Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1531

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2007
Datum publicatie
10-08-2007
Zaaknummer
R200601181
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schulden niet te goeder trouw ontstaan, artikel 288 lid 2 sub b FW

Niet verschaffen van duidelijkheid omtrent ontstaan en onbetaald laten van schulden

Het hof is met de saniet van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het niet verschaffen van de gewenste duidelijkheid omtrent het ontstaan en onbetaald laten van schulden voor rekening en risico van de saniet heeft gebracht en daaruit de conclusie heeft getrokken dat de saniet te dien aanzien niet te goeder trouw is geweest. Recent heeft de Hoge Raad - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 17 december 2004 (NJ 2005/240) - geoordeeld dat in een dergelijke situatie de afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2 sub b Fw niet aldus kan worden uitgelegd dat daaronder mede begrepen is het geval dat niet kan worden beoordeeld of schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schulden niet ter goeder trouw is geweest (NJ 2007/ 206). In zoverre slaagt de grief van de saniet.

Gegronde vrees dat de saniet de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen, artikel 288 lid 1 sub b FW

Inlichtingenplicht, hoor en wederhoor

Aan de saniet kan worden toegegeven dat door het late verzoek van de bewindvoerder om nadere informatie het beginsel van hoor en wederhoor in het gedrang is gekomen, maar daaraan doet niet af dat het op de weg van de saniet had gelegen om uit eigen beweging alle informatie omtrent zijn financiën aan de bewindvoerder te verstrekken.

Maatschappelijke positie

De door de saniet aangevoerde grief dat hij zou moeten worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, zeker gezien de vergaande maatschappelijke consequenties van het niet toelaten van hem als medicus, en omdat het voor hem onmogelijk zou zijn om vanuit een faillissementssituatie maatschappelijk te functioneren, kan niet slagen. Immers de criteria voor toelating tot de schuldsaneringsregeling gelden voor iedere natuurlijke persoon, ongeacht zijn maatschappelijke positie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MB

21 mei 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200601181

Zaaknummer eerste aanleg 111923 FT-RK 06.455

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Arrest

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna: [X.]

procureur: mr. J.E. Lenglet.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Maastricht, van 5 oktober 2006, waarvan de inhoud bij [X.] bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 13 oktober 2006, heeft [X.] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en alsnog op hem de schuldsanerings-regeling van toepassing te verklaren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 mei 2007.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [X.], bijgestaan door mr. B.M. Sadza en mr. C.C.B. Breij;

- de bewindvoerder, mr. G.D. Jongen.

Mr. R.F.T.P. Smeets FB, in zijn hoedanigheid van belastingadviseur, en J.M.W. Dohmen, direkteur van Hair Science Institute B.V., de huidige werkgeefster van [X.], hebben de mondelinge behandeling bijgewoond.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de behandeling in eerste aanleg d.d. 4 oktober 2006;

- de brieven met bijlagen van de bewindvoerder, d.dis 26 oktober 2006 en 5 april 2007;

- de brief met bijlage van de advocaat van [X.] d.d. 23 april 2007.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. [X.] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsanerings-regeling uit te spreken. De totale schulden- last bedraagt blijkens de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) d.d. 15 juni 2006 € 625.463,83, waaronder een schuld van € 340.378,13 aan de ABN AMRO Bank, een schuld van € 83.928,00 aan [Y,] en een schuld van € 54.000,00 aan Wave International B.V.. [X.] heeft getracht middels een buitengerechtelijk akkoord de crediteuren af te kopen, dit is echter niet gelukt.

Bij vonnis van 2 augustus 2006 is ten aanzien van [X.] de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [X.] alsnog afgewezen.

4.2.1. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 sub b en lid 2 sub b (Fw) overwogen, dat er gegronde vrees bestaat dat [X.] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen en dat [X.] niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden.

4.2.2. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. Tegen de achtergrond en strekking van de schuldsaneringsregeling moet worden aangenomen dat, naast de uit de wet voortvloeiende verplichtingen, ook een algemene verplichting bestaat tot het verschaffen van inlichtingen aan de bewindvoerder waarvan een schuldenaar weet of behoort te weten dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling. Het is daarnaast in het kader van de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling aan verzoeker om alle benodigde informatie te verschaffen teneinde de bewindvoerder in staat te stellen om te beoordelen of hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden.

