Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1920

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-07-2007
Datum publicatie
17-08-2007
Zaaknummer
C200600493
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkneemster vordert van werkgever schadevergoeding, nader op te maken bij staat. Zij stelt dat de directeur van werkgever haar veelvuldig ongewenst heeft benaderd om privé-redenen, hoewel het aan hem duidelijk was dat zij deze contacten niet wenste.

Het hof verwerpt deze stelling. Wel is volgens het hof sprake van handelen in strijd met goed werkgeverschap door o.a. telefoongesprekken van werkneemster op de band op te nemen, haar onterechte verwijten te maken en haar ten onrechte te ontslaan.

Het hof is voorts van oordeel dat de schade direct begroot kan worden en veroordeelt werkgever tot betaling van een vergoeding van € 45.000,00 bruto aan werkneemster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2007, 137
JAR 2007, 229
JAR 2007/229
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

C0600493/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 17 juli 2007,

gewezen in de zaak van:

[X.] DEN BOSCH B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 5 april 2006,

procureur: mr. M.O. de Bont,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ’s-Hertogenbosch, gewezen vonnis van 5 januari 2006 tussen appellante – [X. B.V.] - als gedaagde en geïntimeerde - [Y.] - als eiseres.

Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 392849/rolnr. 2352/05)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, voorzien van producties, heeft [X. B.V.] negen grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van [Y.], met veroordeling van [Y.] in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] onder overlegging van producties de grieven bestreden.

2.3. Nadat [Y.] een akte had genomen, hebben partijen de zaak mondeling doen bepleiten aan de hand van pleitnota’s, [X. B.V.] door mr. De Bont en [Y.] door mr. Van Zijl. Partijen hebben daarbij nog nadere stukken in het geding gebracht.

2.4. [Y.] heeft ten slotte de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [Y.], geboren op [geboortejaar] is op 23 augustus 1993 bij [X. B.V.] in dienst getreden voor het verrichten van werk- zaamheden van administratieve aard. Per april 2000 bedroeg haar salaris f. 1.665,00 bruto per week, exclusief 8% vakantietoeslag en een jaarlijkse tantième van f. 2.000,00 netto.

4.1.2. [Z.] (hierna: [Z.]) is directeur van [X. B.V.] en (door middel van [A.] Beheer B.V.) enig aandeelhouder van [X. B.V.]. [X. B.V.] exploiteert een onderneming die zich richt op het aannemen en uitvoeren van grondwerken, wegenbouw, sloopwerken en aanverwante activiteiten.

4.1.3. Tussen [X. B.V.] (in de persoon van [Z.]) en [Y.] zijn in het jaar 1999 problemen ontstaan.

4.1.4. Met ingang van 25 oktober 1999 heeft [Y.] zich ziek gemeld.

In oktober of november 1999 heeft zij een operatie ondergaan.

4.1.5. Op 17 december 1999 heeft [Z.] met [Y.] een functioneringsgesprek gehouden. Op 20 januari 2000 heeft [Y.] haar werk hervat.

4.1.6. [X. B.V.] heeft op 19 april 2000 [Y.] op non-actief gesteld. Op diezelfde datum heeft [X. B.V.] een verzoek aan de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch gedaan om de arbeidsovereenkomst met [Y.] te ontbinden. [Y.] heeft in de ontbindings- procedure verweer gevoerd. Bij die gelegenheid heeft zijzelf verzocht de arbeidsovereenkomst te ontbinden, met toekenning aan haar, ten laste van [X. B.V.], van een vergoeding van f. 311.688 bruto op basis van correctiefactor 5.

Op of omstreeks 19 april 2000 heeft [Y.] zich ziek gemeld. Vanaf die datum heeft zij geen werkzaamheden meer voor [X. B.V.] verricht.

4.1.7. [X. B.V.] heeft bij brief van haar gemachtigde van 8 mei 2000 [Y.] op staande voet ontslagen omdat zij zich schuldig zou hebben gemaakt aan laster, roddel en achterklap jegens (personeel van) [X. B.V.].

[Y.] heeft de nietigheid van het ontslag ingeroepen.

4.1.8. [X. B.V.] is op 14 juni 2000 niet-ontvankelijk verklaard in haar onder 4.1.6. genoemde ontbindingsverzoek.

De kantonrechter heeft bij tussenbeschikking van 14 juni 2000 [Y.] toegelaten te bewijzen dat zij, kort gezegd, door [Z.] ongewenst veelvuldig is benaderd om andere dan zakelijke redenen. [Y.] heeft in augustus 2000 haar ontbindingsverzoek ingetrokken, aangezien zij op korte termijn een baan bij een ander sloopbedrijf kon aanvaarden.

4.1.9. Op 11 juli 2000 heeft [Y.] jegens [X. B.V.] bij de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch een loonvorderingsprocedure aanhangig gemaakt. In die procedure is het ontslag nietig geoordeeld en is de loonvordering bij vonnis van 6 september 2001 toegewezen.

