Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1676

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-07-2007
Datum publicatie
15-08-2007
Zaaknummer
C0600528
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht aannemelijk dat [persoon 1] als gevolg van de vorenstaande feiten commissiegelden is misgelopen. Hij heeft echter niet aangegeven hoeveel commissiegelden of eventuele andere inkomsten hij daardoor is misgelopen. Ook heeft hij geen feiten genoemd waaruit de omvang van de gederfde commissiegelden of eventuele andere inkomsten kan worden afgeleid. Onder deze omstandigheden kan de extra vermogensschade slechts ex aequo et bono worden begroot. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de extra vermogensschade dient te worden begroot op de gemiddelde commissie gedurende drie maanden. [...]

Met zijn laatste grief maakt [persoon 1] met ingang van [datum 2] aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over de schadevergoeding. Het hof overweegt hierover het volgende. Ingevolge art. 6:119 BW is Bron wettelijke rente verschuldigd over de tijd dat zij met de voldoening van de schadevergoeding in verzuim is. Nu het gaat om een verplichting tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en wanprestatie, treedt het verzuim ingevolge art. 6:83 aanhef en sub b BW zonder ingebrekestelling in. De wettelijke rente loopt vanaf het moment waarop de schade geacht moet worden te zijn geleden. [persoon 1] heeft niet aangegeven op welke data de rechtstreekse verkoop van parketvloeren door Bron plaatsvond, maar dat was in elk geval gedurende de looptijd van de distributieovereenkomst. Het onrechtmatige faxbericht van Bron waarmee de samenwerking de facto werd beëindigd, dateert van 6 januari 2001. Het hof gaat ervan uit dat de vordering tot schadevergoeding op die datum opeisbaar is geworden. Het hof is dan ook van oordeel dat de wettelijke rente over de schadevergoeding van € 21.798,82 kan worden toegewezen vanaf 6 januari 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. MT

rolnr. C0600528/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vijfde kamer, van 10 juli 2007,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT] in zijn hoedanigheid als curator in het faillissement van [PERSOON 1],

kantoorhoudende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 16 januari 2003,

procureur: mr. N.J.W.M. de Leeuw,

tegen:

BRON BENELUX BV,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: gedesisteerd,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht gewezen vonnissen van 6 juni 2002 en 5 december 2002 tussen [persoon 1], hierna [persoon 1] - als eiser in reconventie en geïntimeerde - hierna te noemen Bron - als gedaagde in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 63829/HA ZA 01-177)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. [persoon 1] is bij exploot van dagvaarding van 16 januari 2003 in hoger beroep gekomen van voornoemde vonnissen (procedure bij het hof met rolnummer C03/0119).

Op 27 mei 2003 heeft hij een memorie van grieven genomen. Hij heeft daarin - onder overlegging van drie producties - vier grieven aangevoerd (I t/m III en een ongenummerde grief) en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing alsnog van de vorderingen in conventie en, na vermeerdering van eis, tot toewijzing van € 36.219,11 in reconventie.

2.2. Op 15 juli 2003 heeft Bron een vonnis d.d. 5 juni 2003 van de rechtbank Maastricht overgelegd, waarbij [persoon 1] failliet is verklaard. Dit vonnis bevindt zich in het griffiedossier. Het geding in conventie is ingevolge art. 29 Faillissementswet (Fw.) van rechtswege geschorst, aangezien de vordering voldoening van een verbintenis uit de boedel ten doel heeft. In reconventie is de zaak verwezen naar de rol teneinde Bron in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of hij de curator wenst op te roepen. Na oproeping door Bron heeft de curator het geding in reconventie overgenomen.

2.3. Bron heeft bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis in reconventie, maar heeft dit bezwaar blijkens een brief van 16 januari 2004 ingetrokken.

2.4. De behandeling van de zaak met rolnummer C03/119 is op 9 december 2004 opgeschort. Deze zaak is ter rolzitting van 14 maart 2006 ambtshalve geroyeerd.

2.5. Bij brief van 17 maart 2006 heeft de curator verzocht de zaak weer op de rol te plaatsen. De zaak is op 9 mei 2006 op de rol geplaatst onder het (nieuwe) rolnummer C06/528 en is, voor zover het de vordering in conventie betreft, op grond van art. 29 Fw. van rechtswege geschorst gebleven.

2.6. Het hof heeft ter rolzitting van 6 juni 2006 akte niet-dienen verleend voor de memorie van antwoord. De procureur van Bron heeft op diezelfde rolzitting meegedeeld dat hij desisteert.

2.7. De curator heeft de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de memorie van grieven, voor zover deze betrekking heeft op de vordering van [persoon 1] in reconventie.

