Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB0926

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-05-2007
Datum publicatie
02-08-2007
Zaaknummer
C200601533
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Het hof is voorshands van oordeel dat nu Rexroth onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat haar bedrijfsdebiet wezenlijk gevaar loopt bij een overstap van “appellant” naar Eaton Hydrowa BV, terwijl zij voorts ook niet bereid of in staat is gebleken “appellant” voldoende compensatie te bieden voor het feit dat hij zich bij Eaton Hydrowa BV aanzienlijk kan verbeteren, en “appellant” een evident belang heeft om de overstap te maken naar een bedrijf waarin hij zijn specifieke vaardigheden kan inzetten en verder kan ontwikkelen in min of meer dezelfde functie en in arbeidsomstandigheden die hem beter passen dan bij Rexroth [...], het door “appellant” gestelde belang zwaarder dient te wegen. “Appellant” zou immers door onverkorte handhaving van het concurrentiebeding naar het het hof voorkomt onbillijk worden benadeeld in verhouding tot voorshands als marginaal te bestempelen belang van Rexroth. Het enkele feit dat “appellant” gezien zijn gedegen vakkennis wellicht elders tegen een min of meer gelijk salaris ook aan de slag kan gaan, legt onvoldoende gewicht in de schaal, omdat voorshands voldoende aannemelijk is dat “appellant” daarbij zijn technische vaardigheden in de door hem gewenste richting (met doorgroeimogelijkheden) niet verder kan ontplooien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MT

rolnr. KG C0601533/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht, achtste kamer, van 22 mei 2007,

gewezen in de zaak van:

“APPELLANT”,

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 6 december 2006,

procureur: mr. R.G.A.M. Theunissen,

tegen:

BOSCH REXROTH B.V.,

gevestigd te Boxtel,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. P. de Boer,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg gewezen vonnis van 9 november 2006 tussen appellant – “appellant” - als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en geïntimeerde - Rexroth - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaak/rolnr. 417469 VV EXPL 06-111)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij appeldagvaarding tevens inhoudende memorie van grieven heeft “appellant”, onder overlegging van één productie, vijf grieven aangevoerd, in reconventie zijn eis vermeerderd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van Rexroth subsidiair de dwangsom te matigen. Voorts heeft hij verzocht het tussen partijen geldende concurrentiebeding te schorsen totdat het vonnis van de bodemrechter in kracht van gewijsde is gegaan, subsidiair de werking ervan te beperken tot 1 oktober 2006 of tot enige andere datum, die het hof juist acht en voorts Rexroth te veroordelen om maandelijks een bedrag te betalen van € 3.159,= bruto totdat “appellant” elders in dienst treedt met als uiterste termijn 1 april 2008.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Rexroth de grieven bestreden en voorts producties in het geding gebracht.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

Rexroth houdt zich onder meer bezig met het ontwerpen en de productie van grote en speciale cilinders ten behoeve van diverse vormen van hydraulische aandrijftechnieken. “appellant”, geboren op [...] 1967, is op 6 augustus 1996 bij de rechtsvoorganger van Rexroth in dienst getreden als verspaner. Verspanen is een verzamelnaam voor een aantal bewerkingstechnieken die leidt tot het vervaardigen van cilinders. Verspanende bewerkingen zijn onder meer frezen, draaien, boren en slijpen. Tijdens de bewerking wordt (telkens) materiaal verwijderd door afschuiving waarbij dan spanen of krullen ontstaan. De bewerkingen geschieden door middel van een computergestuurde machine (CNC). “appellant” heeft het vak in de praktijk geleerd. Hij heeft twee korte externe cursussen gevolgd (één avond per week gedurende enkele maanden).

Het loon van “appellant” bedroeg laatstelijk € 2444,00 bruto per maand.

Bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst is tussen partijen tevens een beding van non concurrentie overeengekomen dat het volgende inhoudt:

“Werknemer verplicht zich gedurende 18 maanden na het beëindigen van de dienstbetrekking op geen enkele wijze, direct of indirect, in Nederland of elders, zelf, voor, door of met anderen een onderneming te bedrijven of werkzaam, behulpzaam of betrokken te zijn bij een onderneming die artikelen fabriceert, verhandelt of exploiteert, soortgelijk of aanverwant aan die, welke door werkgeefster worden gefabriceerd, verhandeld of geëxploiteerd. Bij het niet nakomen van deze verplichtingen verbeurt werknemer ten behoeve van werkgeefster een dadelijk opvorderbare boete van fl. 1000,= voor iedere overtreding of dag van overtreding”.

“appellant” heeft de arbeidsovereenkomst met Rexroth opgezegd tegen 30 september 2006 waarna hij met ingang van

1 oktober 2006 in dienst is getreden bij Eaton Hydrowa B.V. te Eindhoven. De ondernemingen van Rexroth en Eaton Hydrowa BV ontplooien vergelijkbare activiteiten en zijn elkaars concurrenten in de markt van de op bestelling gemaakte speciale cilinders.

4.2. Rexroth heeft “appellant” in rechte betrokken omdat “appellant” door in dienst te treden bij Eaton Hydrowa BV het tussen partijen overeengekomen beding van non concurrentie schendt en zij heeft, kort gezegd, gevorderd dat “appellant” veroordeeld wordt om het concurrentiebeding na te komen en de dienstbetrekking met Eaton Hydrowa BV te beëindigen en tot 1 april 2008 aldaar niet meer in dienst te treden. “appellant”, zo stelt Rexroth, beschikt over zeer waardevolle capaciteiten en exclusieve vaardigheden waarin Rexroth jarenlang heeft geïnvesteerd door opleiding training en begeleiding. “appellant” is tevens op de hoogte van de ontwerpen in de tekenkamer, kan tekeningen lezen en heeft kennis van software programma’s en computergestuurde bewerkingen. Verder draagt “appellant” kennis van het klantenbestand en de unieke oplossingen voor besturingssystemen en is hij op de hoogte van de op de werkvloer plaatsvindende ontwikkeling en innovatie van bewerkingstechnieken en producten, waaronder speciale coatings ten behoeve van de door Rexroth ontwikkelde cilinders.

4.3. “appellant” heeft het specialistische karakter van zijn kennis en vaardigheden gerelativeerd door erop te wijze dat deze verkregen zijn door (slechts) een korte opleiding en vooral door ervaring. Hij heeft verder aangegeven dat hij ook niet wordt betaald door Rexroth als ware hij een specialist met de door Rexroth opgevoerde kwaliteiten. Hij stelt verder dat hij zich nimmer heeft bezig gehouden met het ontwerpen van cilinders, noch dat hij bijzondere kennis draagt van de softwareprogramma’s bij Rexroth.

Zijnerzijds vorderde “appellant” primair schorsing van het beding en subsidiair Rexroth te veroordelen een maandelijkse vergoeding te betalen gedurende de looptijd van het beding.

4.4. De kantonrechter heeft de vorderingen van Rexroth toegewezen en daartoe, kort gezegd, overwogen dat Rexroth mogelijk de aan “appellant” toegedichte kwaliteiten zwaar heeft aangezet, maar dat wel vast staat dat “appellant” de kennis en ervaring die hij bij Rexroth heeft opgedaan direct kan aanwenden bij een van de zeer weinige ondernemingen die in dezelfde markt als Rexroth opereren. Die kennis en ervaring is bij Rexroth eerst gedurende een langere periode verworven, zodat Eaton Hydrowa BV, die daarin niet (meer) behoeft te investeren, er voordeel bij heeft dat “appellant” bij haar in dienst treedt. Dat bedrijfsbelang van Rexroth weegt zwaarder dan de mogelijkheid van “appellant” om een dienstbetrekking te aanvaarden bij Eaton Hydrowa BV, te meer omdat er ruim voldoende andere vacatures voorhanden zijn voor iemand als “appellant” met zijn capaciteiten en Rexroth bovendien bereid is gebleken “appellant” verbeterde arbeidsvoorwaarden aan te bieden. De kans dat de rechter in de bodemprocedure zal oordelen dat “appellant” in strijd handelt met het concurrentiebeding achtte de kantonrechter derhalve hoogstwaarschijnlijk. Een geheel of gedeeltelijke schorsing van het beding dan wel de toekenning van enige vergoeding werd gezien al deze omstandigheden afgewezen. “appellant” is in de kosten veroordeeld.

