Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1922

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
17-08-2007
Zaaknummer
06/00203
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Is de aftrekbeperking van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) eveneens van toepassing op de in de jaarrekening opgenomen kosten van water en energie.

[...] Ten aanzien van de in geschil zijnde vraag is het Hof van oordeel dat het hoger beroep van de Inspecteur dient te worden verworpen op de gronden zoals door de Rechtbank in zijn uitspraak van 2 mei 2006 zijn opgenomen.

Het Hof merkt voorts op dat de Staatssecretaris in zijn Besluit van 7 juni 2004, nr. CPP2004/774M, onder meer gepubliceerd in BNB 2004/304, heeft toegestaan dat met ingang van 1 januari 2005 de werking van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c van de Wet wordt verruimd in dier voege dat voor in privé gehuurde bezittingen, zoals de werkruimte in een huurwoning, een gebruiksvergoeding aftrekbaar is van ten hoogste een evenredig deel van de huurprijs en van een evenredig deel van de huurderslasten. Hoewel de betreffende verruiming van het toepassingsbereik van voormeld artikel 3.17 ingaat per 1 januari 2005 kan hier niettemin een aanknopingspunt worden gevonden dat het door de Inspecteur verdedigde standpunt onjuist is. Het valt immers niet te rijmen dat de huurder de huurderslasten van de zakelijke werkruimte, waaronder de kosten van energie en water, kan aftrekken als zakelijke last en in een gelijke situatie, de eigenaar van een woning die tot zijn/ haar privé vermogen behoort op grond van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c van de Wet een meer beperkte aftrek ten deel zou vallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2007/21.3
V-N 2007/55.1.1
FutD 2007-1592
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00203

Uitspraak van de eerste meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/P, van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 2 mei 2006, nummer 05/3673 in het geding tussen

belanghebbende

mevrouw X,

wonende te Y,

hierna: belanghebbende

en

de Inspecteur

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.544,=, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van werk en woning van € 44.161,=.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 2 maart 2007 om 14.00 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

1.5. Belanghebbende noch haar gemachtigde zijn verschenen.

Tot de stukken van het geding behoort een op 28 februari 2007 bij het Hof ingekomen brief van belanghebbende waarin zij te kennen geeft dat zij de uitnodiging voor de mondelinge behandeling heeft ontvangen en mededeelt dat zij niet ter zitting van 2 maart 2007 aanwezig zal zijn.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Het Hof verwijst voor de feiten naar de onderdelen 2.1 tot en met 2.5 van de uitspraak van de Rechtbank. Voorts zijn in deze zaak op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting geen nadere feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Is de aftrekbeperking van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet) eveneens van toepassing op de in de jaarrekening opgenomen kosten van water en energie.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de Inspecteur hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

De kwestie is thans door de staatssecretaris aan de Hoge Raad voorgelegd ter beoordeling. Ik volg hierbij het beroepschrift in cassatie. Desgevraagd onderken ik dat er per 1 januari 2005 een zekere divergentie zit tussen behandeling van de zakelijke kosten van energie en water van de huurder van een woning die een evenredig deel van de huurderslasten van het praktijkdeel en/of de werkruimte van de woning kan aftrekken en de ondernemer die de woning tot zijn privé vermogen rekent en deze kosten niet kan aftrekken. Dit maakt mijn standpunt niet anders.

3.3. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ten aanzien van de in geschil zijnde vraag is het Hof van oordeel dat het hoger beroep van de Inspecteur dient te worden verworpen op de gronden zoals door de Rechtbank in zijn uitspraak van 2 mei 2006 zijn opgenomen.

4.2. Het Hof merkt voorts op dat de Staatssecretaris in zijn Besluit van 7 juni 2004, nr. CPP2004/774M, onder meer gepubliceerd in BNB 2004/304, heeft toegestaan dat met ingang van 1 januari 2005 de werking van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c van de Wet wordt verruimd in dier voege dat voor in privé gehuurde bezittingen, zoals de werkruimte in een huurwoning, een gebruiksvergoeding aftrekbaar is van ten hoogste een evenredig deel van de huurprijs en van een evenredig deel van de huurderslasten. Hoewel de betreffende verruiming van het toepassingsbereik van voormeld artikel 3.17 ingaat per 1 januari 2005 kan hier niettemin een aanknopingspunt worden gevonden dat het door de Inspecteur verdedigde standpunt onjuist is. Het valt immers niet te rijmen dat de huurder de huurderslasten van de zakelijke werkruimte, waaronder de kosten van energie en water, kan aftrekken als zakelijke last en in een gelijke situatie, de eigenaar van een woning die tot zijn/ haar privé vermogen behoort op grond van artikel 3.17, eerste lid, onderdeel c van de Wet een meer beperkte aftrek ten deel zou vallen.

4.3. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende, dient het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond te worden verklaard en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden bevestigd.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op: 28 juni 2007

door G.D. van Norden, voorzitter, J.W.J. Huige en T. Blokland, in tegenwoordigheid van M.J.J. van Oorschot, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Van de Staat wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van

€ 414,=.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.