4.1.10. Met ingang van 4 september 2000 is [Y.] voltijds in dienst getreden bij [B.] Sloopwerken B.V. te [vestigingsplaats]. Per 5 maart 2001 heeft zij zich ziek gemeld. Zij is sinds diezelfde datum (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt. Aan haar is een W.A.O.-uitkering toegekend.

4.1.11. [Y.] heeft [X. B.V.] op 6 januari 2005 gedagvaard voor de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch en gevorderd, zakelijk weergegeven, 1) voor recht te verklaren dat [X. B.V.] in strijd heeft gehandeld met goed werkgeverschap, de op haar als werkgeefster rustende verplichtingen als bedoeld in artikel 3 en in artikel 4 lid 2 jo. artikel 1 lid 3 onder e van de Arbeidsomstandighedenwet niet is nagekomen en de bepaling van artikel 7:658 BW geschonden heeft en dat [X. B.V.] dientengevolge verplicht is aan [Y.] de schade te vergoeden die zij als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden;

2) [X. B.V.] te veroordelen tot betaling aan [Y.] van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met veroordeling van [X. B.V.] in de proceskosten.

4.1.12. Bij vonnis van 5 januari 2006 heeft de kantonrechter voor recht verklaard dat [X. B.V.] heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van goed werkgeverschap en dat [X. B.V.] verplicht is de schade die [Y.] als gevolg daarvan heeft geleden en nog zal lijden aan haar te vergoeden. Voorts is [X. B.V.] daarbij veroordeeld tot betaling aan [Y.] van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.1.13. Tegen deze beslissingen komt [X. B.V.] op.

4.2. Blijkens het beroepen vonnis heeft de kantonrechter zijn oordeel dat [X. B.V.] zich niet als een goed werkgever heeft gedragen, gebaseerd op de overwegingen 3.4, 3.6, 3.7 en 3.8.

Die overwegingen luiden:

“3.4. Op grond van de hiervoor onder C. vermelde vaststaande feiten en de hiervoor weergegeven verklaringen van getuigen staat in voldoende mate vast:

- dat [Z.] op een zaterdag in april 1999 naar de woning van [Y.] is gekomen en haar een pakje heeft gegeven dat een gouden kettinkje met een medaillon bleek te bevatten met daarop de vervlochten initialen van [Y.] in de vorm van een hart;

- dat [Z.] in de periode daarna veelvuldig bij [Y.] aan huis is geweest en dat hij bij een van die gelegenheden enkele flessen wijn heeft meegenomen;

- dat [Z.] meermalen op zaterdagmiddagen bloemen bij [Y.] aan huis liet bezorgen;

- dat [Z.] in 1999 regelmatig belde naar [Y.] over niet zakelijke onderwerpen en dat [Y.] daarvan niet gediend was;

- dat [Z.] [Y.] op 6 april 2000 om 23.20 uur heeft gebeld alleen om haar een “goede nachtrust toe te wensen”;

- dat [Y.] de toenaderingspogingen van [Z.] niet wenste, dat [Z.] dat wist, en dat zij van die toenaderingspogingen last had.

(…)

3.6. Gelet op het hiervoor overwogene staat in voldoende mate vast dat [Z.] [Y.] in 1999 veelvuldig ongewenst heeft benaderd om andere dan zakelijke redenen en dat [Y.] dat als een probleem heeft ondervonden. De zijdens [X. B.V.] (en [Z.]) aangevoerde feiten en omstandigheden zijn, ook indien deze, waar zij betwist zijn, komen vast te staan, ontoereikend om dat bewijs te ontkrachten. Tevens staat, zoals overwogen, vast dat [Z.], als directeur van [X. B.V.], op 18 en 19 april 2000 enkele telefoongesprekken van [Y.] met derden heeft opgenomen althans doen opnemen. Voorts staat, gelijk overwogen, vast dat [X. B.V.] [Y.] bij brief van 8 mei 2000 op staande voet heeft ontslagen, omdat zij zich zou hebben schuldig gemaakt aan laster, achterklap en roddel jegens [X. B.V.], en dat in een loonvorderingsprocedure is geoordeeld dat dat ontslag nietig is en de loonvordering van [Y.] is toegewezen.

3.7. [Z.] is de directeur en (via een andere BV) enig aandeelhouder van [X. B.V.], de toenmalige werkgeefster van [Y.]. De gedragingen van [Z.] zijn daarom aan [X. B.V.] toe te rekenen. [Y.] bevond zich, als werkneemster van [X. B.V.], jegens [Z.] in een afhankelijke situatie. Dit maakte dat het voor [Y.] moeilijk was om zich (te actief) te verzetten tegen ongewenste toenaderingspogingen van [Z.]. Zij zou daarmee immers haar baan op het spel zetten. Het heeft op de weg van (de directie van) [X. B.V.] gelegen om [Y.] te beschermen tegen de ongewenste toenaderingspogingen van [Z.]. Dat heeft [X. B.V.] nagelaten.

