Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1006

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
03-08-2007
Zaaknummer
C200300889
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg provisieregeling; toepassing franchise.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

C0300889/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 10 april 2007,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

verder te noemen, [X.],

procureur: mr. J.J.F. van de Voort,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [Y.] ASSURANTIËN LEVEN B.V.,

handelende onder de naam [Y.] Assurantie Groep,

(mede) gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

verder te noemen: [Y.],

procureur: mr. P.J.A.M. Baudoin,

als vervolg op de op 26 oktober 2004 en 17 mei 2005 gewezen tussenarresten op het hoger beroep tegen het onder zaaknummer 259070 CV EXPL 03-1675 door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, gewezen vonnis van 7 mei 2003 tussen [Y.] als eiseres en [X.] als gedaagde.

Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

In het tussenarrest van 17 mei 2005 is J. Krottje RA, verbonden aan Deloitte Accountants B.V., tot deskundige benoemd. De deskundige heeft bij brief van 13 oktober 2006 zijn rapport van bevindingen van dezelfde datum uitgebracht.

Partijen hebben ieder nog een memorie na deskundigenbericht genomen, waarbij [X.] nog een aantal bewijsstukken in het geding heeft gebracht. Daarna hebben zij de gedingstukken aan overgelegd en uitspraak gevraagd.

De verdere beoordeling

De deskundige is verzocht de volgende vragen te beantwoorden:

(1) Zijn er in de boekhouding van [Y.] aanwijzingen te vinden, en zo ja welke, die tot de conclusie kunnen leiden dat [X.] zijn ‘target’ niet heeft gehaald en/of dat [Y.] recht heeft op verrekening van provisie, en zo dat het geval is, tot welk bedrag?

(2) Voorts dienen de vragen geformuleerd in rov. 4.4.6 van het tussenarrest van 26 oktober 2004 te worden beantwoord, voor zover dat nog zinvol zou zijn voor de beoordeling van de hiervoor gestelde vraag.

(3) [X.] heeft in zijn akte van 18 januari 2005 nog vier vragen voorgesteld. Het hof zal de deskundige verzoeken ook deze vragen te beantwoorden, voor zover deze vragen en/of de antwoorden relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de hiervoor gestelde vragen.

In zijn rapport van 13 oktober 2006 (pag. 14), met bijbehorende aanbiedingsbrief, komt de deskundige tot de volgende recapitulatie van zijn bevindingen:

7. Recapitulatie

Onder punt 4 van dit rapport is een becijfering gemaakt van de door [X.] behaalde omzet 2002 ad circa € 3.060.618 op basis van de administratie van [Y.] rekening houdend met de verschillen. Wij hebben geen aanwijzingen kunnen vinden dat deze omzet door [Y.] te laag is weergegeven.

Verder hebben wij geen aanwijzingen kunnen vinden waaruit blijkt dat door de overstap, van [Y.] van Aegon naar Amev, verval is opgetreden en dat hierdoor debetboekingen zijn ontstaan ten laste van [X.].

Ook hebben wij geen aanwijzingen kunnen vinden dat er na uitdiensttreding van de heer [X.] productie is overgeboekt naar collega adviseurs.

De heer [X.] heeft nog wel recht op verrekening van de inhoudingen die op zijn salaris hebben plaatsgevonden ter verrekening van mogelijke debetprovisie.

Op basis van deze bevindingen berekent de deskundige de door [X.] in 2002 behaalde productie - na reconciliatie met de door [X.] aangedragen omzetverschillen - op een bedrag van € 3.060.618,- en berekent de daarover behaalde provisie op een bedrag van € 35.877,- indien geen rekening wordt gehouden met onnatuurlijk verval vanaf 1 januari 2003 en op een bedrag van € 12.943,- indien wel rekening wordt gehouden met dit verval.

