Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1543

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-07-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
R200700490
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof neemt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van niet te goeder trouw ontstane schulden de volgende omstandigheden in aanmerking. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat niet geoordeeld kan worden dat een schuld niet te goeder trouw is ontstaan wanneer een met het oog daarop ontvangen subsidie niet ter besteding daarvan is aangewend.

Vaststaat dat de door [X.] en [Y.] ontvangen zorgtoeslag (€ 34,- per maand) slechts een fractie vormde van de door hen verschuldigde zorgverzekeringspremie (€ 236,- per maand), zodat hooguit geoordeeld zou kunnen worden dat de schulden aan VGZ niet te goeder trouw zijn ontstaan voor zover deze hadden kunnen worden voldaan uit de zorgtoeslag. Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RD

9 juli 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200700490

Zaaknummers eerste aanleg 154763/ FT RK 07.267 en 154764/ FT RK 07.268

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

in de zaak in hoger beroep van:

[X.] en [Y.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna te noemen: [X. en Y.],

procureur: mr. M.C. van der Meij.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de vonnissen van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 mei 2007, waarvan de inhoud bij [X. en Y.] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 11 mei 2007, hebben [X. en Y.] verzocht voormelde vonnissen te vernietigen en – zo begrijpt het hof – hen alsnog toe te laten tot de schuldsaneringsregeling.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 juni 2007. Bij die gelegenheid zijn [X. en Y.] gehoord, bijgestaan door hun procureur.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 23 april 2007;

- het faxbericht van de procureur van [X. en Y.] d.d. 25 juni 2007, met als bijlage een brief van drs. W.M. Hurkens, pastoraal werker;

- de door de procureur ter zitting overgelegde brieven d.d. 16 april 2007 van de Inkasso-unie m.b.t. de schulden aan VGZ.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [X. en Y.] hebben de rechtbank verzocht om ten aanzien van ieder van hen de toepassing van de schuldsanerings- regeling uit te spreken. De totale schuldenlast bedraagt blijkens de verklaringen ex artikel 285 Faillissementswet (hierna: Fw) d.d. 8 februari 2007 € 18.850,13, waaronder een schuld aan Fortis ASR ter hoogte van € 13.779,51. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat niet alle schuldeisers akkoord waren.

Bij de vonnissen waarvan beroep zijn de verzoeken van [X. en Y.] afgewezen.

4.2.1. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 2 sub b Fw overwogen, dat aannemelijk is dat [X. en Y.] ten aanzien van het onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw zijn geweest.

4.2.2. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

[X. en Y.] hebben meerdere schulden doen of laten ontstaan waaronder een tweetal schulden bij VGZ van in totaal ongeveer € 2.400,- . Deze schulden zijn ontstaan doordat [X. en Y.] gedurende ongeveer een jaar geen ziekenfondspremie hebben betaald. Al die tijd hebben zij wel zorgtoeslag ontvangen. Deze hebben zij echter niet doorbetaald aan de zorgverzekeraar, waardoor de premie onbetaald is gebleven. [X. en Y.] zijn ten aanzien van het onbetaald laten van deze schulden dan ook niet te goeder trouw, aldus de rechtbank.

4.3. [X. en Y.] kunnen zich met voornoemde beslissingen niet verenigen en komen hiervan in hoger beroep.

4.3.1. [X. en Y.] hebben in het beroepschrift aangevoerd dat zij ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden te goeder trouw zijn geweest. Hiertoe voeren zij aan dat de rechter bij de afweging of al dan niet sprake is van goede trouw met alle omstandigheden rekening kan houden.

De totale schuld bedraagt circa € 19.000,- en ziet grotendeels op verstrekte kredietfaciliteiten. Reden voor het in die omvang gebruikmaken van die faciliteiten is geweest dat [X. en Y.] sinds 2003 drie kleine kinderen hebben verloren en daardoor de afgelopen jaren hoge kosten hebben moeten maken om te kunnen voorzien in de begrafenissen (in Marokko) van hun kinderen. Daarnaast kampen [X. en Y.], ten gevolge van deze sterfgevallen, met zodanige psychische problematiek, dat zij een inkomensterugval hebben gehad.

[X. en Y.] betwisten voorts de hoogte van de vorderingen van het VGZ, mede doordat de no-claim van circa € 400,- niet aan hen is uitgekeerd, noch met de gestelde vorderingen is verrekend. De vorderingen van VGZ maken daarnaast slechts voor 11 % deel uit van de totale schuldenlast. Zelfs indien de schulden zouden worden aangemerkt als niet te goeder trouw ontstaan, dan staan zij derhalve niet in de weg aan toelating tot de schuldsaneringsregeling, aldus [X. en Y.].

Tot slot stellen [X. en Y.]i dat zij geruime tijd geleden een verzoek om huurtoeslag hebben ingediend en nog immer wachten op een beslissing van de belastingdienst. Tevens bestaat de kans dat de afgelopen twee jaar te weinig zorgtoeslag is toegekend. Zo ontvangen [X. en Y.] sinds april 2007 aan zorgtoeslag € 68,- in plaats van € 34,- per maand. Indien alsnog met terugwerken¬de kracht huur- en zorgtoeslag wordt toegekend, zal dat in mindering kunnen strekken op de totale schuldenlast.

4.4. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.4.1. Artikel 288 lid 2, aanhef en onder b Fw betreft een facultatieve grond voor afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij deze facultatieve afwijzingsgrond - waarmee mede wordt beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan - gaat het om een gedragsmaatstaf, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

4.4.2. Het hof neemt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van niet te goeder trouw ontstane schulden de volgende omstandigheden in aanmerking. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat niet geoordeeld kan worden dat een schuld niet te goeder trouw is ontstaan wanneer een met het oog daarop ontvangen subsidie niet ter besteding daarvan is aangewend.

Vaststaat dat de door [X. en Y.] ontvangen zorgtoeslag (€ 34,- per maand) slechts een fractie vormde van de door hen verschuldigde zorgverze¬keringspremie (€ 236,- per maand), zodat hooguit geoordeeld zou kunnen worden dat de schulden aan VGZ niet te goeder trouw zijn ontstaan voor zover deze hadden kunnen worden voldaan uit de zorgtoeslag. Het hof is van oordeel dat hiervan geen sprake is en overweegt daartoe het volgende.

4.4.3. De lening bij Fortis ASR is door [X. en Y.] naar hun zeggen aangegaan in een periode dat zij nog over voldoende inkomsten beschikten om deze lening binnen afzienbare termijn af te kunnen lossen. Door tragische gezinsomstandigheden zijn [X. en Y.] arbeidsongeschikt geraakt en hebben zij een inkomensterugval gehad. Dat [X. en Y.] er vervolgens voor gekozen hebben de aan hen uitbetaalde zorgtoeslag niet aan te wenden ten behoeve van de betaling van hun ziektekostenpremie, is naar het oordeel van het hof weliswaar onverstandig, gelet op de risico’s van het onverzekerd zijn, maar onvoldoende om te kunnen concluderen dat de schuld aan VGZ in zoverre, laat staan in haar geheel, niet te goeder trouw is ontstaan.

4.4.4. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is dat [X. en Y.] ten aanzien van het onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw zijn geweest.

4.4.5. De vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 8 Fw.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt de vonnissen waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van [X.] en [Y.] beiden wonende aan de [adres], [postcode] [woonplaats];

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank

‘s-Hertogenbosch kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. Everaars-Katerberg, Gründemann en De Klerk-Leenen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 9 juli 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.