3.8. Op grond van het vorenoverwogene is de kantonrechter van oordeel dat [X. B.V.] heeft gehandeld in strijd met haar verplichtingen als goed werkgever door de vermelde handelingen van [Z.] toe te staan althans geen maatregelen te nemen om [Y.] in bescherming te nemen tegen die handelingen van [Z.] en door [Y.] op onterechte gronden op staande voet te ontslaan. (…)”.

4.3. De eerste zeven grieven (en de daarop telkens door [X. B.V.] gegeven toelichting) richten zich onder meer tegen de hiervoor weergegeven overwegingen van de kantonrechter.

Ongewenste benaderingen door [Z.]

4.3.1. Ter toelichting op deze grieven heeft [X. B.V.] onder andere het volgende aangevoerd.

[Z.] heeft [Y.] in 1999 niet veelvuldig ongewenst benaderd. [Z.] en [Y.] hebben vanaf 4 april 1997 tot 3 maart 1999 een liefdesrelatie gehad, die beiden geheim hebben gehouden. Op 3 maart 1999 deelde [Y.] aan [Z.] mede dat zij de relatie met hem wilde beëindigen. In april 1999 vernam [Z.] van [Y.] dat zij een nieuwe vriend had. De affectieve relatie tussen [Z.] en [Y.] duurde ook na maart/april 1999 voort. [Y.] bleef het privé-contact met [Z.] opzoeken. [Y.] heeft de benadering van [Z.] niet als een probleem ondervonden. Als voorbeelden heeft [X. B.V.] onder meer genoemd:

- [Z.] heeft [Y.] op verschillende zaterdagen in de vakantieperiode van 1999 thuis bezocht; van enige weerstand daartegen van [Y.] is niet gebleken.

- Begin mei 1999 hebben [Z.] en [Y.] gegeten in restaurant Duinrand te [vestigingsplaats]. Enige tijd daarna hebben zij in [plaatsnaam] gegeten.

- In de zomermaanden van 1999 hebben [Z.] en [Y.] een aantal malen ergens een borreltje gedronken. Tijdens diezelfde maanden hebben de zoon en de dochter van [Y.] een dagtochtje met het vliegtuig van [Z.] (hij heeft een vliegbrevet) gemaakt.

- Rond oktober/november 1999 heeft [Y.] naar [Z.] gebeld en hem medegedeeld dat haar dochter met brommerpech bij het Koning Willem I College te [vestigingsplaats] stond. Op verzoek van [Y.] heeft [Z.] de dochter van [Y.] daar opgehaald, naar huis gebracht en de bromfiets naar een fietsenmaker gebracht.

- In november 1999 heeft [Y.] (vóór haar operatie) aan [Z.] telefonisch gevraagd of hij haar zoon kon helpen die thuis met een stukgereden autoband stond. [Z.] is naar de zoon gereden en heeft het wiel afgemonteerd en laten repareren door een bandenbedrijf. De volgende dag heeft [Z.] de band teruggebracht en gemonteerd, waarna [Z.] en [Y.] samen hebben geluncht.

- Begin december 1999 heeft [Y.] aan [Z.] gevraagd of hij met haar naar de Harense Smid wilde gaan om een stereo- installatie en een zonnehemel te kopen. [Y.] is met [Z.] meegereden in de auto en [Z.] heeft op haar verzoek bij die aankoop geassisteerd.

4.3.2. [Y.] heeft daartegen onder meer het volgende aangevoerd. Zij heeft geen liefdesrelatie met [Z.] gehad. Wel heeft zij tot april 1999 een goede en tot op zekere hoogte vriend-schappelijke relatie met [Z.] onderhouden. In april 1999 heeft [Z.] haar medegedeeld dat hij gevoelens van affectiviteit voor haar had. [Y.] heeft aan [Z.] daarop direct medegedeeld deze gevoelens niet te delen. Zij bevond zich ten opzichte van [Z.] in een afhankelijke positie; zij kon zich niet (te) actief tegen [Z.] verzetten, zonder haar baan op het spel te zetten. Daardoor hebben ook na april 1999 privé-contacten tussen [Z.] en haar plaatsgehad.

Zij wilde haar kinderen de vlucht met het vliegtuig van [Z.] niet ontzeggen, omdat die vlucht al lang geleden was toegezegd.

[Z.] heeft zelf aangeboden (welk aanbod [Y.] heeft geaccepteerd) om de dochter van [Y.] en de kapotte brommer op school op te halen. Dat [Z.] haar zoon met een kapotte autoband geholpen heeft, wordt door [Y.] betwist. Ook al zou dit anders zijn, dan nog geldt hier (zoals ook ten aanzien van de voormelde contacten) volgens [Y.] dat de relatie tussen [Z.] en haar pieken en dalen kende. [Z.] heeft ook zelf aangeboden haar met de auto naar de Harense Smid te rijden. [Y.] heeft dat aanbod aanvaard, omdat zij destijds als gevolg van haar ziekte zelf geen auto kon rijden en ook niet mocht tillen en daardoor in staat werd gesteld Sinterklaasinkopen voor haar kinderen te doen.