Het hof neemt deze bevindingen van de deskundige over en maakt deze tot de zijne. De deskundige heeft de door [X.] aangegeven omzetverschillen in zijn rapport op overtuigende wijze gereconcilieerd met de uit de boekhouding van [Y.] blijkende omzet. Er bestaat geen aanleiding de gecorrigeerde omzet en de daarover berekende provisie in twijfel te trekken.

De deskundige heeft vervolgens op het door hem berekende provisiebedrag een franchise toegepast gelijk aan het door [X.] in 2002 ontvangen bruto salaris van € 35.909,-. [X.] heeft in zijn memorie na deskundigenbericht het standpunt ingenomen dat bij de afrekening van provisie het ontvangen salaris niet als franchise in aanmerking moet worden genomen.

Dit verweer van [X.] stelt een vraag van uitleg van de beloningsregeling in het arbeidscontract - waarvan de provisieregeling een onderdeel uitmaakt - aan de orde. Het hof is van oordeel dat deze regeling uitgelegd dient te worden aan de hand van het Haviltex-criterium. Gesteld noch gebleken is immers dat de beloningsregeling op een CAO berust. Bij de uitleg van deze regeling zijn alle omstandigheden van het concrete geval van beslissende betekenis, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Hoewel de uitleg van het arbeidscontract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen daarvan, is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van het geschrift als geheel, in de desbetreffende kring van het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat contract wel van groot belang.

In de tekst van art. 7 van het arbeidscontract wordt in onderdeel B "Provisieregeling" de provisiegrondslag als volgt gedefinieerd:

Grondslag = aanwas - onnatuurlijk verval, met een franchise van f. 5.000,-. Indien de productie (…) niet voldoende is om de franchise te voldoen, zal het verschil tussen productie en franchise bij de eerste gelegenheid worden gecompenseerd.

De franchise van f. 5.000,- is gelijk aan het in onderdeel A van art. 7 van het arbeidscontract gespecificeerde basissalaris van

f. 5.000,- bruto per maand exclusief 8% vakantietoeslag, welke basissalaris in 2002 is verhoogd naar f. 6.000,- per maand exclusief vakantietoeslag.

Het door [X.] overgelegde document 'Provisie regeling [Y.] Assurantie Groep 2002' (prod. 2 bij memorie van grieven), waarin de provisieregeling door [Y.] aan de hand van een rekenvoorbeeld wordt toegelicht, bevat de volgende slotzin:

Al de genoemde provisie valt binnen de franchise.

In de 'voorlopige provisie afrekening over 2001' (productie bij akte in hoger beroep van [Y.] van 6 januari 2004) wordt op het bedrag van de over 2001 door [X.] behaalde provisie het gehele in 2001 aan hem uitbetaalde salaris in mindering gebracht en slechts het saldo uitbetaald. Gesteld noch gebleken is dat [X.] tegen deze berekeningssystematiek heeft geprotesteerd. Integendeel, nog bij memorie van grieven (onder nummer 32) vermeldt [X.] dat [Y.] het maandelijks betaalde basissalaris zag als voorschot op te behalen provisie, zodat het in 2002 aan hem uitbetaalde salaris eerst moest worden terugverdiend.

10.10. Gesteld noch gebleken is dat de provisieregeling, meer in het bijzonder de toepassing van de franchise, bij de indienst-treding van [X.] onderwerp van gesprek is geweest. Het hof zal de provisieregeling dan ook uitleggen aan de hand van de tekst daarvan, bezien in het licht van de gedragingen van partijen ná de totstandkoming van het arbeidscontract. Uit de (hiervoor onder 10.8 en 10.9 genoemde) gedragingen komt naar voren dat ook [X.] er tijdens het dienstverband van uitging dat eerst het ontvangen jaarsalaris moest worden terugverdiend en dat jaarlijks slechts de daarboven behaalde provisie (na aftrek van de voorschotprovisie) werd uitbetaald. [X.] heeft verder niet aangevoerd dat deze wijze van provisieafrekening in de maatschappelijke kring van verzekeringstussenpersonen zo ongebruikelijk is dat hij daarop niet bedacht hoefde te zijn.