Tegen deze beslissingen komt “appellant” op.

4.5. Met de grieven betoogt “appellant” in de kern genomen dat Rexroth geen redelijk belang heeft bij het (doen) handhaven van het concurrentiebeding, althans dat het daarbij door haar nagestreefde belang (vermijden dat kennis en ervaring van een werknemer bij een ander terecht komt waarmee in feite iedere overstap van een werknemer naar een andere werkgever wordt belemmerd)in rechte geen bescherming verdient. Daarnaast (en naar het hof begrijpt subsidiair) stelt “appellant” zich op het standpunt dat de kantonrechter het (eventuele) belang van Rexroth bij handhaving van het concurrentiebeding ten onrechte hoger heeft gesteld dan zijn belang om vrijelijk over te kunnen stappen naar een andere werkgever met betere arbeidsvoorwaarden.

Het hof zal vanwege de samenhang van de grieven deze gezamenlijk behandelen.

4.6. Daarbij zal het hof eerst aandacht schenken aan de vraag of nog steeds een spoedeisend belang bestaat bij de vorderingen van zowel Rexroth als “appellant”. Rexroth heeft in haar memorie van antwoord onder punt 36 de aanwezigheid van een spoedeisend belang bij de (reconventionele) vorderingen van “appellant” betwist.

Naar het oordeel van het hof staat in deze zaak de vraag centraal of “appellant” wel of niet gerechtigd is om bij Eaton Hydrowa BV te gaan werken teneinde daarmee in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Gezien de aard van de daarop gerichte vorderingen van zowel Rexroth als van “appellant” dient het spoedeisend belang ook in hoger beroep nog immer te worden aangenomen. Daaraan doet niet af dat “appellant” mogelijk enige tijd gewacht heeft met het instellen van hoger beroep en evenmin dat kennelijk nog steeds geen bodemprocedure aanhangig is gemaakt.

4.7. Verder overweegt het hof dat tussen partijen geen verschil van mening bestaat over de vraag of het concurrentiebeding geldig tot stand is gekomen. Het hof zal dan ook van de geldigheid ervan uitgaan. In wezen komt het in deze zaak derhalve aan op de vraag of aan het door Rexroth gestelde belang bij naleving van het overeengekomen concurrentiebeding voldoende gewicht toekomt om voorshands te kunnen oordelen dat het belang van “appellant” in de vorm van een recht van vrije arbeidskeus daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te wijken. Daarbij heeft te gelden dat een concurrentiebeding als het onderhavige beoogt Rexroth in die zin bescherming te bieden dat een werknemer als “appellant” niet zonder meer met de essentiële kennis van en over het bedrijf (daaronder mede begrepen de contacten met klanten) naar een met dat bedrijf concurrerende onderneming kan overstappen (of een soortgelijke onderneming zelf kan beginnen) en daarmee ten koste van Rexroth ( zijn oude werkgever) een oneigenlijk voordeel voor die andere of nieuwe onderneming bewerkstelligt.

Uit de stellingen van Rexroth valt af te leiden dat het door haar gestelde belang(in dit verband ook wel aan te duiden als bedrijfsdebiet) is gelegen in het klantenbestand van Rexroth, de door Rexroth bedachte en aan de klant geleverde unieke oplossingen voor besturingssystemen en de kennis van de ontwikkeling en innovatie van de bewerkingstechnieken en producten. Dat debiet wordt in de visie van Rexroth aangetast (of loopt het gevaar aangetast te worden) doordat “appellant” in dienst is en blijft bij Eaton Hydrowa BV, een rechtstreekse concurrent van Rexroth waar het betreft op maat gemaakte cilinders.

4.8. Het hof stelt voorop dat “appellant” niet of onvoldoende betwist heeft dat Eaton Hydrowa BV op het gebied van op maat gemaakte cilinders moet worden beschouwd als een directe concurrent van Rexroth.

