Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1682

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-07-2007
Datum publicatie
15-08-2007
Zaaknummer
C0501450
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Appellant" betoogt voorts dat de verzekeraar de verzekering niet terecht op grond van art. 23 sub c verzekeringsvoorwaarden heeft beëindigd, omdat - aldus "appellant" - het feit dat hij zijn bedrijf heeft verkocht nog niet impliceert dat hij is opgehouden een beroep uit te oefenen. Het hof oordeelt als volgt. Op het polisblad is als beroep van "appellant" vermeld landbouwer/veehouder (een varkenshouderij met akkerbouw). Door zijn bedrijf te verkopen heeft als uitgangspunt te gelden dat "appellant" daarmee heeft opgehouden zijn beroep als zelfstandig veehouder/landbouwer uit te oefenen. Weliswaar brengt dat nog niet zonder meer mee dat "appellant" daarmee geheel heeft opgehouden een beroep uit te oefenen, doch met de uitoefening van zijn beroep als landbouwer/veehouder als bedoeld in de polis is hij in ieder geval op [datum 7] opgehouden. Ook dan is de verzekeraar op grond van art. 23 sub c verzekeringsvoorwaarden bevoegd de verzekeringsovereenkomst te beëindigen, omdat er in ieder geval sprake is van het gedeeltelijk ophouden een beroep uit te oefenen. "Appellant" heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie wettigen dat hij - ondanks de verkoop van zijn bedrijf - onverkort een zelfstandig beroep is blijven uitoefenen, waarin hij het risico bleef lopen inkomen te derven tengevolge van zijn arbeidsongeschiktheid als bedoeld in art. 3 van de verzekeringsvoorwaarden. "Appellant" heeft weliswaar aangevoerd dat hij, indien hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geweest, na verkoop van zijn bedrijf nog wel mogelijkheden had voor een beroepsuitoefening (mvg punt 24 - 26), maar feitelijk is door "appellant" geen zelfstandig beroep meer uitgeoefend waardoor een verzekerbaar belang zou zijn blijven bestaan. Nu een verzekerbaar belang ontbrak, moet in het kader van het onderhavig geding worden aangenomen dat de verzekeraar terecht heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid de verzekering te beëindigen. Er zijn geen gronden om aan te nemen dat deze beëindiging door de verzekeraar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De stelling van "appellant" dat hij na verkoop van zijn bedrijf vanwege zijn arbeidsongeschiktheid feitelijk niet in staat was een ander beroep te gaan uitoefenen, zulks als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. CB

rolnr. C0501450/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 3 juli 2007,

gewezen in de zaak van:

"APPELLANT",

wonende te "woonplaats", [gemeente],

appellant bij exploot van dagvaarding van 22 augustus 2005,

procureur: mr. C.M. van der Corput,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [GEÏNTIMEERDE],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. G.R.A.G. [geïntimeerde],

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 29 juni 2005 tussen appellant- "appellant" - als eiser en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 61793/ HA ZA 04-495)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 2 juni 2004 en 22 september 2004.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft "appellant" onder overlegging van producties vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van zijn vorderingen.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna ieder een akte genomen en vervolgens de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven van "appellant" strekken ten betoge dat de rechtbank zijn vorderingen ten onrechte heeft afgewezen

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. "Appellant" had in de jaren 1984 tot 1995 een onderneming te "woonplaats", te weten een varkenshouderij met akkerbouw. De onderneming was verliesgevend (zie prod. 23 cvr) en blijkens een verklaring van de echtgenote van "appellant" (prod. 22 cvr) was "appellant" vanaf begin oktober 1994 met de bank in gesprek over de mogelijkheid om de onderneming te laten overnemen door “zoon”.

b. "Appellant" was vanaf [datum 1] tegen het risico van arbeidsongeschiktheid verzekerd bij NationaleNederlanden Schadeverzekering Mij N.V. (verder de verzekeraar) op basis van een verzekering met polisnr. [nummer] (zie polisblad 1 (prod. 2 inl. dagv.) en vervolgblad (prod. 14 mvg) en verzekeringsvoorwaarden nr. 440-92 (prod. 21 cvr).

