Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1921

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
17-08-2007
Zaaknummer
06/00281
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende met toepassing van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op toepassing van het verlaagde tarief met betrekking tot haar winst voor zover toerekenbaar aan het jaar 2002, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

[...]

De wetgever heeft in het verleden bij vergelijkbare tariefsverlagingen wel een overgangsregeling getroffen voor gevallen met gebroken boekjaren.

Bij onderhavige tariefsverlaging heeft het kabinet er echter voor gekozen daarvan af te zien en wel om "pragmatische redenen", mede gelet op de "omvang van de tariefsmutatie" (zie Kamerstukken II vergaderjaar 2001/02, 28 034, nr. 5, blz. 7). Het Parlement heeft daar genoegen mee genomen. Het is dan niet aan de derde macht (de rechter) om de eerste macht (de wetgever) nog verder de maat te nemen, zeker niet wanneer die daarbij, meer dan mogelijk in het verleden het geval was, streeft naar vereenvoudiging en administratieve lastenverlichting. Tijden veranderen.

Anders dan de Rechtbank is het Hof daarom van oordeel, dat er voldoende rechtvaardiging is - althans dat de wetgever een voldoende objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft aangevoerd - voor de door de wetgever gekozen behandeling van gebroken boekjaren. De Wet moet naar het oordeel van het Hof daarom worden toegepast, zoals die luidt.

Belanghebbende heeft dientengevolge naar het oordeel van het Hof pas met ingang van 1 oktober 2002 recht op de tariefsverlaging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-1567
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/281

Uitspraak van de vierde meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst P/kantoor Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda van 22 juni 2006 nummer AWB 05/2461 in het geding tussen

de Inspecteur

en

X B.V.,

gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2001/2002 een aanslag opgelegd in de vennootschapsbelasting berekend naar een belastbaar bedrag van € 2.226.312,=. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraak gedagtekend 2 juni 2005 de aanslag gehandhaafd.

1.2. Bij mondelinge uitspraak van 22 juni 2006 verzonden op 29 juni 2006, heeft de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep gegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij brief ontvangen ter griffie van het Hof op 3 augustus 2006. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 25 april 2007 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbende en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen.

1.4. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof. Het Hof rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.5. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is onderworpen aan vennootschapsbelasting. Haar boekjaar loopt van 1 oktober tot en met 30 september. Aan belanghebbende is met dagtekening 25 september 2004 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd over het boekjaar 1 oktober 2001 tot en met 30 september 2002 naar een belastbaar bedrag van € 2.226.312,=. De uit hoofde van deze aanslag verschuldigde vennootschapsbelasting bedraagt € 778.074,=. Daarbij is over de eerste € 2.689,= van het belastbare bedrag een belastingtarief van 30% gehanteerd (het zogenaamde "opstapje") en over het meerdere een tarief van 35%.

2.2. Bij wet van 14 september 2001 (Stb. 2001,641) (hierna: de Wet) is het tarief voor de vennootschapsbelasting verlaagd. Over het belastbare bedrag tot € 22.689,= wordt voortaan een tarief van 29% gehanteerd. Over het meerdere wordt een tarief van 34,5% gehanteerd.

2.3. Belanghebbende heeft een gebroken boekjaar, dat aanvangt op 1 oktober. Ingevolge artikel VIII, achtste lid van de Wet vindt de tariefsverlaging - zonder overgangsmaatregel - voor het eerst toepassing met betrekking tot boekjaren, die aanvangen op of na 1 januari 2002. Belanghebbende mist daardoor over de eerste negen maanden van 2002 de gunstige effecten van de verhoging van het "opstapje" en de verlaging van de beide tarieven. Zou dat niet het geval zijn, dan zou de aanslag € 8.435,= lager zijn geweest en € 769.639,= hebben bedragen.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen.

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende met toepassing van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op toepassing van het verlaagde tarief met betrekking tot haar winst voor zover toerekenbaar aan het jaar 2002, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

De Rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord en de aanslag met € 8.435,= verlaagd. De Inspecteur komt daartegen in hoger beroep op.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het onderzoek ter zitting.

3.3. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van zijn uitspraak. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De Rechtbank heeft als volgt overwogen:

"4.2. De rechtbank stelt voorop dat een ongelijke behandeling van gelijke gevallen slechts wordt verboden als daarvoor niet een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat, of anders gezegd, indien daarmee niet een gerechtvaardigd doel wordt nagestreefd of indien er niet een redelijke verhouding bestaat tussen de ongelijke behandeling en het doel dat wordt nagestreefd. Daarbij komt aan de wetgever een zekere beoordelingsmarge toe."

De Rechtbank heeft hiermee een juiste maatstaf gekozen.

Hieruit volgt, dat in het midden kan blijven of in casu de Wet gelijke gevallen ongelijk behandelt of ongelijke gevallen disproportioneel ongelijk behandelt, indien althans uiteindelijk een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor die wettelijke behandeling aanwezig is. Indien de wetgever zich over deze laatste vraag gebogen heeft, brengen de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen met zich, dat de rechter het standpunt van de wetgever eerbiedigt, tenzij deze in redelijkheid niet tot zijn standpunt heeft kunnen komen.

4.2. De wetgever heeft in het verleden bij vergelijkbare tariefsverlagingen wel een overgangsregeling getroffen voor gevallen met gebroken boekjaren.

Bij onderhavige tariefsverlaging heeft het kabinet er echter voor gekozen daarvan af te zien en wel om "pragmatische redenen", mede gelet op de "omvang van de tariefsmutatie" (zie Kamerstukken II vergaderjaar 2001/02, 28 034, nr. 5, blz. 7). Het Parlement heeft daar genoegen mee genomen. Het is dan niet aan de derde macht (de rechter) om de eerste macht (de wetgever) nog verder de maat te nemen, zeker niet wanneer die daarbij, meer dan mogelijk in het verleden het geval was, streeft naar vereenvoudiging en administratieve lastenverlichting. Tijden veranderen.

Anders dan de Rechtbank is het Hof daarom van oordeel, dat er voldoende rechtvaardiging is - althans dat de wetgever een voldoende objectieve en redelijke rechtvaardiging heeft aangevoerd - voor de door de wetgever gekozen behandeling van gebroken boekjaren. De Wet moet naar het oordeel van het Hof daarom worden toegepast, zoals die luidt.

Belanghebbende heeft dientengevolge naar het oordeel van het Hof pas met ingang van 1 oktober 2002 recht op de tariefsverlaging.

4.3. De overigens door belanghebbende opgeworpen bezwaren tegen juiste wetstoepassing behoeven naar het oordeel van het Hof verder geen behandeling.

4.4. In het midden kan dientengevolge naar het oordeel van het Hof ook blijven de stelling van de Inspecteur dat de discriminatieverboden in de door belanghebbende genoemde mensenrechtverdragen niet bedoeld zijn om een teruggave van € 8.345,= te bewerkstelligen van een aanslag van € 778.074,=.

4.5. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van de Inspecteur, dient het hoger beroep gegrond te worden verklaard en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden vernietigd.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, en

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 28 juni 2007

door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.