Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB0181

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-06-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
06/00070
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI1892, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BI1892
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het geschil komt derhalve neer op de beantwoording van de vraag of de bekendmaking van voormelde afschaffingswet op 23 december 2004 in het Staatsblad terugwerkende kracht heeft tot en met 27 augustus 2004, 17.00 uur, het tijdstip met ingang waarvan, aldus voormelde brief van de staatssecretaris, de Ministerraad had besloten de pc-privéregeling af te schaffen.

De inspecteur heeft primair gesteld dat, terwijl de inhoudingsplichtige op het moment van de inhouding weliswaar rekening heeft mogen houden met het op dat tijdstip ( nog ) geldende artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel p van de Wet, dit nog niet impliceert dat de rechtbank op het moment van het doen van haar uitspraak van 8 februari 2006 geen rekening had te houden met de hiervoor in 4.2. beschreven wetswijziging. Het hof leest deze stelling van de inspecteur aldus, dat de rechtbank, ingevolge de AWB als rechter belast met het geven van de beslissing op het beroep tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaar, had dienen te toetsen of de uitspraak op het bezwaar naar het tijdstip van het doen van die uitspraak al dan niet in strijd was met het op dat moment geldende recht. Het hof is van oordeel dat die stelling van de inspecteur doel treft.

Het hof stelt voorop, dat het in beginsel is toegestaan dat een wet in formele zin haar datum van inwerkingtreding kan bepalen op een tijdstip gelegen vóór dat van haar bekendmaking. Dit is niet anders indien het tijdvak van inhouding is gelegen tussen het moment van in werking treden en het moment van bekend maken van de wettelijke regeling. Gelet op de systematiek van de Wet waarbij voor de inhoudingsplichtige in een geval als het onderhavige de termijnen voor het doen van de aangifte zijn gesteld op een maand, zullen vaak een of meer aangiftetermijnen zijn verstreken tussen het tijdstip van de inwerkingtreding van de wettelijke regeling en dat van de bekendmaking in voormelde zin. Van belang is, of op het tijdstip van het doen van de uitspraak op het bezwaar door de inspecteur, de gronden van de beslissing worden geschraagd door de Wet. [..]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2007/20.11
V-N 2007/42.1.5
FutD 2007-1401 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Kenmerk: 06/00070

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel P (kantoor Z) van de rijksbelastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de schriftelijke uitspraak van de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) van 8 februari 2006, nummer AWB 05/00809 in het geding tussen

X te Y,

hierna: belanghebbende,

en de inspecteur,

betreffende de van belanghebbende ingehouden loonheffing over de tijdvakken november en december 2004.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Op het salaris over zowel de maand november 2004 als de maand december 2004 is door de inhoudingsplichtige van belanghebbende op een maandelijkse vergoeding van € 687,27 loonheffing ingehouden en op aangifte afgedragen. Tegen die ingehouden loonheffing is belanghebbende op respectievelijk 22 december 2004 en 29 december 2004 in bezwaar gekomen. Bij afzonderlijke uitspraken d.d. 1 februari 2005 op die bezwaarschriften is het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft de beroepschriften tegen de voormelde uitspraken op bezwaar gevoegd tot één beroepszaak. Bij schriftelijke uitspraak d.d. 8 februari 2006 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de teruggave gelast van

€ 420 aan ingehouden loonheffing en gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan belanghebbende het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 vergoedt.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de inspecteur hoger beroep ingesteld bij het hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 december 2006. Ter zitting is de inspecteur verschenen en gehoord. Belanghebbendes gemachtigde, de heer A van B te Y, is met schriftelijk bericht daaromtrent, bij brief d.d. 7 december 2006, niet verschenen.

1.5. Het hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Het hof verwijst voor de feiten naar de onderdelen 2.1 t/m 2.6 van de uitspraak van de Rechtbank. Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting van 14 december 2006 zijn geen andere feiten en omstandigheden komen vast te staan.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbendes werkgever terecht loonheffing heeft ingehouden op de IKAP-PC-vergoeding van € 682,27 in zowel november 2004 als december 2004. Belanghebbende is van oordeel dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord. De inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting zijn geen andere gronden aangevoerd.

3.3. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. De inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en bevestiging van de uitspraken op bezwaar.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat de brief waarmee de staatssecretaris van Financiën op 27 augustus 2004 aan de Tweede en Eerste Kamer bekend heeft gemaakt dat het Kabinet had besloten tot onmiddellijke afschaffing van de onbelastbaarheid van de vergoeding voor de aanschaf van een PC in de zin van artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel p van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet), op het moment dat er loonheffing diende te worden ingehouden, geen rechtskracht had maar slechts een beleidsvoornemen van het Kabinet aangaf. Het hof volgt die oordelen.