De schuldenlast bedraagt volgens opgave van [X.] € 625.463,83. De rechtbank heeft geconcludeerd uit de verslagen van de bewindvoerder en hetgeen ter zittingen in eerste aanleg naar voren is gekomen dat de bewindvoerder geen inzicht heeft in de financiële transacties van [X.] waardoor niet beoordeeld kan worden of verzoeker ten aanzien van de enorme schuldenlast wel of niet te goeder trouw gehandeld heeft. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verschaffen van de gewenste duidelijkheid voor rekening en risico komt van [X.]. De rechtbank heeft daaruit geconcludeerd dat [X.] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest.

4.3.1. [X.] heeft in het beroepschrift het volgende aangevoerd.

4.3.2. [X.] was bestuurder van [Z.] Holding B.V., [A.] Pharma B.V. alsmede [B.] Clinic B.V.. Met zijn personal holding Super [D.] B.V. was [X.] tevens aandeelhouder in [Z.] Holding B.V.. Het faillissement van [Z.] Holding B.V., [A.] Pharma B.V. en [B.] Clinic B.V. werd op 15 december 2004 uitgesproken.

4.3.3. [X.] stelt dat de bewindvoerder zich tijdens de voorlopige toepassing van de schuldsaneringsregeling extreem kritisch heeft opgesteld en het haar streven was om [X.] juist niet toe te laten tot de WSNP en dit in elk geval te dwarsbomen.

Aangezien de activiteiten van [X.] waren ondergebracht in een aantal vennoot-schappen met bijkomende rekening-courant verhoudingen, kruislingse financieringen en bancaire kredieten, is het volgens [X.] voor de hand liggend dat hij als medicus niet in elk opzicht weet hoe de financiële geldstromen verliepen.

Volgens [X.] is hij, vanaf het begin, steeds bereid geweest de bewindvoerder alle informatie te verstrekken. Hiertoe voert hij in zijn beroepschrift aan dat hij de bewindvoerder tijdig een groot aantal documenten heeft verschaft.

Desondanks heeft de bewindvoerder een negatief advies neergelegd bij de rechtbank betreffende de toelating van [X.] tot de schuldsaneringsregeling.

[X.] werd door de bewindvoerder niet in de gelegenheid gesteld te antwoorden op haar kritische vragen. Zij besprak deze nooit op voorhand met [X.].

De bewindvoerder zond [X.] op het allerlaatste moment zowel voor de zitting van 20 september 2006 als voor de zitting van 4 oktober 2006 een kopie van haar rapport van 19 september 2006 respectievelijk 3 oktober 2006, waarin zij de rechtbank adviseerde de schuldsaneringsregeling niet definitief van toepassing te verklaren. [X.] kon hierdoor - zeker ter zitting van 4 oktober 2006 - niet adequaat reageren op de in deze rapporten opgeworpen vragen en conclusies.

[X.] meent dat deze gang van zaken in strijd is met een redelijke toepassing van de WSNP en een zorgvuldige uitvoering van de opdracht als bewindvoerder.

4.3.4. [X.] stelt wel te hebben voldaan aan de verplichting tot het verschaffen van inlichtingen aan de bewindvoerder waarvan een schuldenaar weet of behoort te weten dat zij van belang zijn voor een doeltreffende uitvoering van de schuld- saneringsregeling. Hiertoe voert hij aan op 23 augustus 2006, 27 september 2006, 29 september 2006 en 2 oktober 2006 verschillende grote aantallen financiële documenten aan de bewindvoerder te hebben overgelegd.

De rechtbank heeft volgens [X.] derhalve ten onrechte overwogen dat de bewindvoerder nog steeds geen inzicht heeft in de financiële transacties van [X.] waardoor niet beoordeeld kan worden of verzoeker ten aanzien van de enorme schuldenlast wel of niet te goeder trouw gehandeld heeft.

