Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB0502

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-03-2007
Datum publicatie
26-07-2007
Zaaknummer
KGC200600907
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vraag is of verhuurder al dan niet heeft voldaan aan een veroordeling tot het verhelpen van gebreken aan het gehuurde, zulks op verbeurte van een dwangsom. Hof: verhuurder heeft slechts gedeeltelijk aan de veroordeling voldaan. Het beroep op overmacht wordt verworpen. Verhuurder is de vastgestelde dwangsommen verschuldigd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 611a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KGC0600907/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 6 maart 2007,

gewezen in de zaak van:

1. [X.],

wonende te [woonplaats] (België),

2. [Y.],

wonende te [woonplaats],

appellanten bij exploot van dagvaarding van 11 juli 2006,

hierna te noemen: [X.] c.s.,

procureur: mr. T.W.H.M. Weller,

tegen:

[Z.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

hierna te noemen: [Z.],

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht gewezen kort gedingvonnis van 15 juni 2006 tussen [X.] c.s. als eisers en [Z.] als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 110606 /KG ZA 06-174)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

Bij memorie van grieven hebben [X.] c.s. vier grieven aangevoerd, producties in het geding gebracht en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog toewijzen van hun vordering, met veroordeling van [Z.] in de kosten van beide instanties.

[X.] c.s. hebben bij akte nog nadere stukken in het geding gebracht.

Bij memorie van antwoord met producties heeft [Z.] de grieven bestreden. Zij heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van [X.] c.s. in de proceskosten.

Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [Z.] huurt van [X.] c.s. een winkelruimte met kelder, binnenplaats, keuken en achterhuis aan de [vestigingsadres A.] en [vestigingsadres B.] te [vestigingsplaats].

4.1.2. Omdat de onderhoudstoestand van de achterbouw zodanig slecht was dat deze door [Z.] niet meer gebruikt kon worden, heeft zij [X.] c.s. gedagvaard voor de kantonrechter te Maastricht. Die procedure heeft geleid tot een vonnis van de kantonrechter d.d. 14 december 2005, waarvan het dictum (in conventie) als volgt luidt:

"Veroordeelt [X.] c.s. hoofdelijk om uiterlijk vier weken na betekening van dit vonnis een aanvang te maken met bouwkundige en andere werkzaamheden die op doeltreffende wijze de zogeheten "achterbouw" van het gehuurde geschikt maken voor normaal en veilig gebruik als magazijn en keuken, met inbegrip van een toiletfunctie, door opheffing van toetreding van water en vocht uit ondergrond en muren, door herstel van vloeren, ramen, kozijnen, deuren en muren, door vervanging van het bestaande toilet en herstel van toevoer- en afvoerleidingen en aangrenzende wand, door vervanging of grondige reparatie van dakgoten en waterafvoeren, inclusief aansluiting op riolering en door zodanig herstel en/of verlegging van de bestrating op de binnenplaats, dat de (regen)waterafvoer naar de riolering gewaarborgd is, alles op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag tot een maximaal te verbeuren bedrag van € 15.000,-."

4.1.3. Voormeld vonnis is op 21 december 2005 aan appellant sub 2 betekend.

4.1.4. [Z.] stelt zich op het standpunt dat [X.] c.s. niet aan de voormelde veroordeling hebben voldaan en zij heeft aanspraak gemaakt op de maximale dwangsom van € 15.000,-. Zij heeft dit aan [X.] c.s. aangezegd door middel van een deurwaardersexploot d.d. 9 mei 2006.

4.1.5. Teneinde executiemaatregelen te voorkomen hebben [X.] c.s. het onderhavige kort geding aangespannen. Zij hebben gevorderd dat aan [Z.] een gebod zal worden opgelegd om de door haar bij deurwaardersexploot d.d. 9 mei 2006 aangekondigde executiemaatregelen in de ruimste zin, met onmiddellijke ingang na betekening van de uitspraak te staken en gestaakt te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 15.000,- per overtreding.

4.1.6. De voorzieningenrechter heeft bij kort gedingvonnis d.d. 15 juni 2006 deze vordering afgewezen en [X.] c.s. in de proceskosten veroordeeld.

4.1.7. [X.] c.s. kunnen zich niet met dit vonnis verenigen en hebben daartegen vier grieven aangevoerd.

4.2. De grieven hebben betrekking op de vraag of de voorzieningenrechter terecht heeft geoordeeld dat [X.] c.s. niet aan hun verplichtingen ingevolge het vonnis van de kantonrechter d.d. 14 december 2005 hebben voldaan (grieven 1 en 2) en op de verwerping door de voorzieningenrechter van het beroep van [X.] c.s. op overmacht (grief 3). De vierde grief heeft betrekking op de proceskostenveroordeling.

