Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1484

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-05-2007
Datum publicatie
09-08-2007
Zaaknummer
R200700234
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zodanige gedragsstoornissen kind in het kader van proefcontacten omgang dat ondertoezichtstelling gerechtvaardigd is. Geen sprake van omgangsondertoezichtstelling. Rechtsoverweging 4.9.1 en 4.9.2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MvO

21 mei 2007

Sector civiel recht

Rekestnummer R200700234

Zaaknummer eerste aanleg 150186/JE RK 06-1806

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de vrouw,

procureur: mr. H.H.C. van de Kerkhof,

t e g e n

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Noord-en Zuidoost-Brabant,

locatie Eindhoven,

geïntimeerde,

hierna: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 7 december 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 maart 2007, heeft de vrouw het hof verzocht eerdergenoemde beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat het verzoek van de raad tot de ondertoezichtstelling van de minderjarige [Y.], alsnog wordt afgewezen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 5 april 2007, heeft de vader de heer [Z.], als belanghebbende, het hof verzocht:

- het door de vrouw ingestelde hoger beroep af te wijzen als zijnde onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd;

- de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 april 2007. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vrouw, bijgestaan door mr. H.H.C. van de Kerkhof;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw Schmeets;

- Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant (hierna: de stichting) vertegenwoordigd door W. van Ham;

- de vader, bijgestaan door mr. D.J.P.H. Stoelhorst.

2.4. Het hof heeft verder kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 23 november 2006;

- de brief van de raad van 25 oktober 2006 met bijlage.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De vrouw en de heer [Z.] (hierna: de man) hebben een relatie gehad. Uit deze, inmiddels verbroken, relatie is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] de thans nog minderjarige [Y.] geboren. De vader heeft [Y.] erkend. De vrouw oefent het gezag over [Y.] uit. Na beëindiging van de relatie in 2001 heeft de man tot 14 januari 2003 één keer per week op de dinsdag gedurende 0,5 tot 1 uur omgang met [Y.] gehad ten huize van de vrouw. Na 14 januari 2003 heeft de vrouw geen omgang meer toegestaan.

4.2. Bij beschikking van 2 juli 2003 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch de Stichting Kompaan te Tilburg verzocht de omgang tussen [Y.] en de man een drietal keren te begeleiden, waarbij de dagen en tijden in overleg met partijen door de Stichting Kompaan worden vastgesteld.

De rechtbank heeft tevens de volgende omgangsregeling vastgesteld. De man is gerechtigd tot omgang met [Y.]:

- drie maal één zondag per veertien dagen van 10.00 tot 16.00/16.30 uur, en vervolgens;

- één weekend per veertien dagen.

4.3. De begeleide proefcontacten zijn op voorstel van de Stichting Kompaan uitgebreid tot acht keer. Volgens de man zijn deze contacten goed verlopen. De vrouw heeft echter niet meegewerkt aan de onbegeleide omgang tussen [Y.] en de man zoals deze na afloop van de door Kompaan begeleide contacten door de rechtbank was vastgesteld.

Bij vonnis in kort geding van 3 maart 2005 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch de vrouw veroordeeld om met ingang van 13 maart 2005 op straffe van een dwangsom haar medewerking te verlenen aan de eerder door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis in kort geding bekrachtigd doch tevens de beschikking van de rechtbank van 2 juli 2003 geschorst totdat door de rechtbank is beslist op het door de vrouw op 15 februari 2005 ingediende verzoek tot wijziging van de bij de beschikking van 2 juli 2003 vastgelegde omgangsregeling.

Het verzoek van de vrouw is door de rechtbank op 3 mei 2005 ter zitting behandeld. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden met het verzoek aan de raad een onderzoek in te stellen naar de opvoedingssituatie van [Y.] en naar de mogelijkheden van een omgangsregeling en te adviseren met betrekking tot de aard, duur en frequentie van een eventueel door de rechtbank vast te leggen omgangsregeling. Daarnaast heeft de rechtbank de raad verzocht proefcontacten te organiseren. Op 25 oktober 2006 heeft de raad haar rapport d.d. 24 oktober 2006 aan de rechtbank aangeboden, waarin zij de rechtbank onder meer adviseert tussen de man en [Y.] geen omgangsregeling vast te leggen.