10.11. Het hof legt de provisieregeling daarom aldus uit dat jaarlijks na afloop van het boekjaar provisie wordt afgerekend en dat de jaarlijkse provisieaanspraak gelijk is aan de in dat jaar behaalde provisie na aftrek van het in dat jaar uitbetaalde brutosalaris.

10.12. Het hof neemt de door de deskundige gehanteerde berekeningswijze - waarin de franchise wordt toegepast overeenkomstig deze uitleg van de provisieregeling - daarom over. Schematisch weergegeven ziet de berekening van de deskundige er als volgt uit.

Afrekening 2002

Met verval (€)

Zonder verval (€)

Behaalde provisie

12.943,-

35.877,-

Franchise

35.909,-

35.909,-

Provisieaanspraak

0

0

Voorschotprovisie

-/- 22.689,-

-/- 22.689,-

Debetprovisie

2.254,-

2.254,-

Saldo te ontvangen

-/- 20.435,-

-/- 20.435,-

10.13. Uit deze berekening blijkt dat [X.] over 2002 onvoldoende provisie heeft betaald om de franchise te overschrijden, ook indien geen rekening wordt gehouden met het onnatuurlijk verval vanaf 2003. In beide gevallen dient hij het gehele bedrag van door hem in 2002 ontvangen voorschotprovisie, na aftrek van de op zijn salaris ingehouden debetprovisie als bedoeld in art. 8 van de arbeidsovereenkomst, in totaal een bedrag van € 20.435,- aan [Y.] terug te betalen. [X.] heeft daarom geen belang bij zijn hoger beroep op het punt van de correctie wegens onnatuurlijk verval.

10.14. Op het terug te betalen bedrag dient nog het bedrag aan niet-uitbetaald vakantiegeld van € 1.742,51 in mindering te worden gebracht (dagvaarding eerste aanleg, nummer 16), zodat per saldo een bedrag van € 18.692,49 toewijsbaar is. [X.] heeft geen grief gericht tegen de toewijzing van een bedrag van € 250,- aan preprocessuele kosten zodat ook dit bedrag toewijsbaar is.

10.15. Omtrent de door [Y.] overigens gevorderde schadevergoeding uit hoofde van het niet-tijdig inleveren van de leaseauto en de schade daaraan is door het hof reeds beslist. Op deze punten treft het hoger beroep doel. Deze posten zijn niet toewijsbaar.

10.16. Het vonnis waarvan beroep zal gedeeltelijk worden vernietigd, namelijk voor zover een bedrag van € 27.211,86 is toegewezen, in plaats van een bedrag van € 18.692,49. Aangezien partijen in hoger beroep over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd. Ten aanzien van de provisieafrekening wordt [Y.] wel grotendeels in het gelijk gesteld, afgezien van de verrekening van een bedrag van € 2.254,- aan ingehouden debet-provisie. De door [Y.] voorgeschoten kosten van de deskundige ten bedrage van € 5.831,- inclusief btw zullen daarom geheel ten laste van [X.] worden gebracht.

De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover [X.] daarin wordt veroordeeld tot betaling aan [Y.] van een bedrag van

€ 27.211,86, te vermeerderen met € 250,- aan preprocessuele kosten en de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 19 februari 2003, en bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [X.] tot betaling aan [Y.] van een bedrag van € 18.692,49, te vermeerderen met € 250,- aan preprocessuele kosten en met de wettelijke rente over € 18.692,49 vanaf 19 februari 2003;

veroordeelt [X.] tot betaling aan [Y.] van de kosten van de deskundige ten bedrage van € 5.831,-;

verklaart deze betalingsveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen voor het overige, in dier voege dat iedere partij de eigen (overige) kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 10 april 2007.