Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB0048

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-05-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
C200500609
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BH4062, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BH4062
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemer vordert na einde dienstverband betaling van niet genoten vakantie-, rust-, werkgelegenheids- en feestdagen.

Onvoldoende gemotiveerde weerlegging van de door werkgeefster overgelegde specificaties, zodat deze als uitgangpunt dienen. Uit die specificaties blijkt evenwel dat de rust-, en feestdagen waarop de werknemer recht had, niet in hele dagen zijn teruggegeven. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat werknemer alsnog betaling tegen 135% vordert, nu deze vrije halve dagen wel tegen 100% loon zijn betaald. Toekenning van de opslag van 35%. Enkele uit het overzicht van werkgeefster blijkende niet genoten vakantiedagen en werkgelegenheidsdagen dienen alsnog uitbetaald te worden.

Afwijzing eveneens op grond van art. 6; 248 BW van de vordering terzake fictieve wegens niet daadwerkelijk gereden ritten naar standplaats.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnr. C0500609/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF te 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 15 mei 2007,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 11 maart 2005,

procureur: mr. P.J.A.M. Baudoin,

tegen:

[Y.] TOURINGCAR EN REISBUREAU BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. M.J.G. Pennings,

in vervolg op het tussenarrest d.d. 12 september 2006 van dit hof op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom op 8 september 2004 en 15 december 2004 onder rolnummer 04-161 gewezen vonnissen tussen appellant – hierna: [X.] – als eiser en geïntimeerde – hierna: [Y.] – als gedaagde.

6. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep.

6.1. In het hiervoor genoemde tussenarrest heeft het hof:

[X.] verzocht een specificatie van zijn vordering te geven met inachtneming van de in dat arrest genomen beslissingen;

[Y.] verzocht zich uit te laten over het handhaven van een door haar geponeerde stelling;

partijen in overweging gegeven een schikking te treffen;

partijen verzocht zich uit te laten over een – onder voorwaarde - door het hof te gelasten deskundigenbericht en de aan de deskundige te stellen vragen.

6.2. Partijen hebben vervolgens ieder een akte en vervolgens ieder een antwoordakte genomen. [X.] heeft schriftelijk pleidooi verzocht nadat de rolraadsheer hem het nemen van nog een akte heeft ontzegd. Bij zijn pleitnota heeft hij een berekening overgelegd. [Y.] heeft eveneens een pleitnota overgelegd.

6.3. Partijen hebben opnieuw arrest verzocht en hun procesdossiers aan het hof overgelegd.

7. De verdere beoordeling van het geschil.

7.1. De door [Y.] gehanteerde tweede manier van tijd voor tijd regeling

7.1.1. [X.] heeft in zijn akte na het tussenarrest van 12 september 2006 vooral bezwaar gemaakt tegen het oordeel van het hof dat hij de stelling van [Y.], dat zij de “tweede manier” van tijd voor tijd regeling, met instemming van haar personeel al hanteerde vóórdat [X.] bij [Y.] in dienst trad, niet gemotiveerd had betwist. [X.] wijst erop dat hij onder 3.1.13 van zijn memorie van grieven heeft gesteld: “[X.] betwist het bestaan van collectieve dan wel individuele afspraken met het personeel over de tweede manier van teruggeven van tijd voor tijd. Het bestaan van een volledige tijd voor tijd regeling is ook niet door [Y.] aangetoond. Cao-partijen hebben eveneens geen instemming verleend.” Volgens [X.] is dit een voldoende betwisting, gelet op het feit dat de bewijslast in deze op [Y.] rust.

7.1.2. Het hof ziet in deze uiteenzetting geen aanleiding om terug te komen op zijn eerder oordeel hierover. Ook in zijn overweging 3.1.13 laat [X.] het bij een blote ontkenning, zonder enige nadere onderbouwing van de reden waarom getwijfeld zou moeten worden aan de stelling van [Y.] hieromtrent. Voor enige onderbouwing is des te meer reden omdat [Y.], zoals onbetwist door haar is gesteld, reeds ten tijde van de aanvang van het dienstverband met [X.] deze regeling in haar bedrijf toepaste.