In art. 23 van de verzekeringsvoorwaarden (Verplichtingen bij risicowijziging) is onder meer het volgende bepaald:

"De verzekeringnemer respectievelijk de verzekerde is verplicht op straffe van verlies van het recht op uitkering de maatschappij terstond schriftelijk kennis te geven, wanneer:

(.....)

c. de verzekerde, anders dan tengevolge van arbeidsongeschiktheid geheel of gedeeltelijk heeft opgehouden een beroep uit te oefenen;

(....)

In al deze gevallen heeft de maatschappij het recht andere voorwaarden te stellen (waaronder wijziging van de premie of verlaging van het verzekerde bedrag) dan wel de verzekering te beëindigen. (....) De verzekering zal alsdan worden beëindigd per de datum waarop de maatschappij de mededeling van de gewijzigde omstandigheden heeft ontvangen."

c. Op 25 oktober 1994 kreeg "appellant" te horen "dat het moeilijk zou worden voor [zoon appellant] en dat de kosten minder moesten worden zodat er weer winst zou ontstaan." (prod. 22 cvr).

Op [datum 2] kreeg "appellant" een ernstige inzinking. Zijn echtgenote heeft hem toen ziek gemeld bij de verzekeraar. De verzekeraar heeft hem een arbeidsongeschiktheidsuitkering verstrekt.

Op 28 oktober 1994 kreeg "appellant" te horen "dat het geen nut meer had en dat het beter was het bedrijf te verkopen". "Appellant" kreeg van de bank tot 1 mei 1995 de tijd de kans het bedrijf zelf te verkopen. Indien het dan niet was gelukt, zou de bank het doen.

d. Op [datum 7] heeft "appellant" zijn bedrijf verkocht. De assurantie-adviseur van "appellant" heeft dit aan de verzekeraar medegedeeld.

e. Op 23 augustus 1995 heeft [psychiater] (psychiater) op verzoek van de (medisch adviseur van de) verzekeraar "appellant" onderzocht. Daarvan is een rapport d.d. [datum 3] opgemaakt (prod. 3 inl. dagv.) en dit rapport is op [datum 3] naar de (medische adviseur van de) verzekeraar gestuurd.

De eindconclusies van dat rapport houden in:

"Bij het huidig psychiatrisch onderzoek worden geen objectief aantoonbare medische afwijkingen vastgesteld."

"Er kan thans geen psychiatrische diagnose worden gesteld. Als omschrijvende diagnose: wisselende gevoelens van verdriet; normaal toestandsbeeld in psychiatrische zin bij gemiddeld belastbare persoonlijkheid."

"Uit hoofde van de psychiatrie kunnen thans geen beperkingen t.a.v. onderzochte worden gesteld bij het verrichten van arbeid."

"De medische prognose is gunstig."

"De bij onderzochte in eind 1994/begin 1995 aanwezige depressie was een reactie op neurotische verwerking van het verlies van zijn bedrijf."

f. In de periode [datum 4] tot [datum 5] is "appellant" opgenomen geweest in de PAAZ-afdeling van het ziekenhuis te [plaats] (zie prod. 11B inl. dagv.).

g. Met ingang van [datum 6] was "appellant" 80-100% arbeidsongeschikt in de zin van de AAW. Hij ontvangt sindsdien een volledige AAW/WAZ-uitkering.

h. Bij brief van 18 oktober 1995 (prod. 8 inl. dagv.) heeft de verzekeraar aan "appellant" het volgende medegedeeld:

"Van uw assurantie-adviseur vernamen wij dat u uw bedrijf per [datum 7] hebt verkocht. Als gevolg hiervan bestaat er geen verzekerbaar belang meer en heeft de arbeidsongeschiktheidsverzekering geen bestaansrecht meer. Wij zullen dan ook overgaan tot royement van de polis per [datum 7]. Een royementsaanhangsel en eventuele premierestitutie kunt u per separate post tegemoet zien.