4.4. In het op 26 oktober 2006 bij de rechtbank ingekomen raadsrapport heeft de raad de rechtbank voorts verzocht de ondertoezichtstelling van [Y.] uit te spreken voor een periode van 12 maanden.

4.5. Bij de bestreden beschikking van 7 december 2006 is het verzoek van de raad, uitvoerbaar bij voorraad, toegewezen. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. De maatregel van ondertoezichtstelling kan gerechtvaardigd zijn wanneer het ontbreken van een omgangsregeling dan wel de conflicten bij het tot stand brengen ervan zodanige belastende problemen opleveren voor het kind dat deze op zichzelf of in combinatie met andere omstandigheden een ernstige bedreiging opleveren voor de zedelijke of geestelijke belangen van de minderjarige en andere middelen ter afwending daarvan hebben gefaald.

De kinderrechter heeft verder overwogen dat deze situatie zich hier voordoet aangezien de vrouw geen enkele motivatie heeft om de omgang tussen de man en [Y.] te begeleiden en er bij [Y.] sprake is van gedragsproblemen, terwijl er aanleiding is te vermoeden dat hierbij geen sprake is van een ontwikkeling ten goede.

De vrouw komt tegen deze beschikking in beroep.

4.6. De rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 13 maart 2007, mede gelet op de inmiddels uitgesproken ondertoezichtstelling, besloten de behandeling van het verzoek van de vrouw inzake de omgangsregeling pro forma vier maanden aan te houden tot 5 juni 2007 in afwachting van het verloop van het door de gezinsvoogd op voorzichtige en stapsgewijze op te bouwen contact tussen [Y.] en de man.

4.7. In haar beroepschrift heeft de vrouw het volgende gesteld.

Het doel van de door de raad gevraagde ondertoezichtstelling van [Y.] is het tot stand brengen van een omgangsregeling tussen [Y.] en de man. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad ( HR 13 april 2001, NJ 2002, nrs. 4 en 5) is ondertoezichtstelling op deze grond, aldus de vrouw, niet mogelijk. In deze arresten heeft de Hoge Raad in de visie van de vrouw immers overwogen dat er enkel een ondertoezichtstelling kan worden opgelegd indien het ontbreken van een omgangsregeling, of juist het bestaan hiervan, zodanige problemen oplevert voor het kind dat deze een ernstige bedreiging voor de zedelijke of geestelijke belangen van het kind oplevert, welke bedreiging niet door middel van aanwending van andere middelen kan worden afgewend, of de aanwending van deze andere middelen naar te voorzien is, zal falen. Het verzoek van de raad is volgens de vrouw niet op deze gronden gebaseerd en een ondertoezichtstelling kan derhalve niet worden opgelegd. De vrouw stelt verder dat het onderzoek dat door de raad voorafgaande aan het verzoek is verricht, van beperkte duur en omvang is geweest en derhalve niet kan dienen als grondslag voor een zo ingrijpende maatregel als een ondertoezichtstelling.

De vrouw stelt daarnaast dat er tot op heden geen enkele poging is gedaan om door middel van vrijwillige hulpverlening aan de vrouw en het kind tot een oplossing van de problemen rond de omgang te komen. Dit betekent, aldus de vrouw, dat de rechtbank de eerdergenoemde arresten van de Hoge Raad heeft miskend door, nu niet vaststaat dat vrijwillige hulpverlening uitgesloten was, naar het zwaarste middel te grijpen om (uiteindelijk) een omgangsregeling tot stand te brengen.

4.8. Bij verweerschrift heeft de man als belanghebbende het volgende naar voren gebracht. Ten eerste geeft de man aan dat er na jaren van procedures nog steeds geen omgang tussen [Y.] en hem tot stand is gekomen. Dit is, aldus de man slechts te wijten aan de houding en opstelling van de vrouw.