[X.] voert tevens aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verschaffen van de gewenste duidelijkheid voor rekening en risico komt van [X.]. Immers de bewindvoerder legde haar vraagpunten niet tijdig bij [X.] neer en stelde hem tot tweemaal toe niet in de gelegenheid haar vraagpunten te beantwoorden. Een dergelijke gang van zaken is naar de mening van [X.] in strijd

met de elementaire beginselen van een goede procesorde, en zeker in strijd met doel en strekking van de WSNP.

Nu [X.] niet in de gelegenheid werd gesteld om de vragen van de bewindvoerder, zoals geformuleerd in het rapport van 3 oktober 2006 aan de rechtbank, te beantwoorden begrijpt hij de conclusie van de rechtbank niet. Omdat hij er niet in geslaagd is aan zijn informatieplicht te voldoen gaat de rechtbank ervan uit dat hij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden niet te goeder trouw is geweest en dat er gegronde vrees bestaat dat hij tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen. [X.] betwist deze overweging van de rechtbank en stelt geen reële mogelijkheid te hebben gehad het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden afdoende toe te lichten. [X.] stelt dat ten aanzien van ondernemers zoals hij een redelijke wetstoepassing meebrengt dat de bewindvoerder zich in het voortraject tot de definitieve toelating tot de schuldsaneringsregeling concentreert op een analyse van de hoofdzaken en niet op extreem detailniveau tracht de aanstaande saniet te laten struikelen over elk bedrag dat niet 100% sluitend boekhoud- kundig kan worden bewezen. Indien tijdens de looptijd blijkt dat een schuld niet te goeder trouw is ontstaan, kan op dat moment de toepassing van de regeling alsnog worden beëindigd.

[X.] meent dat, zeker gezien de vergaande maatschappelijke consequenties van het niet toelaten tot de schuldsanering van hem als medicus, en zijn onmogelijkheid om vanuit een faillissementssituatie maatschappelijk te functioneren, zowel de bewindvoerder als de rechtbank zorgvuldiger te werk hadden moeten gaan.

In reactie op het 2e verslag van de bewindvoerder stelt [X.] dat hij de boedel-afdrachten op een rekening in eigen beheer heeft gestort. Hij verkeerde verder in de veronderstelling dat het inlichtingenformulier alleen bij een wijziging van omstandigheden moest worden ingestuurd. De schulden bij Essent bleken wel te zijn voldaan, waarvan [X.] in maart 2007 bericht heeft gehad. [X.] meende dat de Chrysler na overdracht aan de bewindvoerder ook haar eigendom was geworden zodat hij niet meer voor verlenging van de verzekering hoefde te zorgen.

4.4. De bewindvoerder meent dat [X.] niet tot de schuldsaneringsregeling dient te worden toegelaten. Zoals uit haar 2e verslag blijkt heeft [X.] sedert de voorlopige toelating geen boedelafdrachten verricht, zodat de boedelachterstand op 21 maart 2007 € 9.588,40 bedroeg. Zij heeft geen toestemming verleend voor reservering van deze gelden in eigen beheer. [X.] voldoet niet aan zijn inlichtingenplicht door na het 3e maandsverslag niet het inlichtingenformulier in te sturen, ook niet na rappel, zodat de bewindvoerder niet in staat is het per 1 januari 2007 geldende vrij te laten bedrag te berekenen. Er zijn nieuwe schulden bij Essent ontstaan, doordat de termijnen over december 2006, januari en februari 2007 niet zijn voldaan. De beide auto’s van [X.] zijn verkocht: de BMW, waarop reparatiekosten en stalling- kosten in mindering zijn gekomen, en de Chrysler, waarvoor de bewindvoerder na de verkoop aan de echtgenote van [X.] - omdat de auto pas acht weken later werd opgehaald - verzekeringskosten heeft moeten maken.