Op verzoek van onze medisch adviseur bent u voor ons op 23 augustus 1995 onderzocht door [psychiater]. Inmiddels ontving onze medisch adviseur diens rapport. Wij vernamen dat hieruit blijkt dat er geen medisch vaststelbare beperkingen tengevolge van ongeval en/of ziekte zijn. Er is dan geen sprake meer van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis. Het recht op uitkering komt hiermee te vervallen.

Als gevolg van de verkoop van uw bedrijf en hierdoor het royement van de polis komt het recht op uitkering al te vervallen per de royementsdatum ([datum 7]). Met onze uitkering tot 26 augustus 1995 hebben wij dus teveel betaald. Wij zullen in dit geval het teveel uitgekeerde niet terugvorderen."

i. Bij brief d.d. 2 november 1995 (prod. 9 inl. dagv.) heeft de assurantieadviseur AMAK ASSURANTIEN BV namens "appellant" aan de verzekeraar medegedeeld:

"In aansluiting op uw schrijven d.d. 18 oktober jl. delen wij U mede dat verzekerde per 31 augustus werd opgenomen in het Ziekenhuis te [plaats] voor behandeling en nader onderzoek.

Ons inziens is wel degelijk sprake van arbeidsongeschiktheid in de zin der polis.".

j. "Appellant" heeft vervolgens de Stichting Rechtsbijstand ingeschakeld. Bij brief d.d. 9 november 1995 (prod. 1 cva) heeft "een medewerker" van de Stichting Rechtsbijstand het volgende aan "appellant" medegedeeld:

"Teneinde met een redelijke kans op succes te proberen van Nationale Nederlanden een uitkering te kunnen verkrijgen dient er zekerheid te bestaan omtrent de vraag of uw medische situatie van dien aard is dat er gesproken kan worden van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid tengevolge van ziekte of gebrek.

(.....)

In de onderhavige kwestie zijn geen (medische) stukken voorhanden waarmee aangetoond kan worden dat er in uw geval sprake is van arbeidsongeschiktheid tengevolge van een ziekte of gebrek en dus het standpunt van Nationale Nederlanden niet juist is.

(...)

Wij verzoeken u derhalve een door een medisch specialist opgesteld rapport te doen toekomen, waaruit volgt dat hij/ zij van oordeel is dat er sprake is van een ziekte of gebrek en u op die grond arbeidsongeschikt bent. Indien de medisch specialist dit wenst kan het rapport worden toegezonden aan onze medisch adviseur, [persoon 2]."

k. De medisch adviseur [persoon 2] (hierna [persoon 2]) heeft "de medewerker van Stichting Rechtsbijstand" vervolgens bericht dat er op grond van de medische informatie geen kans op succes bestond (cva punt 9; niet weersproken door "appellant"). Stukken uit het AAW-dossier zijn door "appellant" niet aan "de medewerker" toegezonden, waarna het dossier is gearchiveerd.

l. In juni 1999 is op verzoek van "appellant" het dossier heropend. "Een andere medewerker", destijds werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, heeft toen omtrent "appellant" medische informatie opgevraagd, onder andere bij het GUO, welke informatie is voorgelegd aan [persoon 2]. Omtrent het standpunt van [persoon 2] heeft "deze medewerker" bij brief d.d. 15 november 1999 (gericht aan de Rabobank Bergen: prod. 2 cva) het volgende bericht:

"Inmiddels werd het commentaar ontvangen van onze medisch adviseur naar aanleiding van het door mij aan hem toegezonden (medische) dossier van het GUO betreffende onze relatie de heer "appellant" te "woonplaats".

Daaruit blijkt dat onze medisch adviseur het standpunt zijdens Nationale Nederlanden van destijds, luidende dat de heer "appellant" op [datum 7] weliswaar depressief was doch zulks niet als gevolg van ziekte maar tengevolge van de gedwongen bedrijfssluiting, nog steeds plausibel vindt. Vervolgens geeft onze medisch adviseur aan dat uit de door hem ontvangen dossierstukken van het GUO eigenlijk hetzelfde beeld naar voren komt, namelijk een voortdurende depressiviteit van de heer "appellant" als gevolg van het hem aangedane onrecht. Er zijn volgens onze medisch adviseur dan ook welbeschouwd geen nieuwe gezichtspunten aan het dossier van het GUO te ontlenen. Het GUO heeft - zo constateert onze medisch adviseur - overigens ook geen nieuwe informatie ingewonnen bij de behandelende sector van de heer "appellant".