4.3.3. Het hof oordeelt als volgt.

4.3.4. Vaststaat dat [Z.] en [Y.] tot in maart 1999 (volgens [X. B.V.]) of tot in april 1999 (volgens [Y.]) niet alleen een zakelijke, maar ook een (op zijn minst) vriendschappelijke relatie hebben gehad. Het antwoord op de vraag of de verhouding tussen [Z.] en [Y.] een liefdesrelatie was, zoals [X. B.V.] heeft gesteld en [Y.] heeft betwist, acht het hof niet relevant. In maart of april 1999 heeft [Y.] aan [Z.] medegedeeld dat zij de vriendschappelijke relatie met [Z.] wilde beëindigen. Desondanks hebben ook na april 1999 meermalen privé-contacten plaatsgehad tussen [Z.] en [Y.], tot en met de eerste week van december 1999.

Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat [Y.] (tot medio december 1999) aan [Z.] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij die contacten niet langer op prijs stelde. Dat de door [Y.] gestelde afhankelijkheid haar dit belette, acht het hof niet geloofwaardig, te minder nu [Y.] in de periode na april 1999 meermalen privé-uitstapjes met [Z.] heeft gemaakt en van de diensten van [Z.] gebruik heeft gemaakt in privé-situaties, zoals vorenbedoelde hulp van [Z.] bij de brommerpech van de dochter van [Y.] en de assistentie van [Z.] bij het doen van Sinterklaasinkopen ten behoeve van de kinderen van [Y.].

Na laatstbedoeld privé-contact (in de eerste week van december 1999) zijn tussen [Y.] en [X. B.V.] in de persoon van [Z.] problemen gerezen die weliswaar te maken hebben met de vriendschappelijke relatie die tussen [Y.] en [Z.] heeft bestaan, maar die niet hun oorsprong vinden in de door [Y.] gestelde (en door het hof verworpen) ongewenste privé-contacten tussen [Z.] en haar. Dat laat onverlet dat een werkgever, zoals in dit geval [X. B.V.], zich zekerschap had dienen te geven van het feit dat een door haar leidinggevende (i.c. [Z.]) gewenste affectieve relatie met een van haar personeelsleden (te weten [Y.]) de normale relatie tussen werkgever en die werknemer op een indringende wijze belast met als gevolg dat een verschil van opvatting over het presteren van werkgever en werknemer al snel tegen die achtergrond zal worden bezien. Het is aan de werkgever daarbij de nodige zorgvuldigheid te betrachten. Op de problemen tussen [X. B.V.] en [Y.] zal in de onderdelen 4.4.4. e.v. nader worden ingegaan.

4.3.5. In eerste aanleg heeft [Y.] ook gesteld, kort gezegd, dat [Z.] haar privégangen heeft nagegaan, anonieme brieven heeft gestuurd aan echtgenoten van kennissen van [Y.] en dat [Z.] haar, [Y.] heeft gestalkt. Die stellingen zijn door de kantonrechter bij het beroepen vonnis verworpen. Blijkens (de punten 10 en 11 van) de memorie van antwoord heeft [Y.] zich bij dit oordeel van de kantonrechter neergelegd. Voormelde stellingen zullen dan ook door het hof buiten beschouwing worden gelaten.

4.3.6. Voor het overige zijn onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat [Y.] door [Z.] in 1999 en/of in 2000 veelvuldig is benaderd om andere dan zakelijke redenen, hoewel het aan [Z.] duidelijk was dat [Y.] deze contacten niet wenste.

Het door [Y.] gedane bewijsaanbod wordt daarom, als niet ter zake dienend, gepasseerd.

4.3.7. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vordering van [Y.], voor zover deze is gebaseerd op de door haar gestelde ongewenste toenaderingen van [Z.], niet toewijsbaar is. In zoverre slagen de eerste zeven grieven.

Opgenomen telefoongesprekken, ontslag op staande voet

4.4. De grieven 1 tot en met 4 en 7 richten zich (zoals ook blijkt uit de daarop telkens door [X. B.V.] gegeven toelichting) voorts tegen het door de kantonrechter in het beroepen vonnis gegeven oordeel dat [X. B.V.] ook door andere handelingen, te weten: het opnemen op de band van door [Y.] gevoerde telefoongesprekken en het aan haar door [X. B.V.] ten onrechte gegeven ontslag op staande voet, in strijd met goed werkgeverschap jegens [Y.] heeft gehandeld.