4. De beoordeling

4.1. Er is geen grief gericht tegen het tussenvonnis van 6 juni 2002. Het hoger beroep tegen dat vonnis dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a) Bron exploiteert of exploiteerde een parketfabriek in [plaats]. [persoon 1] verkoopt of verkocht parket aan afnemers in de detailhandel.

b) Vanaf [datum 1] hebben partijen samengewerkt ten behoeve van het op de Nederlandse markt brengen van het door Bron geproduceerde parket. [persoon 1] kocht parketvloeren van Bron, verkocht deze aan derden en ontving daarvoor een commissie van Bron.

c) Bron heeft [persoon 1] facturen gezonden voor parketvloeren en monsterborden. Deze facturen zijn gedeeltelijk onbetaald gelaten.

d) [persoon 1] heeft Bron facturen gezonden voor leveringen en commissiegelden. Deze facturen zijn gedeeltelijk onbetaald gelaten.

e) Bron heeft op 6 januari 2001 een fax aan alle relaties van [persoon 1] gestuurd, waarin staat dat [persoon 1] met ingang van [datum 2] zijn activiteiten voor Bron heeft beëindigd (datum faxbericht vermeld in rov. 15 eindvonnis).

4.3. In eerste aanleg heeft [persoon 1] in conventie onder meer veroordeling van Bron tot betaling van fl. 96.076,56 (€ 43.597,64) gevorderd. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat Bron toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de distributieovereenkomst dan wel onrechtmatig tegen [persoon 1] heeft gehandeld. Hij heeft hierdoor schade geleden ter grootte van het eerder genoemde bedrag.

4.4. Bij tussenvonnis van 6 juni 2002 heeft de rechtbank de overeenkomst tussen partijen aangemerkt als een distributieovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Bij eindvonnis van 5 december 2002 heeft de rechtbank onder meer geoordeeld dat Bron toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van deze overeenkomst door de overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen. De rechtbank heeft de schade die [persoon 1] hierdoor heeft geleden begroot op de gemiddelde commissie gedurende drie maanden. Dat is een bedrag van fl. 24.019,14 (€ 10.899,41). Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat Bron toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de distributieovereenkomst door haar rechtstreekse verkopen aan de dealers uit het netwerk van [persoon 1] en door haar faxbericht van 6 januari 2001 waarbij zij de dealers meedeelde dat [persoon 1] zijn activiteiten heeft gestaakt. De rechtbank is ervan uitgegaan dat de schade van [persoon 1] hierdoor is vergroot en heeft een extra vergoeding toegekend ter grootte van de gemiddelde commissie gedurende drie maanden. De totale toegewezen schadevergoeding bedraagt derhalve fl. 48.038,28 (€ 21.798,82).

4.5. Grief I heeft betrekking op de vordering in conventie en blijft daarom buiten beschouwing.

4.6. Grief II heeft betrekking op een door [persoon 1] gestelde onverschuldigde betaling, groot fl. 12.296,38, in verband met een factuur nummer 1285. In dit verband moet worden opgemerkt dat de vordering in conventie bestaat uit het saldo van een groot aantal facturen en betalingen. Aldus maakt ook deze factuur (naar ook blijkt uit het Historisch overzicht) deel uit van de vordering in conventie, reden waarom deze buiten beschouwing behoort te blijven. [persoon 1] heeft nog erop gewezen dat niet het volle bedrag ad fl. 12.296,38 in mindering behoort te worden gebracht, maar een lager bedrag groot fl. 7.758,99, zulks in verband met een onjuiste factuur 4501 groot fl. 4.537,39. Dit brengt geen verandering in de conclusie dat deze kwestie inhoudelijk het geschil in conventie betreft.

4.7. Dat [persoon 1] het bedrag van fl. 7.758,99 ook in reconventie vordert, leidt er in de gegeven omstandigheden niet toe dat thans inhoudelijk over deze post zou kunnen worden geoordeeld; daartoe dient gelet op de samenhang met de vordering in conventie de beslissing in conventie te worden afgewacht.

4.8. Met grief III bestrijdt [persoon 1] de hoogte van de toegekende schadevergoeding. Gelet op de buitengewoon bruuske wijze waarop Bron tot eenzijdige beëindiging van de overeenkomst is overgegaan vindt hij een extra vergoeding van drie maanden te weinig. Hierbij merkt hij op dat de schadevergoeding ook dient als herstel van het aangedane leed. Hij meent recht te hebben op een extra vergoeding van zes maanden.