Voorts overweegt het hof dat het enkele feit dat “appellant” in de loop van de tijd de nodige vaardigheden heeft verworven van onvoldoende gewicht moeten worden geacht om uitsluitend daarin een rechtvaardiging te vinden voor een verbod om bij Eaton Hydrowa BV te mogen werken. Die vaardigheden heeft “appellant” zich eigen gemaakt op een wijze die niet ongebruikelijk is en zonder dat voorshands gezegd kan worden dat hierbij door Rexroth een meer dan gebruikelijke inspanning is geleverd of een investering is gedaan. De door “appellant” daartoe gevolgde cursussen zijn niet uniek noch uitsluitend op Rexroth gericht te noemen.

Daarnaast moet worden vastgesteld dat “appellant” geen programmeur is en dat niet gesteld of gebleken is dat hij enige rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling en innovatie van bewerkingstechnieken bij Rexroth. Evenmin is gesteld of gebleken dat de functie van verspaner commerciële aspecten heeft, zodat de kennis van de klanten van Rexroth zich uitsluitend beperkt tot enkel dat feit. Aldus ontstaat voorshands het beeld van een redelijk goed geschoold vakman, die voornamelijk zoal niet uitsluitend belast is met uitvoerende werkzaamheden van fijn mechanische aard aan telkens in grootte verschillende en derhalve min of meer unieke cilinders, doch die verder geen functie bekleedt met een duidelijke meerwaarde voor Rexroth in het productie-/distributie- (of verkoop)proces als geheel. “appellant” verrichtte zijn arbeid aan de hand van door anderen vervaardigde tekeningen met behulp van een computer gestuurde techniek (CNC), die (eveneens) door anderen wordt geprogrammeerd. In die rol van uitvoerder neemt “appellant” derhalve kennis van de resultaten van het voorbereidende werk van anderen, doch zonder dat voorshands gebleken is dat hij in staat moet worden geacht ook dat (andere) werk te verrichten of daarop meer dan marginale invloed uit te oefenen. Dat “appellant” enige bijdrage kan leveren in het ontwikkelen van de bestuursystemen waarvoor de cilinders worden vervaardigd is voorshands niet gebleken. Rexroth heeft te dien aanzien ook niet meer gesteld dan dat de kennis over haar eigen productieproces niet bij een concurrerende onderneming bekend moet raken, echter zonder daarbij meer in het bijzonder aan te geven over welke specifieke min of meer direct toepasbare kennis “appellant” vanuit de functie van verspaner beschikt, die Eaton Hydrowa BV een ongerechtvaardigde voorsprong oplevert bij de ontwikkeling van haar eigen bedrijfsprocessen ten koste van de concurrentiepositie van Rexroth. Het enkele feit dat “appellant” bij Rexroth in een vaktechnische functie als verspaner heeft gewerkt is naar het oordeel van het hof van onvoldoende gewicht om voorshands te kunnen aannemen dat reeds door een overstap van “appellant” naar Eaton Hydrowa BV het bedrijfsdebiet van Rexroth als zodanig door haar geformuleerd enig gevaar loopt. Daaraan doet niet af dat Eaton Hydrowa BV (mogelijk) een voordeel heeft doordat zij met “appellant” een vakbekwame verspaner in huis haalt, die (wellicht) verder nauwelijks opleiding nodig heeft (en Rexroth die dus verliest), nu die omstandigheid gezien al hetgeen hiervoor is overwogen niet is te beschouwen als een aantasting van het bedrijfsdebiet van Rexroth. De mogelijkheid dat personeel bij de concurrent in dienst treedt, doet zich overigens omgekeerd ook voor en vindt zijn natuurlijke regulering in de marktwerking. Hier is geen sprake van een bijzonder te beschermen belang waarvoor het non-concurrentiebeding is bedoeld.

