is opgelegd tegelijkertijd met een dwangbevel. In zulke gevallen werd een belastingschuldige geconfronteerd met betekeningkosten op hetzelfde moment als waarop hij kennis nam van de belastingschuld. De Hoge Raad heeft bepaald, dat een belastingschuldige voldoende tijd wordt gegund om de belastingschuld te voldoen, indien er drie uren liggen tussen het kennisnemen van de belastingschuld en het betekenen van het dwangbevel (zie Hoge Raad 5 november 1997, nr. 32.632, BNB 1997/406). Aan die termijn is in dit geval ruimschoots voldaan.

4.6. Belanghebbende stelt, dat ter zake van de naheffingsaanslag op 6 februari 2002 verzet als bedoeld in artikel 17 van de Invorderingswet 1990 (hierna: de IW 1990) was aangetekend, zodat belanghebbende niet hoefde te verwachten, dat een dwangbevel betekend zou worden en - subsidiair - dat het verzet door de Ontvanger ambtshalve als een verzoek om uitstel van betaling had dienen te worden opgevat. Het Hof overweegt dienaangaande, dat, zoals de Ontvanger in zijn verweerschrift terecht stelt, de vragen omtrent de rechtmatigheid van invorderingsmaatregelen voorgelegd dienen te worden aan de burgerlijke rechter, die bij uitsluiting bevoegd is daarover te oordelen. In een kostenprocedure zoals de onderhavige is daarvoor geen plaats.

Overigens is het pas mogelijk verzet in te stellen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel, als het dwangbevel er is. Het dwangbevel is pas op 18 februari 2002 uitgevaardigd en op 1 maart 2002 betekend.

Belanghebbendes verwijzing naar het uitstelbeleid kan haar niet baten, nu gesteld noch gebleken is, dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen de naheffingsaanslag.

4.7. Voorts stelt belanghebbende, dat, nu zij bij brief van 7 januari 2002 uitdrukkelijk heeft aangegeven de omzetbelasting te betalen door middel van verrekening met een vordering uit onrechtmatige daad van haar op de Ontvanger, zij de omzetbelasting niet (meer) materieel verschuldigd is. Belanghebbende wijst op het bepaalde in artikel 24, lid 2, van de IW 1990. Dienaangaande overweegt het Hof als volgt.

In artikel 24, eerste en tweede lid, van de IW 1990, is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

"1. Met betrekking tot rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen voor zover de invordering daarvan aan de ontvanger is opgedragen, is verrekening op de voet van afdeling 12 van Titel 1 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek niet mogelijk.

2. De ontvanger is ten aanzien van de belastingschuldige bevoegd aan hem uit te betalen en van hem te innen bedragen ter zake van de in het eerste lid bedoelde rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen met elkaar te verrekenen. [...]".

Het vorenstaande betekent, dat het zogenoemde "open systeem" niet van toepassing is wanneer het om verrekeningsvraagstukken gaat (eerste lid van genoemd artikel 24) en dat de bedragen die voor verrekening als is bedoeld in artikel 24 van de IW 1990 in aanmerking komen, beperkt blijven tot "uit te betalen en [...] te innen bedragen ter zake van de in het eerste lid bedoelde rijksbelastingen en andere belastingen en heffingen" (tweede lid). De Hoge Raad heeft in het arrest van 29 oktober 2004, nr. C03/002HR, VN 2004/63.25, de vraag of andere dan de in het tweede lid van artikel 24 genoemde bedragen (die dus niet zijn aan te merken als rijksbelastingen en/of heffingen) verrekend mogen worden, ontkennend beantwoord. Volgens de Hoge Raad biedt de parlementaire geschiedenis geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat, naast de verruiming van de bevoegdheid van de ontvanger tot verrekening met betrekking tot andere belastingen dan rijksbelastingen en andere heffingen waarmee de ontvanger bemoeienis heeft, ook een verruiming in die zin is beoogd, dat tevens verrekening door de ontvanger met vorderingen van belastingschuldigen van andere aard is beoogd, laat staan dat een daarop toegesneden redactie van artikel 24 is overwogen. Het vorenstaande betekent, dat verrekening met een - vermeende - vordering van belanghebbende uit onrechtmatige daad op de Ontvanger niet mogelijk is. Belanghebbendes grief faalt daarom.

4.8. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Ontvanger.

5. Griffierecht

Het Hof is van oordeel, dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten, dat aan belanghebbende het door haar gestorte griffierecht wordt vergoed.

6. Proceskosten

De Hoge Raad heeft in het in 1.3 genoemde arrest nr. 40.508 bepaald, dat - bij gegrondverklaring van het verzet - over de kosten van het verzet het Hof dient te beslissen bij de uitspraak op het beroep. Nu het verzet gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het verzet bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 0,5 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 161,=.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb in de hoofdzaak.

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep ongegrond,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het verzet aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 161,=, en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de kosten van verzet moet vergoeden.

Aldus gedaan op 28 juni 2007 door J. Swinkels, voorzitter, J.W. van der Voort en F. Sonneveldt, in tegenwoordigheid van M.J.G. Letschert, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.