4.2. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat uit artikel 88 van de Grondwet voortvloeit dat een wet niet eerder in werking treedt dan nadat deze bekend is gemaakt, dat artikel 3 van de Bekendmakingswet bepaalt dat de bekendmaking van wetten geschiedt door plaatsing in het Staatsblad, dat als datum van bekendmaking geldt de dagtekening van het Staatsblad waarin de wet is geplaatst en dat, nu de afschaffingswet [artikel IV, onderdeel B van de Wet van 16 december 2004, houdende wijziging van belastingwetten in verband met noodzakelijk onderhoud (Fiscale onderhoudswet 2004, nr. 29 767)] inzake de in 4.1 vermelde bepaling op 23 december 2004 in het Staatsblad is gepubliceerd, de terugwerkende kracht voor de inhoudingsplichtige op zijn vroegst pas werking (met terugwerkende kracht) heeft voor inhoudingen die plaatsvonden vanaf 23 december 2004.

4.3. In verband met de omstandigheid dat de inhoudingstijdstippen met betrekking tot de maanden november 2004 en december 2004, 24 november 2004 respectievelijk 22 december 2004, beide lagen vóór 23 december 2004, heeft de rechtbank geoordeeld dat de inhoudingsplichtige ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het bestaan, op de inhoudingstijdstippen, van de in 4.3 vermelde, vervallen bepaling en heeft de rechtbank dienovereenkomstig beslist. Daartegen richt zich de eerste stelling van de inspecteur, luidende dat de rechtbank de nieuwe wettelijke regeling in zijn oordeel had moeten betrekken, aangezien op het moment van de uitspraak van de rechtbank de nieuwe wettelijke regeling inzake de onbelaste computervergoeding, met terugwerkende kracht naar 27 augustus 2004, geldend recht was.

4.4. Het geschil komt derhalve neer op de beantwoording van de vraag of de bekendmaking van voormelde afschaffingswet op 23 december 2004 in het Staatsblad terugwerkende kracht heeft tot en met 27 augustus 2004, 17.00 uur, het tijdstip met ingang waarvan, aldus voormelde brief van de staatssecretaris, de Ministerraad had besloten de pc-privéregeling af te schaffen.

4.5. De inspecteur heeft primair gesteld dat, terwijl de inhoudingsplichtige op het moment van de inhouding weliswaar rekening heeft mogen houden met het op dat tijdstip ( nog ) geldende artikel 11, lid 1, aanhef en onderdeel p van de Wet, dit nog niet impliceert dat de rechtbank op het moment van het doen van haar uitspraak van 8 februari 2006 geen rekening had te houden met de hiervoor in 4.2. beschreven wetswijziging.

Het hof leest deze stelling van de inspecteur aldus, dat de rechtbank, ingevolge de AWB als rechter belast met het geven van de beslissing op het beroep tegen de uitspraak van de inspecteur op het bezwaar, had dienen te toetsen of de uitspraak op het bezwaar naar het tijdstip van het doen van die uitspraak al dan niet in strijd was met het op dat moment geldende recht.

Het hof is van oordeel dat die stelling van de inspecteur doel treft.

4.6. Het hof stelt voorop, dat het in beginsel is toegestaan dat een wet in formele zin haar datum van inwerkingtreding kan bepalen op een tijdstip gelegen vóór dat van haar bekendmaking. Dit is niet anders indien het tijdvak van inhouding is gelegen tussen het moment van in werking treden en het moment van bekend maken van de wettelijke regeling.

Gelet op de systematiek van de Wet waarbij voor de inhoudingsplichtige in een geval als het onderhavige de termijnen voor het doen van de aangifte zijn gesteld op een maand, zullen vaak een of meer aangiftetermijnen zijn verstreken tussen het tijdstip van de inwerkingtreding van de wettelijke regeling en dat van de bekendmaking in

voormelde zin. Van belang is, of op het tijdstip van het doen van de uitspraak op het bezwaar door de inspecteur, de gronden van de beslissing worden geschraagd door de Wet.

Gelet op de datum van 5 februari 2005, op welke datum de bedoelde uitspraak op het bezwaar is gedaan, is daarvan zonder meer sprake.

4.7. Het hof verwerpt voorts de stelling van belanghebbende, dat de in geding zijnde terugwerkende kracht in strijd zou zijn met of niet verenigbaar zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, nu die terugwerkende kracht is neergelegd in de wettelijke regeling als bedoeld in 4.2 en 4.4. Bedoelde terugwerkende kracht heeft zich niet uitgestrekt tot enig moment voordat het voornemen tot wetswijziging bekend was gemaakt. Van strijdigheid met enige andere bepaling of beginsel van wet of verdrag of recht, is evenmin gebleken.

5. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en bevestigt de uitspraken van de inspecteur.

Aldus gedaan op 28 juni 2007

door J.W.J. Huige, voorzitter, T. Blokland en G.W.B. van Westen, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.