4.4.1. [X. B.V.] heeft gesteld dat een tussen [Y.] en [Z.] gevoerd gesprek op 16 december 1999 het breekpunt is geweest voor de verhoudingen tussen partijen. [X. B.V.] heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd. [Y.] was begin december 1999 weer zodanig hersteld, dat zij in staat bleek haar sociale leven op te pakken en bijvoorbeeld een receptie van Heineken te bezoeken. Op 16 december 1999 heeft [Z.] tijdens een lunch met [Y.] in [plaatsnaam] voor het eerst kritiek op het functioneren van [Y.] geuit. [Z.] heeft op diezelfde datum telefonisch aan [Y.] gevraagd of zij in staat was, al dan niet in deeltijd, een herstart met haar werkzaamheden te maken. [Y.] heeft [Z.] op vijandige wijze aangegeven dat zij zelf wel uitmaakte wanneer zij haar werkzaamheden zou hervatten. Nadien heeft [Y.] zich enkel uiterst negatief en ongeïnteresseerd, nors en oncollegiaal jegens [Z.] opgesteld.

Na de werkhervatting van [Y.] in januari 2000 is de situatie verder verslechterd. Van de door [Y.] gestelde functiewijziging is volgens [X. B.V.] geen sprake. Wel is met instemming van [Y.] een nieuwe taakomschrijving gemaakt. Voorts werden [C.] en [D.] als “buffer” tussen [Y.] en [Z.] (die enig directielid was) geplaatst. [Y.] accepteerde de leiding van hen niet. [Y.] negeerde haar collega’s en voerde veelvuldig telefoongesprekken op een zodanige wijze dat anderen niet konden horen wat zij besprak. [X. B.V.] heeft op 18 en 19 april 2000 de gesprekken die [Y.] met de zakelijke telefoon van [X. B.V.] voerde, op de band opgenomen. Uit de opnamen blijkt volgens [X. B.V.] dat [Y.] zich meermalen negatief heeft uitgelaten over het bedrijf van [Z.], dat zich door toedoen van [Y.] onregelmatigheden hebben voorgedaan met betrekking tot de verkoop van sloopmateriaal en een silo, en dat [Y.] zich negatief gedroeg op de werkvloer en personeel van [X. B.V.] heeft opgejuind. Deze handelingen waren reden om [Y.] op staande voet te ontslaan. Dat besluit kan volgens [X. B.V.] niet als slecht werkgeverschap worden geduid.

4.4.2. [Y.] heeft voormeld betoog van [X. B.V.] gemotiveerd betwist. Zij heeft onder meer het volgende aangevoerd. Op de dag voor haar functioneringsgesprek van 17 december 1999 (welk gesprek ondanks haar ziekte toch zou doorgaan) heeft [Z.] telefonisch kritiek op haar geuit. Haar werd medegedeeld dat de uitvoerders wel hadden verwacht dat [Y.] enkele uren per dag zou komen werken, zulks terwijl [Y.] al vanuit haar ziekbed allerlei werkzaamheden (zoals telefonische acquisitie) voor [X. B.V.] had verricht. Die kritiek viel bij [Y.] verkeerd. Tijdens het functioneringsgesprek tussen [Z.] en haar, in aanwezigheid van J. van de Berg, adviseur van [Z.], heeft [Y.] hiertegen dan ook bezwaar gemaakt. [Y.] heeft aan [Z.] te kennen gegeven met rust gelaten te willen worden. Na haar werkhervatting in januari 2000 is door [X. B.V.] een functiewijziging doorgevoerd, waarmee [Y.] zich niet kon verenigen. [X. B.V.] heeft onrechtmatig gehandeld door telefoongesprekken van [Y.] op te nemen. [Y.] wil toe-geven dat zij zich in die telefoongesprekken beter had kunnen onthouden van ontboezemingen over haar visie op de gang van zaken binnen het bedrijf van [X. B.V.], maar van opjuining van het personeel of van onregelmatigheden waarbij [Y.] betrokken zou zijn, is geen sprake.

4.4.3. Het hof oordeelt als volgt.

4.4.4. Partijen zijn het erover eens dat omstreeks medio december 1999 een breuk in de arbeidsrelatie heeft plaatsgehad. Zij verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [X. B.V.] rond die tijd en in de maanden daarna zich niet als een goed werkgever jegens [Y.] heeft gedragen. In dit verband is het volgende van belang.

4.4.5. [X. B.V.] heeft op 16 en 17 december 1999 er bij [Y.] op aangedrongen dat zij haar werk, al dan niet in deeltijd, zou hervatten. Het hof gaat ervan uit dat [Y.] toen nog arbeids-ongeschikt was, nu niet is gesteld of gebleken dat [Y.] (door een Arbo-arts) hersteld was verklaard. Voorts heeft [Y.] tijdens de pleidooizitting onweersproken verklaard dat zij van haar specialist het advies had gekregen om eerst in de tweede week van januari 2000 te gaan werken. [Y.] heeft dan ook terecht geweigerd om in december 1999 weer aan het werk te gaan. Daaruit volgt dat [X. B.V.] ten onrechte druk heeft uitgeoefend op [Y.] om haar werkzaamheden, (al dan niet volledig) te hervatten.