4.9. Tegenover dit alles staat het belang van “appellant” om bij Eaton Hydrowa BV in zijn specifieke functie als verspaner van cilinders werkzaam te kunnen zijn tegen betere arbeidsvoorwaarden. Die betere arbeidsvoorwaarden betreffen een hoger loon, hem meer passende arbeidstijden en een groter doorgroeiperspectief.

In het kader van de onderhandelingen tussen partijen is gebleken dat Rexroth bereid is gebleken enige compensatie te bieden voor het hogere loon dat “appellant” bij Eaton Hydrowa BV kan verdienen, doch dat zij ten aanzien van de arbeidstijden en eventueel doorgroeiperspectief (niet in de specifieke salarisschaal, maar vanwege de verbreding van diens activiteiten) “appellant” niet tegemoet kon of wilde komen dan wel bereid is gebleken anderszins enige compensatie te bieden. Ten aanzien van de arbeidstijden heeft Rexroth wel gesteld dat zij “appellant” een andere functie heeft geboden, waarin niet sprake is van een

5-ploegendienst, maar aanvaarding van dit aanbod zou tot verlies van de functie van “appellant” leiden. “appellant” heeft niet bestreden dat hij wellicht elders dan bij Eaton Hydrowa BV nagenoeg hetzelfde salaris als bij Rexroth kan verdienen.

4.10. Het hof is voorshands van oordeel dat nu Rexroth onvoldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat haar bedrijfsdebiet wezenlijk gevaar loopt bij een overstap van “appellant” naar Eaton Hydrowa BV, terwijl zij voorts ook niet bereid of in staat is gebleken “appellant” voldoende compensatie te bieden voor het feit dat hij zich bij Eaton Hydrowa BV aanzienlijk kan verbeteren, en “appellant” een evident belang heeft om de overstap te maken naar een bedrijf waarin hij zijn specifieke vaardigheden kan inzetten en verder kan ontwikkelen in min of meer dezelfde functie en in arbeidsomstandigheden die hem beter passen dan bij Rexroth (en waarin Rexroth voorshands geen wijziging wenst aan te brengen), het door “appellant” gestelde belang zwaarder dient te wegen. “appellant” zou immers door onverkorte handhaving van het concurrentiebeding naar het het hof voorkomt onbillijk worden benadeeld in verhouding tot voorshands als marginaal te bestempelen belang van Rexroth. Het enkele feit dat “appellant” gezien zijn gedegen vakkennis wellicht elders tegen een min of meer gelijk salaris ook aan de slag kan gaan, legt onvoldoende gewicht in de schaal, omdat voorshands voldoende aannemelijk is dat “appellant” daarbij zijn technische vaardigheden in de door hem gewenste richting (met doorgroeimogelijkheden) niet verder kan ontplooien.

Dit betekent dat de grieven slagen en het beroepen vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van Rexroth dienen te worden afgewezen.

4.11. Waar het hier een kort geding betreft zal het hof gezien de vorderingen van “appellant” het concurrentiebeding tussen partijen schorsen vanaf de datum van indiensttreding van “appellant” bij Eaton Hydrowa BV, derhalve met ingang van 1 oktober 2006, totdat in de bodemzaak door de rechter in eerste aanleg zal zijn beslist.

Voor een verdergaande schorsing mede omvattend de periode van een eventueel hoger beroep tegen dat vonnis bestaat thans geen aanleiding.

4.12. Rexroth zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel die van de eerste aanleg als die in het hoger beroep. Het hof zal geen afzonderlijke kosten in rekening brengen voor het bij wege van reconventionele vordering gedane verzoek van “appellant” om het beding geheel of gedeeltelijk te schorsen. Immers daartoe is geen afzonderlijke vordering noodzakelijk.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van Rexroth af;

schorst het tussen partijen bestaande concurrentiebeding met ingang van 1 oktober 2006 totdat door de rechter in eerste aanleg in de bodemzaak zal zijn beslist;

veroordeelt Rexroth in de kosten van de procedure,voor de eerste aanleg vastgesteld op € 400,= aan salaris gemachtigde en voor het hoger beroep tot op heden op € 319,32 aan verschotten en € 894,= aan salaris procureur;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Slootweg en Walsteijn en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 22 mei 2007.