De man wijst op de tussenbeschikking van de rechtbank van 13 maart 2007 waarin wordt geoordeeld dat er aan de kant van de man geen contra-indicaties zijn voor omgang, maar dat er gezien de afwerende angst vanuit [Y.] voor de man omgang thans niet mogelijk is. De rechtbank wijst er in deze tussenbeschikking op dat zij eveneens als de raad van oordeel is dat het feit dat [Y.] van de vrouw geen enkele ruimte krijgt om op een positieve manier over haar vader te denken en met hem een contact op te bouwen, als zeer zorgelijk moet worden beschouwd. In deze tussenbeschikking wordt ook gezegd dat de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling zorg zal dienen te dragen voor een voorzichtige en stapsgewijze opbouw van het contact tussen [Y.] en de man. De man heeft echter moeten constateren dat er nog steeds niet bekend is wie als gezinsvoogd zal gaan optreden.

Uit het door de vrouw tegen de ondertoezichtstelling ingestelde hoger beroep kan volgens de man afgeleid worden dat er ook thans geen sprake is van een positieve en coöperatieve houding aan de zijde van de vrouw.

Het beroep van de moeder op de eerdergenoemde arresten van de Hoge Raad acht de man niet juist omdat even zo goed gesteld kan worden dat gezien de zorgelijke ontwikkeling aan de kant van [Y.] inderdaad sprake is van een dusdanig bedreigde ontwikkeling van haar persoonlijkheid en geestelijke belangen dat ondertoezichtstelling gerechtvaardigd is.

De man is verder van mening dat er wel voldoende andere middelen in het kader van vrijwillige hulpverlening zijn aangereikt, maar dat de vrouw zelf telkens de contacten met de hulpverlening heeft beëindigd zoals blijkt uit de stukken.

De man concludeert dat de ondertoezichtstelling gehandhaafd moet worden en dat de vrouw veroordeeld dient te worden in de kosten van deze procedure nu zij met het instellen van dit hoger beroep naar de mening van de man een kansloze weg is ingeslagen.

4.9. De raad heeft ter zitting gesteld dat de ondertoezichtstelling gehandhaafd moet worden gelet op de ernstige bedreiging van de zedelijke belangen van [Y.].

4.10. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen overweegt het hof als volgt.

4.10.1. Vaststaat dat er bij [Y.] sprake is van angststoornissen, separatieangst, grote aanhankelijkheid aan de moeder en een groeiend wantrouwen naar haar omgeving. Vanwege deze klachten heeft de huisarts [Y.] reeds in 2004 verwezen naar kinderpsychologe drs. Geelhoed. Ook de raad heeft geconstateerd dat [Y.] tijdens de aanvang van een proefcontact met de man zeer angstig gedrag vertoonde, dat zij daarbij letterlijk achter de rok van de vrouw kroop en zich hevig verzette wanneer geprobeerd werd haar te bewegen zich los te maken van de vrouw. Volgens de vrouw zou de stichting Kompaan [Y.] bij de eerdere proefcontacten letterlijk hebben moeten losrukken van de rokken van de vrouw. Vaststaat voorts dat [Y.] dergelijk gedrag uitsluitend vertoont wanneer sprake is van een proefcontact met de man. Zo heeft de vrouw ter zitting van het hof verklaard dat hiervan geen sprake is wanneer zij bij haar opa (mz) gaat logeren. Aangezien [Y.] sedert haar geboorte slechts een zeer sporadisch contact met de man heeft gehad, welk contact voornamelijk plaatsvond ten huize van en in aanwezigheid van de vrouw, kan zij zich niet op grond van eigen ervaringen een negatief beeld van de man hebben gevormd en kan haar angst derhalve niet daaruit voortvloeien. Het hof deelt dan ook het standpunt van de raad dat de vrouw haar – uit een eerdere en de onderhavige procedure ondubbelzinnig gebleken – afkeer van de man dusdanig op [Y.] overbrengt dat [Y.] geen enkele ruimte krijgt om op een positieve manier over haar vader te denken, laat staan om op onbelaste wijze contact met hem op te bouwen.