4.9. Het hof overweegt als volgt.

4.9.1. Het gaat bij deze grief niet om de schade die [persoon 1] heeft geleden als gevolg van het feit dat Bron geen redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen. Die schade is afzonderlijk begroot. Het gaat om de extra schade die [persoon 1] heeft geleden als gevolg van

- het feit dat Bron gedurende de looptijd van de distributieovereenkomst rechtstreeks parketvloeren aan dealers uit het netwerk van [persoon 1] heeft verkocht en

- het feit dat [persoon 1] bij fax van 6 januari 2001 aan de dealers meedeelde dat [persoon 1] zijn activiteiten heeft gestaakt, waardoor de dealers ervan uitgingen dat hij met zijn bedrijf was gestopt.

4.9.2. Het hof acht aannemelijk dat [persoon 1] als gevolg van de vorenstaande feiten commissiegelden is misgelopen. Hij heeft echter niet aangegeven hoeveel commissiegelden of eventuele andere inkomsten hij daardoor is misgelopen. Ook heeft hij geen feiten genoemd waaruit de omvang van de gederfde commissiegelden of eventuele andere inkomsten kan worden afgeleid. Onder deze omstandigheden kan de extra vermogensschade slechts ex aequo et bono worden begroot. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de extra vermogensschade dient te worden begroot op de gemiddelde commissie gedurende drie maanden.

4.9.3. [persoon 1] heeft geen feiten of omstandigheden aan zijn vordering ten grondslag gelegd die tot de conclusie kunnen leiden dat hij ingevolge art. 6:106 lid 1 BW of enige andere wettelijke bepaling recht heeft op vergoeding van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. Ook overigens zijn door [persoon 1] geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een hogere schadevergoeding leiden, zodat zijn het in algemene termen gestelde bewijsaanbod van [persoon 1] als niet relevant gepasseerd wordt. Uit het voorgaande vloeit voort dat grief III faalt.

4.10. Met zijn laatste grief maakt [persoon 1] met ingang van [datum 2] aanspraak op vergoeding van de wettelijke rente over de schadevergoeding. Het hof overweegt hierover het volgende. Ingevolge art. 6:119 BW is Bron wettelijke rente verschuldigd over de tijd dat zij met de voldoening van de schadevergoeding in verzuim is. Nu het gaat om een verplichting tot schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad en wanprestatie, treedt het verzuim ingevolge art. 6:83 aanhef en sub b BW zonder ingebrekestelling in. De wettelijke rente loopt vanaf het moment waarop de schade geacht moet worden te zijn geleden. [persoon 1] heeft niet aangegeven op welke data de rechtstreekse verkoop van parketvloeren door Bron plaatsvond, maar dat was in elk geval gedurende de looptijd van de distributieovereenkomst. Het onrechtmatige faxbericht van Bron waarmee de samenwerking de facto werd beëindigd, dateert van 6 januari 2001. Het hof gaat ervan uit dat de vordering tot schadevergoeding op die datum opeisbaar is geworden. Het hof is dan ook van oordeel dat de wettelijke rente over de schadevergoeding van € 21.798,82 kan worden toegewezen vanaf 6 januari 2001.

4.11. Het hof overweegt voorts dat [persoon 1] ook vergoeding van de wettelijke rente vanaf [datum 2] vordert over het in eerste aanleg toegewezen bedrag van fl. 7.758,99. Hij heeft echter niet aangegeven op welke grond Bron vanaf [datum 2] wettelijke rente verschuldigd zou zijn over dit bedrag. Dit onderdeel van zijn vordering dient derhalve als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen.

4.12. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank Bron in reconventie terecht heeft veroordeeld tot betaling van € 27.924,11, maar dat dit bedrag - voor zover het de schadevergoeding betreft - moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 januari 2001. Het hof zal de Vordering in reconventie in zoverre toewijzen. Aangezien het hof nog geen beslissing kan nemen over de vordering met betrekking tot factuur 1285 en over de proceskostenveroordeling, wordt iedere verdere beslissing in reconventie aangehouden. In conventie is de procedure, zoals gezegd, geschorst.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart appellant niet ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis van 6 juni 2002;

bekrachtigt het eindvonnis van 5 december 2002 in reconventie voor zover geïntimeerde daarbij is veroordeeld tot betaling van € 27.924,11 en vernietigt het vonnis in reconventie voor zover dit bedrag niet is vermeerderd met de wettelijke rente over € 21.798,82 vanaf 6 januari 2001 tot aan de dag der algehele voldoening en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt geïntimeerde tot betaling aan appellant van de wettelijke rente over het bedrag van € 21.798,82 vanaf 6 januari 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 8 januari 2008 voor voortzetting van de procedure;

houdt iedere verdere beslissing op het hoger beroep tegen het eindvonnis van 5 december 2002 in reconventie aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Hutten en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 10 juli 2007.