4.4.6. Niet is komen vast te staan dat [X. B.V.] een functiewijziging heeft doorgevoerd, waarmee [Y.] het niet eens was. Integendeel, tijdens de pleidooizitting is gebleken dat [Y.] uiteindelijk heeft ingestemd met een herverdeling van de taken tussen haar collega [E.] (dochter van [Z.]) en [Y.].

Tijdens de pleidooizitting bleek dat [Y.] het er niet mee eens was dat zij niet langer recht-streeks onder [Z.], als enig directeur van [X. B.V.], ressorteerde maar onder de bedrijfsleiders [C.] en [D.]. De reden van die wijziging was, daarover zijn partijen het wel eens, dat het contact tussen [Z.] en [Y.] zoveel mogelijk werd beperkt. [Y.] heeft desgevraagd ter pleidooi-zitting verklaard dat zij zo min mogelijk met [Z.] te maken wilde hebben, maar dat zij er niet over had nagedacht hoe dit in de praktijk gerealiseerd kon worden. Het hof is van oordeel dat van [Y.] mocht worden verwacht mee te denken over een oplossing van de tussen [Z.] en haar gerezen problemen en dat zij er niet mee kon of mocht volstaan [C.] en [D.] als haar leiding-gevenden af te wijzen. [Y.] heeft toegegeven dat zij zich een aantal malen jegens derden negatief heeft uitgelaten over het bedrijf van [X. B.V.]. Ook daardoor heeft zij bijgedragen aan een verslechtering van de arbeidsrelatie.

4.4.7. [X. B.V.] heeft (in de persoon van [Z.]) voor het eerst (vage) kritiek op het functioneren van [Y.] geuit in december 1999. Ook in januari 2000 en in de daarop volgende maanden februari, maart en april 2000 was [X. B.V.] niet tevreden over het functioneren en de houding van [Y.]. Het lag op de weg van [X. B.V.] om [Y.] van haar kritiek in duidelijke bewoordingen op de hoogte te brengen en verbeterpunten aan te geven. Dit heeft [X. B.V.] ten onrechte nagelaten. Voorts verwijst het hof naar onderdeel 4.3.4. voorlaatste alinea van dit arrest betreffende, kort gezegd, de door [X. B.V.] te betrachten zorgvuldigheid.

Aan [Y.] kan worden verweten dat zij zich in die tijd zo weinig mogelijk met haar leiding-gevenden en collega’s bemoeide, waardoor zij zichzelf isoleerde en de arbeidsrelatie tussen partijen verder verslechterde.

4.4.8. [X. B.V.] heeft (volgens haar stelling op 18 en 19 april 2000, volgens [Y.] op eerdere data) zonder medeweten van [Y.] bandopnamen van haar telefoongesprekken tijdens werktijd gemaakt, terwijl daartoe naar het oordeel van het hof onvoldoende reden was. Voorts valt aan [X. B.V.] te verwijten dat zij ook toen geen openheid van zaken aan [Y.] heeft gegeven. In plaats daarvan heeft zij direct gestreefd naar het einde van de dienstbetrekking door [Y.] op non-actief te stellen en op diezelfde dag een ontbindingsverzoek jegens haar in te dienen. [X. B.V.] heeft noch in de onder 4.1.6. genoemde ontbindingsprocedure noch in de onder 4.1.9. genoemde loonvorderingsprocedure een beroep gedaan op die opnamen.

Eerst in de onderhavige appelprocedure heeft [X. B.V.] die opnamen in het geding gebracht.

4.4.9. Op grond van de door [X. B.V.] gemaakte opnamen van door [Y.] gevoerde telefoon-gesprekken kan niet geoordeeld worden dat, zoals [X. B.V.] heeft gesteld, het ontslag op staande voet op goede gronden is gegeven. Immers, daarover heeft de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch onherroepelijk geoordeeld in de onder 4.1.9. bedoelde procedure. Gelet daarop is het hof van oordeel dat [X. B.V.], door [Y.] ten onrechte te ontslaan, zich niet als een goed werkgever jegens [Y.] heeft gedragen.

4.4.10. Van de opnamen hebben beide partijen transscripties in het geding gebracht. Bovendien zijn de banden ter griffie van het hof gedeponeerd. Die banden zijn overigens niet beluisterd door het hof. De inhoud van (de transcripties van) de opgenomen telefoongesprekken is naar het oordeel van het hof niet zodanig dat daaruit kan worden geconcludeerd dat [Y.] zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing van het personeel, en/of onregelmatigheden en/of onrechtmatige uitlatingen jegens [X. B.V.]. De door [X. B.V.] gestelde onregelmatigheden zijn onvoldoende feitelijk onderbouwd, dan-wel onjuist gebleken. Zo heeft [X. B.V.] ter pleidooizitting toegegeven dat zij slechts een vermoeden heeft dat [Y.] zich de opbrengst van een verkochte silo (die sloopmateriaal was) heeft toegeëigend, en dat zij dit niet kan bewijzen. Het door [X. B.V.] ter pleidooizitting aan [Y.] gemaakte verwijt betreffende een niet afgerekende lashelm, laat het hof buiten beschouwing, nu de raadsman van [Y.] terecht heeft aangevoerd dat dit verwijt tardief is aangevoerd en derhalve in strijd met een goede procesorde is. Wat de uitlatingen van [Y.] betreft is vast komen te staan dat [Y.] zich telefonisch meermalen negatief heeft uitgelaten over het bedrijf van [X. B.V.] jegens derden. Naar het oordeel van het hof heeft [Y.], voor zover haar daarvan een verwijt kan worden gemaakt, dit niet op zodanige wijze en met zodanige frequentie gedaan dat deze uitlatingen als onrechtmatig jegens [X. B.V.] moeten worden aangemerkt.