Wij beschikken derhalve niet over valide (medische) argumenten met behulp waarvan het standpunt van Nationale Nederlanden gefundeerd kan worden betwist. Mijns inziens kan momenteel dan ook geen zinvolle verdere actie jegens Nationale Nederlanden worden ondernomen."

m. Op 1 augustus 2000 in "de andere medewerker" in dienst getreden bij [geïntimeerde].

n. Bij brief d.d. 28 augustus 2000 (prod. 10a inl. dagv.) stelt "de andere medewerker" "appellant" ervan op de hoogte dat [persoon 2] informatie zal gaan inwinnen bij de behandelende sector, te weten [persoon 3], verder [persoon 3] (psychiater), van het St. Maartens Gasthuis te [plaats].

o. Bij brief d.d. 30 oktober 2000 heeft [persoon 3] aan [persoon 2] (prod. 11B inl. dagv.) een aantal inlichtingen verstrekt omtrent zijn medische bevindingen ten aanzien van "appellant". "De andere werknemer" heeft deze brief doorgestuurd aan "appellant" bij brief d.d. 21 december 2000 (prod. 11a inl. dagv.).

p. [persoon 2] heeft vervolgens op 16 januari 2001 aan "de andere werknemer" - zakelijk weergegeven - het volgende bericht (prod. 12b inl. dagv.):

Uit de informatie van [persoon 3] tot P. d.d. 30 oktober 2000 komt naar voren dat cliënt in november 1994 al werd opgenomen wegens een ernstig reactief depressief syndroom. Als toen (nov. 1994) de bedrijfssluiting al speelde hebben we hiermee geen nieuwe gezichtspunten.

Overigens is deze brief wel een pleidooi voor cliënt, maar de belangrijkste vraag (die uit mijn inleiding duidelijk blijkt) nl. of er een psychische ziekte was, was niet door [persoon 3] beantwoord.

q. Bij brief d.d. 25 januari 2001 (prod. 13 inl. dagv., prod. 3 cva) heeft "de andere werknemer" "appellant" op de hoogte gesteld van het standpunt van [persoon 2] en hem als volgt bericht:

"In opgemelde zaak ontving ik de bevindingen van onze medisch adviseur naar aanleiding van de verklaring van [persoon 3] d.d. 3 november j.l.

Daarin geeft de medisch adviseur aan dat zijns inziens aan de verklaring van [persoon 3] geen nieuwe bruikbare gezichtspunten zijn te ontlenen.

Wij beschikken derhalve onveranderd niet over valide (medische) argumenten met behulp waarvan het standpunt van Nationale Nederlanden gefundeerd kan worden betwist. Mijns inziens kan dan ook geen zinvolle verdere actie jegens Nationale Nederlanden worden ondernomen.

Bij gebreke van een andersluidend tegenbericht Uwerzijds binnen een week na heden zal ik er van uit gaan dat (ook) U hebt besloten om de onderwerpelijke zaak niet verdere door te zetten. Ik zal dan de betreffende kwestie als afgedaan (en mijn bemoeienis daarin derhalve als beëindigd) beschouwen.