7.1.3. [X.] stelt verder dat het [Y.] niet is toegestaan de tijd voor tijd regeling toe te passen, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij een inzichtelijke administratie voerde zoals omschreven in hoofdstuk II van bijlage 3 van de CAO.

7.1.4. [Y.] brengt hiertegen in dat haar administratie voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld in de CAO.

7.1.5. Het hof verwijst hier naar hetgeen het heeft overwogen onder 4.4.3 van zijn tussenarrest. In de CAO’s 2000, 2001 en 2002 wordt niet expliciet de voorwaarde gesteld dat de overzichten maandelijks aan de werknemers verstrekt dienen te worden. Evenmin volgt uit die CAO’s dat in het geval de voorwaarden niet strikt worden nageleefd of indien de overzichten niet binnen bekwame tijd aan de werknemers ter hand worden gesteld, de tijd voor tijd regeling achteraf geacht moet worden te zijn vervallen, zoals [X.] wil. Volgens de regeling uit hoofdstuk IV van bijlage 3 van de CAO’s die golden tot 11 oktober 2002, diende de werkgever tussen 1 januari en 30 april van enig jaar over het voorafgaande jaar verantwoording af te leggen aan zijn personeel (OR of kern van het personeel) over de wijze waarop hij de tijd voor tijd regeling heeft nageleefd. Blijkt dat een belangrijk deel van het personeel vindt dat de werkgever de tweede manier van tijd voor tijd niet naar behoren heeft toegepast, dan is de sanctie dat de ondernemer deze niet meer mag toepassen totdat de STO hiernaar een onderzoek heeft gepleegd. Vervolgens kan de STO dan bepalen dat de werkgever gedurende enige tijd geen gebruik mag maken van die regeling. In de CAO 2002-2003 is overgeschakeld naar een spaarurenregeling. De eenmaal tussen [X.] en [Y.] geldende tijd voor tijd regeling bleef ingevolge artikel 30 B lid 3 in stand voor de eerste driehonderd overuren. Ook onder deze CAO kan niet als sanctie voor het niet tijdig overleggen van de periodieke overzichten worden aangenomen, dat er tussen partijen een andere regeling geacht werd te gelden.

7.2. De al dan niet maandelijks verstrekte urenstaten

7.2.1. Met betrekking tot het verzoek van het hof aan [Y.] om duidelijkheid te verschaffen aangaande het al dan niet maandelijks verstrekken van de definitieve urenstaten voert [Y.] aan dat dit niet altijd mogelijk was, omdat de chauffeurs de tachograafschijven geregeld te laat inleverden. In ieder geval zijn volgens haar eind 2002 de urenstaten over 2002 in het kastje van [X.] gelegd. [Y.] vindt het tijdsbestek tussen eind 2002 en juni 2003, toen [X.] voor het eerst bezwaar maakte tegen de invulling van de urenstaten, te lang.

7.2.2. Gelet op de hiervoor vermelde uiteenzetting door [Y.] begrijpt het hof dat [Y.] haar stelling dat zij maandelijks de urenstaten aan [X.] verstrekte niet langer handhaaft. Het hof gaat daarom uit van de juistheid van de stelling van [X.], dat de urenstaten vanaf augustus 2001 en over het 2002 (memorie van grieven onder 3.2.3) pas na de sommatie d.d. 27 november 2002 aan hem zijn verstrekt. Wanneer de andere urenstaten aan [X.] zijn overhandigd blijft onduidelijk. Het hof is van oordeel dat ook als [X.], die stelt een en ander pas in februari 2003 te hebben ontvangen, deze stukken reeds eerder, namelijk in december 2002 zou hebben ontvangen zoals [Y.] stelt, het in juni 2003 door [X.] bezwaar maken tegen de inhoud ervan niet zo tardief is dat op dit punt aan [Y.] een beroep op artikel 6:89 BW toekomt. Dit verweer van [Y.] wordt verworpen.