Naar het oordeel van het hof heeft [X. B.V.] door bedoelde telefoongesprekken op te nemen en in verband daarmee aan [Y.] onterechte verwijten te maken, zich niet als een goed werkgever jegens haar gedragen.

4.4.11. [X. B.V.] heeft nog gesteld dat zij slachtoffer is geworden van een door [Y.] in scène gezette situatie. [Y.] heeft volgens [X. B.V.] vergelijkbare situaties gecreëerd bij eerdere en latere werkgevers; ook heeft zij een voormalig echtgenoot op vergelijkbare wijze onder druk gezet. Daarnaast heeft [Y.] zowel bij [X. B.V.] als bij andere werkgevers collega’s benaderd met het doel hen op te zetten tegen de werkgever, waarbij zij zich heeft bediend van achterklap. Voorts zijn door [Y.] in de gevoerde bodemprocedure, aldus [X. B.V.], vervalste verklaringen in het geding gebracht.

4.4.12. Voormelde stelling van [X. B.V.] wordt verworpen, enerzijds omdat deze onverenigbaar is met het hiervoor weer- gegeven oordeel van het hof dat [Y.] zich niet heeft schuldig gemaakt aan opruiing of achterklap en voorts omdat deze stelling voor het overige onvoldoende feitelijk is onderbouwd.

Het ter zake door [X. B.V.] gedane bewijsaanbod wordt daarom gepasseerd.

4.4.13. Het vorenstaande leidt tot de conclusie, dat [X. B.V.] zich niet als een goed werkgever jegens [Y.] heeft gedragen door te handelen, zoals weergegeven onder 4.4.5 en 4.4.7 tot en met 4.4.10. Dat neemt niet weg dat ook aan [Y.] het een en ander valt te verwijten, zoals blijkt uit de onderdelen 4.4.6 en 4.4.7. van dit arrest.

4.4.14. Er zijn voor het overige onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat [X. B.V.] tevens (naast het handelen in strijd met goed werkgeverschap) heeft gehandeld in strijd met de Arbeidsomstandigheden-wet en/of de bepaling van artikel 7:658 BW geschonden heeft. Voor zover de vordering van [Y.] op deze twee laatstgenoemde gronden is gebaseerd, is deze niet toewijsbaar.

Schade

4.5. De grieven 8 en 9 hebben, zoals blijkt uit de daarop door [X. B.V.] gegeven toelichting, betrekking op het oordeel van de kantonrechter dat [X. B.V.] uit hoofde van het handelen in strijd met goed werkgeverschap aansprakelijk is voor de schade die [Y.] heeft geleden en nog lijdt, alsook op de beslissing van de kantonrechter om [X. B.V.] te veroordelen tot betaling aan [Y.] van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.

4.5.1. [Y.] heeft aangevoerd dat de door haar geleden schade bestaat uit gederfd inkomen en uit immateriële schade. [Y.] ontvangt thans een WAO-uitkering die aanzienlijk lager is dan het loon dat zij in dienst van [X. B.V.] genoot en nog genoten zou hebben als zij zich niet genoodzaakt zou hebben gezien de arbeidsovereenkomst met [X. B.V.] op te zeggen om elders in dienst te kunnen treden). Haar ziekmeldingen van 19 april 2000 en 5 maart 2001 zijn te wijten aan de behandeling die [Y.] bij [X. B.V.] door [Z.] heeft moeten ondergaan. [Y.] heeft last van concentratieproblemen, geheugenuitval, trillingen, druk op het hoofd en is ook voortdurend verkouden. De oorzaak van deze klachten moet, aldus [Y.], gezocht worden in de spanningen waaraan [Y.] heeft blootgestaan als gevolg van de behandeling door de directeur van [X. B.V.]. Ter ondersteuning van haar stellingen heeft [Y.] gewezen op de brief van 12 november 2001 van drs. C.J.G. Schellings, psycholoog, verbonden aan de Arbo Unie te [vestigingsplaats] (productie 21 bij conclusie van repliek) en het rapport van 12 augustus 2005 van drs. J. Huisman, psychiater te [vestigingsplaats] (productie 22 bij conclusie van repliek).