4.3. Bij de beoordeling van de vraag of [X.] c.s. al dan niet hebben voldaan aan de veroordeling in het vonnis d.d. 14 december 2005, dient uitleg plaats te vinden van hetgeen in dat vonnis is bepaald. Daarbij dient het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te worden genomen (HR 15 november 2002 JBPr 2003,7).

4.4. Naar het oordeel van het hof moet in het licht van het voorgaande, de conclusie zijn dat door [X.] c.s. slechts ten dele aan de voormelde veroordeling is voldaan.

Weliswaar is op last van [X.] c.s. op 9 januari 2006 een aannemer begonnen met de uitvoering van de werkzaamheden en is een deel van de werkzaamheden (het plaatsen van een nieuwe toiletvoorziening met aansluiting op de riolering en de vernieuwing van het keukenblok), ook daadwerkelijk uitgevoerd, maar op 17 januari 2006 zijn de werkzaamheden van de aannemer gestaakt op last van de gemeente omdat eerst een plan van aanpak diende te worden overgelegd en een bouwvergunning moest worden aangevraagd.

Tot op heden (in ieder geval tot de laatste akte van [X.] c.s. d.d. 7 november 2006) is een (deugdelijk) plan van aanpak echter niet gemaakt en is nog geen aanvraag voor een bouwvergunning ingediend.

4.5. Gelet op het feit dat de uit te voeren werkzaamheden aan de achterbouw ingrijpend zijn en mede gelet op de brief van de gemeente aan [X.] c.s. d.d. 1 november 2004 (als prod. 11 overgelegd bij de akte d.d. 7 november 2006) moet het voor [X.] c.s. duidelijk zijn geweest dat er een plan van aanpak aan de gemeente diende te worden overgelegd voordat met de werkzaamheden een aanvang kon worden gemaakt.

In ieder geval was dit voor [X.] c.s. duidelijk vanaf 17 januari 2006, na de inspectie door de gemeente. Naar het oordeel van het hof zijn [X.] c.s. vervolgens nalatig gebleven om met voortvarendheid de nodige stappen te zetten.

Weliswaar is door Ingenieursbureau [C.] B.V. in april 2006 een tekening bij de gemeente ingediend, gevolgd door een statische berekening in mei 2006, maar volgens de gemeente kunnen die stukken niet als een toereikend plan van aanpak worden aangemerkt. Dit wordt door [X.] c.s. zelf onderkend en zij hebben inmiddels een ander ingenieursbureau in de arm genomen.

4.6. Verhuurders hebben naar voren gebracht dat de termijn van vier weken die in het vonnis d.d. 14 december 2005 is genoemd, te kort was om eerst een plan van aanpak te maken en dat zij om die reden direct zijn begonnen met de daadwerkelijke bouwwerkzaamheden.

Naar het oordeel van het hof gaan [X.] c.s. hierbij uit van een onjuiste lezing van het vonnis van 14 december 2005. Ingevolge dat vonnis dienden [X.] c.s. binnen vier weken na betekening een aanvang te maken met "bouwkundige en andere werkzaamheden." Voor de hand ligt dat daaronder mede werkzaamheden zijn begrepen om te komen tot een plan van aanpak en de aanvraag van een bouwvergunning.

Bovendien had het op de weg van [X.] c.s. gelegen om, als de termijn van vier weken te kort zou zijn, tegen het vonnis d.d. 14 december 2005 te appelleren, dan wel op basis van artikel 611 d Rv opschorting van de dwangsommen te bewerkstelligen. [X.] c.s. hebben echter geen van deze wegen bewandeld.

4.7. Naar het oordeel van het hof mochten [X.] c.s. niet volstaan met het, binnen de termijn van vier weken, uitvoeren van een beperkt aantal werkzaamheden om vervolgens, na de interventie van de gemeente, de "boel op zijn beloop te laten." Doel en strekking van de veroordeling door de kantonrechter was immers dat [X.] c.s. met voortvarendheid het nodige zouden doen om de achterbouw weer geschikt te maken voor het gebruik door [Z.]. Die voortvarendheid is niet betracht.

4.8. De conclusie is dat [X.] c.s. slechts ten dele aan de veroordeling in het vonnis van 14 december 2005 hebben voldaan. Tevens volgt uit het hiervoor overwogene dat [X.] c.s. zich niet op overmacht kunnen beroepen.

Een en ander betekent dat de grieven 1 t/m 3 falen.

De voorzieningenrechter heeft de vordering van [X.] c.s. terecht afgewezen en [X.] c.s. terecht in de proceskosten veroordeeld, hetgeen betekent dat ook de vierde grief faalt.

4.9. Het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. [X.] c.s. dienen als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [X.] c.s. in de kosten van het hoger beroep en begroot die kosten aan de zijde van [Z.] tot op heden op € 296,- voor verschotten en op € 894,- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 6 maart 2007.