Vervolgens zal ik overgaan tot sluiting en archivering van het aangelegde dossier."

r. "De andere werknemer" heeft van "appellant" geen tegenbericht ontvangen.

s. Op 17 mei 2001 heeft tussen "de andere werknemer" en "de echtgenote van appellant" nog een telefoongesprek plaatsgevonden, waarvan de inhoud door "de andere werknemer" bij brief van die datum is bevestigd (prod. 4 cva). Daarin is bevestigd dat van verdere actie werd afgezien.

t. "Appellant" heeft vervolgens mr. Hellendoorn (zijn huidige advocaat) benaderd. Bij brief d.d. 20 november 2001 (prod. 6 inl. dagv.) heeft mr. Hellendoorn aan de verzekeraar medegedeeld dat "appellant" onverkort arbeidsongeschikt is en aanspraak maakt op nakoming van de verzekeringsovereenkomst.

u. Bij brief d.d. 10 december 2001 (prod. 7 inl. dagv.) heeft de verzekeraar aan mr. Hellendoorn bericht dat de uitkering destijds om twee redenen is beëindigd. De verzekeraar heeft zich er voorts op beroepen dat op grond van art. 3: 307 BW de vordering uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering is verjaard, aangezien er na de brief van 18 oktober 1995 inmiddels zes jaren zijn verstreken.

v. Op 15 april 2003 heeft op een verzoek van [persoon 4], arts, medisch adviseur van Advimed, d.d. 8 oktober 2002 een onderzoek van "appellant" plaatsgevonden door [persoon 5], psychiater. Deze heeft daarvan een rapport d.d. 28 mei 2003 opgemaakt. In het rapport is de naam van [persoon 5] overigens niet vermeld (prod. 5 inl. dagv).

w. "Appellant" heeft sedert 1995 aanvankelijk onderhoudswerkzaamheden verricht op arbeidstherapeutische basis in een motel in de buurt en is in de loop van 1996 via het GUO voor 6 uur per week aangenomen als klusjesman.

In de periode [datum 8] tot [datum 9] is "appellant" weer opgenomen geweest op de PAAZ-afdeling; hij heeft in januari/februari 2004 weer gewerkt en is in april 2004 met werken gestopt (cvr punt 46).

4.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 13 mei 2004 heeft "appellant" gevorderd:

a. een verklaring voor recht dat "de andere werknemer" toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens "appellant", althans onrechtmatig heeft gehandeld, door niet zorg te dragen voor tijdige stuiting van de verjaring van mogelijke aanspraken uit hoofde van diens arbeidsongeschiktheidsverzekering bij de verzekeraar, alsmede een verklaring voor recht dat [geïntimeerde], als werkgever van "de andere werknemer", aansprakelijk is voor deze beroepsfout;

b. veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van schadevergoeding die "appellant" dientengevolge lijdt en zal lijden, nader op te maken bij staat, alsmede tot betaling van de kosten van expertise door [persoon 5] ad € 1.460,-.

4.2.1. Ter comparitie van 4 januari 2005 heeft mr. Hellendoorn medegedeeld dat de factuur van [persoon 5] niet € 1.460,-, maar € 1.240,- bedraagt.

4.3. Bij vonnis van 29 juni 2005 heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen.

4.4. De rechtbank is - veronderstellenderwijs - ervan uitgegaan dat "de andere werknemer" een beroepsfout heeft gemaakt door niet tijdig - het hof begrijpt: niet vóór 18 oktober 2000 - zorg te dragen voor stuiting van de verjaring.

De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de mogelijkheid dat "appellant" als gevolg van deze beroepsfout schade heeft geleden, niet voldoende aannemelijk is en dat de vorderingen van "appellant" daarop moeten stranden (rov. 5.6.).

4.5. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

a. De verzekeraar heeft bij brief van 18 oktober 1995 de arbeidsongeschiktheidsverzekering van "appellant" terecht op grond van art. 23 sub c'van de polisvoorwaarden per [datum 7] beëindigd nu "appellant" zijn bedrijf op [datum 7] heeft verkocht. Oorzaak van de bedrijfsbeëindiging door "appellant" was immers niet diens arbeidsongeschiktheid, maar de financiële problemen waarmee het bedrijf kampte en die in oktober 1994 de bank reden gaven aan te dringen op verkoop van het bedrijf.

b. In art. 11 van de verzekeringsvoorwaarden is - kort gezegd en voorzover hier van belang - bepaald dat, wanneer de verzekerde een recht op een ingegane uitkering heeft krachtens rubriek B, dit recht op uitkering behouden blijft indien de verzekering door de verzekeraar wordt beëindigd overeenkomstig art. 23 van de verzekeringsvoorwaarden. Rubriek B voorziet in uitkeringen indien en zodra de verzekerde recht kan doen gelden op een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de AAW (het zgn. na-eerstejaarsrisico: art. 8 en 9 verzekeringsvoorwaarden).