4.5.2. [X. B.V.] heeft voormeld betoog van [Y.] gemotiveerd betwist. Zij heeft onder meer aangevoerd dat [Y.] zich op de dag waarop zij op staande voet is ontslagen, te weten, 19 april 2000 heeft ziek gemeld uit tactische overwegingen. Daarna heeft [Y.] zelf de nodige rechtszaken aanhangig gemaakt. Op 4 september 2000 is zij full time gaan werken bij [B.] (genoemd onder 4.1.10). De arbeidsongeschiktheid van [Y.] heeft, aldus [X. B.V.], niets van doen met [X. B.V.].

Er is volgens [X. B.V.] noch sprake van materiële noch van immateriële schade.

4.5.3. Het hof oordeelt als volgt.

Er zijn onvoldoende feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken die tot het oordeel kunnen leiden dat de arbeidsongeschiktheid van [Y.] het gevolg is van het arbeidsconflict met [X. B.V.] en het in strijd handelen met goed werkgeverschap van [X. B.V.].

De onder 4.5.1 weergegeven klachten van [Y.] hebben zich eerst geopenbaard tijdens het dienstverband met de opvolgend werkgever van [Y.], te weten [B.], en niet tijdens het dienstverband met [X. B.V.]. De ziekmelding van [Y.] dateert uit maart 2001, dus ca. één jaar nadat zij zich – vanwege een arbeidsconflict – bij [X. B.V.] had ziek gemeld. Toen [Y.] per 4 september 2000 bij [B.] in dienst trad, achtte zij zich niet langer arbeidsongeschikt.

Aan de onder 4.5.1. genoemde brief van psycholoog Schellings en het rapport van psychiater Huisman komt onvoldoende betekenis toe, nu zij (onder meer) zijn afgegaan op de verklaringen van [Y.], die haar betoog grotendeels heeft toegespitst op de door haar gestelde ongewenste benaderingen van directeur [Z.] en het hof haar desbetreffende stellingen blijkens het voorgaande (zie de onderdelen 4.3.4. tot en met 4.3.7.) heeft verworpen.

4.5.4. Dat neemt niet weg dat [X. B.V.] wegens het handelen in strijd met goed werkgever-schap, zoals beschreven in de onderdelen 4.4.5 en 4.4.7 tot en met 4.4.10 van dit arrest jegens [Y.] schadeplichtig is.

4.5.5. Het hof is van oordeel dat de schade direct begroot kan worden.

Uit het hiervoor overwogene volgt onder meer, dat het beëindigen van de arbeidsrelatie meer aan [X. B.V.] dan aan [Y.] te verwijten is. [X. B.V.] heeft in belangrijke mate ertoe bijgedragen dat [Y.] uiteindelijk heeft besloten om bij [X. B.V.] te vertrekken. Aldus heeft [Y.] werk moeten opgeven dat zij graag deed en dat zij bovendien jarenlang naar volle tevredenheid van [X. B.V.] heeft verricht. Gelet op deze en de overige omstandigheden van dit geval, acht het hof een aan [Y.] ten laste van [X. B.V.] toe te kennen vergoeding van € 45.000,00 bruto redelijk en billijk. Bij de vaststelling van dit bedrag heeft het hof aansluiting gezocht bij de vergoeding zoals die wordt toegekend bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst conform (de criteria van) de kantonrechterformule (in het bijzonder correctiefactor 1,5).

4.5.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter terecht heeft geoordeeld dat [X. B.V.] jegens [Y.] in strijd met de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van goed werkgeverschap heeft gehandeld - zij het met in achtneming van de verbetering en aanvulling van de gronden door het hof - en dat [X. B.V.] verplicht is de door [Y.] geleden schade te vergoeden. De door de kantonrechter uitgesproken veroordeling van [X. B.V.] tot betaling aan [Y.] van schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, dient te worden vernietigd, nu de hoogte van de schade- vergoeding blijkens het hiervoor overwogene door het hof is vastgesteld.

Om praktische redenen zal het vonnis waarvan beroep in zijn geheel worden vernietigd.

4.5.7. [X. B.V.] zal, als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, zowel in de kosten van de eerste aanleg als van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [X. B.V.] jegens [Y.] heeft gehandeld in strijd met de op haar rustende verplichtingen uit hoofde van goed werkgeverschap en dat [X. B.V.] verplicht is de door [Y.] geleden schade aan haar te vergoeden;

veroordeelt [X. B.V.] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Y.] een bedrag van € 45.000,00 bruto als schadevergoeding te betalen;

veroordeelt [X. B.V.] tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [Y.] gevallen, voor de eerste aanleg vastgesteld op

€ 1.912,60, waarvan € 1.725,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met BTW belast) en voor het hoger beroep op € 248,00 aan griffierechten en € 2.682,00 aan salaris procureur;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Walsteijn en Van Voorst van Beest en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 17 juli 2007.