4.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

4.5.1. De wettelijke regeling van de schuldsanering heeft als hoofddoel het in het leven roepen van een regeling waarmee kan worden tegengegaan dat een natuurlijke persoon die in een problematische financiële situatie is terechtgekomen tot in lengte van jaren met zijn schulden achtervolgd kan worden. Van de saniet wordt een zo groot mogelijke bijdrage en inspanning gevergd om zoveel mogelijk activa in de boedel te brengen in het belang van de schuldeisers.

4.5.2. Ingevolge artikel 288 lid 1, aanhef en onder b Fw wordt het verzoek afgewezen indien er gegronde vrees bestaat dat de schuldenaar tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten zijn schuldeisers te benadelen of zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Dit betreft een imperatieve afwijzingsgrond bij de beoordeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

4.5.3. Ingevolge artikel 288 lid 2, aanhef en onder b Fw betreft kan een verzoek worden afgewezen indien aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw is geweest. Dit betreft een facultatieve grond voor afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij deze grond - waarmee mede wordt beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan - gaat het om een gedrags-maatstaf, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

Blijkens de Recofa richtlijnen 2005 kan van een dergelijke situatie onder meer sprake zijn indien:

- schulden zijn aangegaan terwijl er gelet op het inkomen en/of vermogen van de verzoeker redelijkerwijs geen uitzicht bestond op aflossing daarvan;

- recent nieuwe schulden zijn aangegaan van substantiële aard.

4.5.4. Het hof is met [X.] van oordeel dat de rechtbank ten onrechte het niet verschaffen van de gewenste duidelijkheid omtrent het ontstaan en onbetaald laten van schulden voor rekening en risico van [X.] heeft gebracht en daaruit de conclusie heeft getrokken dat [X.] te dien aanzien niet te goeder trouw is geweest. Recent heeft de Hoge Raad - onder verwijzing naar zijn uitspraak van 17 december 2004 (NJ 2005/240) – geoordeeld dat in een dergelijke situatie de afwijzingsgrond van artikel 288 lid 2 sub b Fw niet aldus kan worden uitgelegd dat daaronder mede begrepen is het geval dat niet kan worden beoordeeld of schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van schulden niet ter goeder trouw is geweest (NJ 2007/ 206). In zoverre slaagt de grief van [X.].

4.5.5. Het hof is echter op andere gronden van oordeel dat [X.] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden niet te goeder trouw te zijn geweest.

Daarbij laat het hof in het midden of [X.] zich terecht op het standpunt stelt dat in geval van een ondernemer als hemzelf bij de toetsing aan deze bepaling volstaan kan worden met een analyse op hoofdlijnen.

Gebleken is dat [X.] bij zijn huidige werkgeefster op 1 juni 2005 een lening van € 25.000,00 is aangegaan met het oog op de financiering van de gerechtelijke procedures, waarin [X.] is betrokken, onder meer tegen Wave International B.V.. Duidelijk is geworden dat [X.] de betreffende lening, welke van substantiële aard is, is aangegaan terwijl hij wist dat hij deze lening niet (op korte termijn) zou kunnen afbetalen. De drie genoemde vennootschappen waren inmiddels failliet verklaard, zijn totale schuldenlast bedroeg circa € 600.000,00 en hij moest zelf rondkomen van een lager inkomen dan voorheen.

Ook in de onderhavige procedure wordt [X.] bijgestaan door twee advocaten, hoewel hij ervoor had kunnen kiezen om zijn zaak in eigen persoon te bepleiten zonder (dure) rechtsbijstand. Ook deze kosten worden door zijn nieuwe werkgeefster voorgeschoten, zo heeft het hof begrepen.

Het hof oordeelt dat [X.] in ieder geval ten aanzien van het ontstaan van deze schuld(en) niet te goeder trouw is geweest en acht deze omstandigheden voldoende ernstig om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling (mede) te rechtvaardigen.

4.5.6. Het hof is voorts met de rechtbank van oordeel dat gevreesd moet worden dat [X.] zijn uit de schuldsanerings- regelingen voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen, zoals bedoeld in artikel 288 lid 1 sub b Fw. Het hof neemt daarbij de volgende omstandigheden in aanmerking.