c. "Appellant" had echter geen recht op een ingegane uitkering krachtens rubriek B op de datum waarop de verzekeraar de verzekeringsovereenkomst heeft doen eindigen ([datum 7]). "appellant" had toen een recht op een ingegane uitkering krachtens rubriek A. Rubriek A voorziet in uitkeringen gedurende het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid (het zgn. eerstejaarsrisico: art. 5 en 6 verzekeringsvoorwaarden). Ten aanzien daarvan geldt niet een bepaling die inhoudt dat die uitkering wordt voortgezet ingeval van beëindiging van de verzekering door de verzekeraar. Per [datum 7] verviel daarom die uitkering voor "appellant".

d. De conclusie is dat de kans dat "appellant" - indien de verjaring zou zijn gestuit - aanspraak op een uitkering zou hebben kunnen doen gelden op grond van de arbeidsongeschiktheidsverzekering als niet reëel moet worden beschouwd.

4.6. Het hof zal er - evenals de rechtbank - voorshands veronderstellenderwijs vanuit gaan dat "de andere werknemer" een beroepsfout heeft gemaakt door de verjaring niet te stuiten vóór 18 oktober 2000. Nagegaan dient dan te worden of, indien stuiting had plaats gevonden, er een voldoende kans van slagen had bestaan dat "appellant" alsnog met succes een uitkering had kunnen ontvangen van de verzekeraar.

4.7. "Appellant" betoogt onder grief I in hoger beroep dat het feit dat hij is opgehouden een beroep uit te oefenen een gevolg is van zijn arbeidsongeschiktheid, zodat de verzekeraar niet het recht had de verzekering te beeindigen met ingang van [datum 7].

4.7.1. Het hof oordeelt als volgt. De rechtbank is terecht op de door haar genoemde gronden tot de conclusie gekomen dat de verkoop van het bedrijf van "appellant" niet een gevolg is geweest van de arbeidsongeschiktheid van "appellant", maar van het feit dat het bedrijf financieel niet langer in stand kon worden gehouden. In het kader van het onderhavige geding moet worden aangenomen dat, ook indien arbeidsongeschiktheid van "appellant" in het geheel niet aan de orde zou zijn geweest, verkoop van het bedrijf had plaatsgevonden, nu die verkoop onvermijdelijk was. "Appellant" heeft in hoger beroep geen steekhoudende argumenten aangevoerd die tot een andere conclusie kunnen leiden.

4.8. "Appellant" betoogt voorts dat de verzekeraar de verzekering niet terecht op grond van art. 23 sub c verzekeringsvoorwaarden heeft beëindigd, omdat - aldus "appellant" - het feit dat hij zijn bedrijf heeft verkocht nog niet impliceert dat hij is opgehouden een beroep uit te oefenen.

4.8.1. Het hof oordeelt als volgt. Op het polisblad is als beroep van "appellant" vermeld landbouwer/veehouder (een varkenshouderij met akkerbouw). Door zijn bedrijf te verkopen heeft als uitgangspunt te gelden dat "appellant" daarmee heeft opgehouden zijn beroep als zelfstandig veehouder/landbouwer uit te oefenen. Weliswaar brengt dat nog niet zonder meer mee dat "appellant" daarmee geheel heeft opgehouden een beroep uit te oefenen, doch met de uitoefening van zijn beroep als landbouwer/veehouder als bedoeld in de polis is hij in ieder geval op [datum 7] opgehouden. Ook dan is de verzekeraar op grond van art. 23 sub c verzekeringsvoorwaarden bevoegd de verzekeringsovereenkomst te beëindigen, omdat er in ieder geval sprake is van het gedeeltelijk ophouden een beroep uit te oefenen. "Appellant" heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie wettigen dat hij - ondanks de verkoop van zijn bedrijf - onverkort een zelfstandig beroep is blijven uitoefenen, waarin hij het risico bleef lopen inkomen te derven tengevolge van zijn arbeidsongeschiktheid als bedoeld in art. 3 van de verzekeringsvoorwaarden. "Appellant" heeft weliswaar aangevoerd dat hij, indien hij niet arbeidsongeschikt zou zijn geweest, na verkoop van zijn bedrijf nog wel mogelijkheden had voor een beroepsuitoefening (mvg punt 24 - 26), maar feitelijk is door "appellant" geen zelfstandig beroep meer uitgeoefend waardoor een verzekerbaar belang zou zijn blijven bestaan. Nu een verzekerbaar belang ontbrak, moet in het kader van het onderhavig geding worden aangenomen dat de verzekeraar terecht heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid de verzekering te beëindigen.