Geconcludeerd moet dan ook worden dat [Y.] bedreigd wordt in haar emotionele ontwikkeling, zodat voldaan wordt aan de vereisten voor een ondertoezichtstelling.

4.10.2. Anders dan de vrouw heeft betoogd, is hierbij naar het oordeel van het hof geen sprake van een zogenaamde omgangsondertoezichtstelling (HR 3 april 2001, NJ.2002, 4 en 5).

Met de maatregel van de ondertoezichtstelling wordt immers niet in eerste instantie beoogd om contact tussen [Y.] en de man tot stand te brengen. De maatregel is – zoals reeds overwogen – gerechtvaardigd door de bedreigde ontwikkeling van [Y.]. Er zal derhalve hulpverlening voor [Y.] dienen te komen.

De vrouw is hiertoe onvoldoende gemotiveerd. Nadat de kinderpsychologe Geelhoed ziek was geworden heeft de vrouw niet opnieuw hulp gezocht om de bij [Y.] bestaande gedragsproblemen te laten behandelen.

De vrouw stelt dat het met [Y.] goed gaat als er geen dwang op haar wordt uitgeoefend om omgang met de man te hebben. Zij meent dat de (gedwongen) omgang met de man de oorzaak vormt voor de gedragsproblemen van [Y.] en verleent daarom geen enkele medewerking aan het tot stand brengen van het contact tussen de man en [Y.]. De vrouw miskent daarmee dat het gedrag van [Y.] haar eigen afkeer van de man weerspiegelt. Bovendien gaat de vrouw met deze stelling, naar het oordeel van het hof, voorbij aan het belang van [Y.] om met de man contact te hebben. Gelet op de opstelling van de vrouw, kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken dat de vrouw probeert de man uit te vlakken uit het leven van [Y.]. Zolang er geen contact tot stand komt, bestaat echter het risico dat zich op latere leeftijd bij [Y.] identiteitsproblemen zullen openbaren als gevolg van het gebrek aan een band met haar vader. Ook dat levert een bedreiging op van de geestelijke belangen van [Y.].

De ondertoezichtstelling wordt derhalve mede gerechtvaardigd door het kennelijk diepgewortelde wantrouwen van de vrouw in de man en haar onmacht om daarmee om te gaan, althans zonder begeleiding en bescherming in de vorm van een ondertoezichtstelling. De vrouw, die desgevraagd ter zitting niet heeft kunnen aangeven hoe zij het contact met de man als ouder van [Y.] denkt te herstellen, zal zich ervan bewust moeten worden dat de man de andere ouder van [Y.] is en dat hij in die rol – en niet als ex-partner van de vrouw – erkenning verdient.

4.10.3. Het hof acht het overigens zeer zorgelijk dat er door de kennelijke overbelasting bij de stichting tot op het moment van de mondelinge behandeling nog geen plan van aanpak was opgesteld en dat er nog weinig actie was ondernomen in het kader van deze ondertoezichtstelling, anders dan de benoeming van een voorlopige gezinsvoogd uit het team ‘beperkt hulpaanbod’. Het hof benadrukt nogmaals het belang van [Y.] bij het op gang komen van hulpverlening voor haar gedrags- stoornissen en in het verlengde daarvan het voorzichtig op gang brengen van contact met de man en dringt er bij de stichting op aan een en ander voortvarend op te pakken.

4.10.4. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat er thans nog altijd sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:254, lid 1 BW, zodat een ondertoezichtstelling geboden blijft. Het hof bekrachtigt dan ook de beschikking waarvan beroep.

4.10.5. Het hof ziet geen aanleiding het verzoek van de man tot het veroordelen van de vrouw in de proceskosten in hoger beroep toe te wijzen. De proceskosten van het hoger beroep worden derhalve door het hof gecompenseerd, nu partijen gewezen partners zijn.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 7 december 2006;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Everaars-Katerberg, Smeenk-Van der Weijden en Bijleveld-Van der Slikke en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 21 mei 2007 in tegenwoordigheid van de griffier.