4.5.6.1. Inlichtingenplicht

[X.] heeft na de voorlopige toelating door de rechtbank weliswaar getracht te voldoen aan de inlichtingenplicht jegens de bewindvoerder, maar aan het verzoek van de bewindvoerder tot overlegging van de volledige administratie heeft [X.] tot op heden nog steeds niet voldaan.

Aan [X.] kan worden toegegeven dat door het late verzoek van de bewindvoerder om nadere informatie het beginsel van hoor en wederhoor in het gedrang is gekomen, maar daaraan doet niet af dat het op de weg van [X.] had gelegen om uit eigen beweging alle informatie omtrent zijn financiën aan de bewindvoerder te verstrekken en dat het ook na 3 oktober 2006 nog steeds mogelijk was aan het verzoek van de bewindvoerder te voldoen.

In hoger beroep is voorts gebleken dat [X.] niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan doordat hij het inlichtingen- formulier in januari 2007 niet aan de bewindvoerder heeft toegestuurd. Daardoor heeft de bewindvoerder niet het per

1 januari 2007 geldende vrij te laten bedrag kunnen berekenen. Dat er op dit punt bij [X.], zoals hij stelt, sprake zou zijn van miscommunicatie, acht het hof niet aannemelijk.

Mede gelet op de opstelling van [X.] ter zitting van het hof, zoals de mededeling dat hij in het vervolg met de bewindvoerder zal overleggen wat zij wil hebben, kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken dat [X.] meent dat onderhandelbaar is aan welke vereisten hij dient te voldoen. Gevreesd moet derhalve worden dat [X.] tijdens de schuldsanering niet aan deze verplichting zal voldoen.

4.5.6.2. Boedelbijdrage

Ter zitting heeft [X.] verklaard dat hij, in tegenstelling tot wat de bewindvoerder in haar tweede verslag heeft verklaard omtrent een boedelachterstand van € 5.992,75 (tot en met 31 december 2006), wel degelijk het maandelijks vrij te laten bedrag heeft gereserveerd op een eigen bankrekening. Blijkens een door [X.] overgelegde brief van de bewindvoerder van 5 september 2006 heeft de bewindvoerder [X.] aangeraden om reeds na de voorlopige toelating tot de schuldsaneringsregeling gelden te reserveren, hetzij door zelf een bedrag te storten op de saneringsrekening, hetzij door de werkgeefster een bedrag te laten overmaken. De bewindvoerder heeft ter zitting aangegeven [X.] uitdrukkelijk geen toestemming te hebben verleend voor het storten van gelden op een rekening in eigen beheer. Ook op dit punt heeft [X.] derhalve niet gehandeld overeenkomstig de aanwijzingen van de bewindvoerder.

4.5.6.3. Betalingsgedrag

Vanaf begin 2005 - zoals uit het verslag van de belastingadviseur de heer Smeets d.d. 20 april 2007 blijkt - is het [X.] duidelijk geworden dat hij in financiële problemen was gekomen. Niet is gebleken dat hij vanaf dat moment actie heeft ondernomen om aan zijn verplichtingen jegens zijn schuldeisers te voldoen, bijvoorbeeld door activa te gelde te maken of door zijn leefstijl en bestedings-patroon aan te passen aan zijn nieuwe situatie. Zo is onder meer gebleken dat [X.] niet zelf twee op zijn naam staande auto’s, een BMW cabriolet en een Chrysler Voyager, heeft verkocht. De bewindvoerder is daartoe na de voorlopige toelating tot de schuldsaneringsregeling overgegaan, hetgeen heeft geresulteerd in een opbrengst van € 27.750,00, exclusief een aantal daarop in mindering te brengen kosten, die [X.] vanaf eind 2005 heeft laten ontstaan.

Uit de fiscale gegevens over het jaar 2005 blijkt dat [X.] in dat jaar voor het eerst en volledig zijn vermogen in de belastingaangifte naar zijn echtgenote heeft overgeheveld, met wie [X.] op huwelijkse voorwaarden is gehuwd, waardoor tenminste de indruk wordt gewekt dat [X.] de intentie heeft gehad om vermogen aan het zicht van de schuldeisers te onttrekken, waardoor zij zouden worden benadeeld.