Er zijn geen gronden om aan te nemen dat deze beëindiging door de verzekeraar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De stelling van "appellant" dat hij na verkoop van zijn bedrijf vanwege zijn arbeidsongeschiktheid feitelijk niet in staat was een ander beroep te gaan uitoefenen, zulks als gevolg van zijn arbeidsongeschiktheid, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.9. "Appellant" betoogt voorts dat hij als verzekerde niet behoefde te begrijpen dat beëindiging van de verzekering door de verzekeraar tijdens de periode dat rubriek A van toepassing was het verstrekkende gevolg zou hebben dat hij geen aanspraak meer kan maken op enige uitkering. Een dergelijk gevolg acht "appellant" ook maatschappelijk onaanvaardbaar. Bovendien heeft de verzekeraar niet een te respecteren belang volgens "appellant" bij de beeindiging.

4.9.1. Het hof is van oordeel dat de verzekeringsovereenkomst een duidelijk onderscheid maakt tussen de dekking onder rubriek A en de dekking onder rubriek B (dat het risico ná een jaar arbeidsongeschiktheid dekt, waaronder "appellant" niet valt), een onderscheid dat ook voor "appellant" begrijpelijk is. Uitgangspunt voor de dekking onder rubriek A is dat de verzekerde voor tenminste 25% ongeschikt is tot het verrichten van de werkzaamheden verbonden aan "zijn op het polisblad vermelde beroep, zoals dat voor deze beroepsbezigheden in de regel en redelijkerwijs van hem kan worden verlangd" (art. 5 verzekeringsvoorwaarden). Nu "appellant" per [datum 7] heeft opgehouden het beroep als veehouder/landbouwer uit te oefenen ten gevolge van de verkoop van zijn bedrijf en die verkoop niet een gevolg is van de arbeidsongeschiktheid van "appellant", is het risico dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering onder rubriek A beoogde te dekken per [datum 7] geëindigd en daarmee ook het recht op de uitkering. Immers onder rubriek A was arbeidsongeschiktheid verzekerd voor werkzaamheden verbonden aan het beroep van de verzekerde en vanaf het moment dat de verzekerde dat beroep opgeeft anders dan tengevolge van arbeidsongeschiktheid, eindigt de dekking. Zulks is in overeenstemming met het in art. 3 verzekeringsvoorwaarden omschreven doel van de verzekering. Wanneer immers de verzekerde geen inkomen meer kan derven omdat hij zijn bedrijfsuitoefening heeft gestaakt op grond van omstandigheden die met zijn arbeidsongeschiktheid niets van doen hebben, kan er ook geen sprake meer zijn van derving van inkomen daaruit tengevolge van zijn arbeidsongeschiktheid.

De dekking onder rubriek B daarentegen heeft geen betrekking op arbeidsongeschiktheid voor werkzaamheden verbonden aan het beroep van verzekerde, maar op een arbeidsongeschiktheid in ruimere zin.

4.10. Het hof overweegt bovendien het volgende.

De verzekeraar heeft zich bij brief van 18 oktober 1995 niet alleen beroepen op beëindiging van de verzekering, maar ook op het feit dat de psychiater [psychiater] op 23 augustus 1995 bij "appellant" "geen medisch vaststelbare beperkingen tengevolge van ongeval en/of ziekte" heeft vastgesteld waardoor er geen sprake meer was van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis. Hiertegenover heeft "appellant" niet aannemelijk gemaakt dat er een voldoende kans zou hebben bestaan dat achteraf alsnog zou zijn vastgesteld dat in augustus 1995 bij "appellant" wel sprake is geweest van arbeidsongeschiktheid in de zin van de polis, dat wil zeggen arbeidsongeschikt rechtstreeks en uitsluitend door medisch vast te stellen gevolgen van "ziekte" op grond waarvan "appellant", indien de verjaring tijdig zou zijn gestuit, ook na 26 augustus 1995 aanspraak op uitkeringen jegens de verzekeraar zou hebben kunnen geldend maken.

4.10.1. Uit de rapportage van prof. [persoon 5] valt zulks niet af te leiden. Het onderzoek van "appellant" door [persoon 5] vond plaats in april 2003, bijna 8 jaar later dan het onderzoek van [psychiater]. [persoon 5] bevestigt dat [psychiater] een zorgvuldig en gedetailleerd onderzoek heeft verricht, maar constateert tevens dat de bevindingen van [psychiater] niet overeenkomen met die van de behandelend psychiater voorafgaand en ook na het onderzoek van [psychiater]. [psychiater] was echter wel op de hoogte van de bevindingen van de behandelend artsen (zie de weergave van de inhoud van brieven van diverse collega's waarnaar [psychiater] in zijn rapport op pagina 2 en 3 verwijst). [persoon 5] deelt mee dat zijn huidige bevindingen veel meer overeenkomen met die van de behandelend psychiater en dat, wat de beschrijving van het dagelijks functioneren van "appellant" betreft, die huidige bevindingen veel ongunstiger zijn dan de toenmalige bevindingen van [psychiater]. Toch is in de eindconclusie van het rapport van prof. [persoon 5] niet te lezen dat "ziekte" de oorzaak is van de beperkte mogelijkheden voor "appellant" tot het verrichten van werkzaamheden.

In zijn slotconclusie (punt 7) deelt [persoon 5] het volgende mee (onderstreping door het hof):

" (....), als we onderzochtes dagelijkse activiteiten als maatstaf nemen, moet hij in staat geacht worden tot het verrichten van eenvoudige loonvormende werkzaamheden. Immers hij vult zijn dagen met klusjes zonder dat hij daar fysiek of mentaal door wordt gehandicapt. Dat onderzochte niettemin als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd, vloeit echter niet voort uit een manco op het niveau van fysieke en mentale vaardigheden op zijn niveau. Ik ben van mening dat het terugdraaien van het destijds genomen besluit tot arbeidsongeschiktheid - zeker nu inmiddels zoveel jaren zijn verstreken - door betrokkene zal worden opgevat als het zoveelste bewijs dat hij niet serieus wordt genomen."

Ook [persoon 5] concludeert dus niet dat de door hem geconstateerde ongeschiktheid van "appellant" tot het verrichten van werkzaamheden het rechtstreeks en uitsluitend gevolg is van "van ongeval en/of ziekte" van "appellant" als bedoeld in artikel 3 van de polisvoorwaarden.

4.11. Uit het bovenstaande vloeit voort dat grief I faalt. Daaruit vloeit voort dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat "appellant" de mogelijkheid van schade als gevolg van de beroepsfout van "de andere werknemer" niet aannemelijk heeft gemaakt. Grief II faalt dus ook. Grief III behoeft geen behandeling nu deze zich richt tegen een overweging ten overvloede.

Nu de grieven I en II, faalt ook grief IV. Grief IV zelf bevat immers geen concrete bezwaren tegen het vonnis.

4.12. Als de ook in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij dient "appellant" te worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis d.d. 29 juni 2005, waarvan beroep;

veroordeelt "appellant" in de kosten van dit hoger beroep, welke kosten, voorzover aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, worden begroot op € 291,- wegens griffierecht en op € 1.341,- wegens salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Groot-Van Dijken en Hofkes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 3 juli 2007.