[X.] is in 2004 en 2005 leningen aangegaan, waarop hij nimmer heeft afgelost en waarover hij de verschuldigde rente nooit heeft voldaan. Ook voor de onderhavige procedure is [X.] wederom een lening bij zijn werkgeefster aangegaan.

Tot slot is niet gesteld of gebleken dat [X.] anderszins veranderingen in zijn financiële huishouding heeft aangebracht om de schuldeisers tegemoet te komen dan wel dat hij de oorzaken van de schuldenproblematiek heeft aangepakt.

4.5.6.4. Verdiencapaciteit

[X.] is als basisarts opgeleid en hij heeft een jaar een opleiding gevolgd tot dermatoloog. Deze opleiding heeft [X.] na dit jaar beëindigd om zich volledig op de “haarimplantatie” te richten.

Na het faillissement van de beide werkmaatschappijen en de holding, is [X.] per 1 mei 2005 in dienst getreden bij Hair Science Institute BV. Daar verdient hij een jaarinkomen van € 46.800,00 hetgeen een achteruitgang betekent ten opzichte van 2004 met bijna € 20.000,00 toen [X.] nog een jaarinkomen genereerde van € 65.589,00. Hoewel [X.] ter zitting van het hof heeft aangegeven dat hij blij moest zijn dat hij een baan kon krijgen waarmee hij dit bedrag kon verdienen, heeft [X.] het hof niet duidelijk kunnen maken waarom hij niet in staat zou kunnen zijn een hoger inkomen te verwerven. De stelling van [X.] dat het concurrentiebeding bij zijn huidige werkgeefster hem beperkt in het vinden van een baan, acht het hof niet aannemelijk. Hij kan immers buiten de in het concurrentiebeding vermelde straal van 200 kilometer rondom Amsterdam werk zoeken, hetgeen gelet op zijn woonplaats niet bezwaarlijk zou hoeven te zijn.

4.5.7. [X.] heeft aangevoerd dat hij geen verstand van financiën heeft. Het is het hof duidelijk geworden dat [X.] het overzicht over zijn inkomsten en uitgaven mist. Dit is mede bevestigd door de mededeling van de heer Smeets ter zitting dat het belangrijk is dat [X.] financieel gestuurd wordt. Dit rechtvaardigt eens te meer de vrees dat [X.] zijn schuldeisers zal benadelen. Van [X.] mag immers worden verwacht dat hij zijn uiterste best doet om zijn schuldeisers tegemoet te komen.

4.5.8. Bovendien heeft [X.] ter zitting gemeld dat hij de verwachting heeft dat zijn bedrijf in de nabije toekomst goed gaat lopen en dat hij dan in staat zal zijn om zijn bij de familie en werkgeefster afgesloten leningen af te lossen. Niet valt in te zien waarom [X.] in dat geval niet tevens zijn overige schuldeisers zou kunnen aflossen. Ook deze opstelling getuigt niet van een mentaliteit die erop gericht is zoveel mogelijk schuldeisers tegemoet te komen.

4.5.9. De door [X.] aangevoerde grief dat hij zou moeten worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, zeker gezien de vergaande maatschappelijke consequenties van het niet toelaten van hem als medicus, en omdat het voor hem onmogelijk zou zijn om vanuit een faillissementssituatie maatschappelijk te functioneren, kan niet slagen.

Immers de criteria voor toelating tot de schuldsaneringsregeling gelden voor iedere natuurlijke persoon, ongeacht zijn maatschappelijke positie.

4.5.10. Het hof is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er gegronde vrees bestaat dat [X.] tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling zal trachten schuldeisers te benadelen en/of de uit die schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen, als bedoeld in artikel 288 lid 1 sub b Fw.

4.5.11. Het verzoek van [X.] is in eerste aanleg derhalve terecht - zij het deels op verkeerde gronden - afgewezen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd met verbetering van de gronden.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, met verbetering van de gronden.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bijleveld-van der Slikke, Schaafsma-Beversluis en Everaars-Katerberg en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 21 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.