7.3. De bij pleitnota door [X.] overgelegde specificaties en aanpassing van de berekening van zijn vordering

7.3.1. Het hof verwerpt het bezwaar van [Y.] tegen het feit dat [X.] pas als productie bij pleitnota een aanvullende specificatie van zijn vordering in het geding brengt. Aan [Y.] kan worden toegegeven dat dit in een erg laat stadium van deze procedure is gebeurd, waarbij [X.] ook nog – volgens [Y.] - deze bijlage niet binnen de daarvoor staande termijn aan [Y.] heeft toegezonden. Het hof laat de productie niettemin toe, omdat het van oordeel is dat [Y.] voldoende gelegenheid heeft gehad hierop te reageren. Zij kon immers volstaan met deze overzichten te toetsen aan haar eigen administratie. [Y.] is hierdoor niet in haar processuele belangen benadeeld. Het bezwaar dat [Y.] maakt wordt door het hof verworpen.

7.4. De reistijd vanuit de standplaats.

7.4.1. [X.] stelt bij pleidooi, dat hij thans in zijn berekening ervan uitgaat dat [vestigingsplaats] zijn standplaats is, zoals door het hof is beslist. Om die reden voegt hij aan zijn werktijd 30 minuten toe voor ieder enkele reis [vestigingsplaats] – [startplaats]. Hij start zijn route immers in [startplaats].

7.4.2. Het hof oordeelt dat [Y.] terecht hiertegen inbrengt dat [X.] de reis [vestigingsplaats] – [startplaats] niet daadwerkelijk aflegde, omdat hij vanuit zijn woonplaats [woonplaats] met de bus van [Y.] eenvoudig naar het vlakbij gelegen [startplaats] kon rijden. Het hof oordeelt het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [X.] jegens [Y.] aanspraak maakt op betaling van fictieve werktijd. De “extra uren” die [X.] in zijn berekening vanwege deze fictieve werktijd heeft opgenomen voor een aantal perioden in het jaar 2001 – worden dan ook buiten beschouwing gelaten.

7.5. Overzichten van [Y.] dienen als uitgangspunt.

Het hof constateert dat voor wat betreft het aantal gewerkte uren, de gegeven compensatie voor rust-, feest- en werkgelegenheidsdagen alsmede de administratie van de genoten vakantiedagen, de gedetailleerde overzichten van [Y.] nog steeds niet voldoende gemotiveerd weersproken worden door [X.]. [X.] vermeldt in zijn aanvullende bij pleidooi overgelegde specificaties slechts totalen per vierwekelijks of maandelijkse perioden en specificeert nog steeds niet op welke dagen de door hem gewerkte uren of genoten compensatie en vakantiedagen afwijken van hetgeen [Y.] precies heeft aangegeven in de bij conclusie van antwoord gevoegde producties. Het hof gaat er daarom van uit dat de overzichten van [Y.] het aantal gewerkte uren en de genoten vakantie-, compensatie- en werkgelegenheidsdagen correct weergeven. Dit leidt evenwel niet tot de conclusie dat de wijze waarop die dagen zijn teruggegeven aan [X.] correct is, zoals hierna zal blijken.

7.6. De administratie van de overuren

7.6.1. De conclusie uit de berekening van [X.] dat hij recht zou hebben op uitbetaling van 105,54 overuren over 2002 wordt verworpen, omdat het hof om de hiervoor onder overweging 7.5. vermelde redenen uitgaat van de door [Y.] geadministreerde uren. De volgens [X.] gemaakte overuren in 2003 worden om dezelfde reden niet gehonoreerd, waarbij het hof opmerkt dat deze laatste blijkens de berekening van [X.] bovendien hun grondslag vinden in het in rekening brengen van “extra uren” wegens de hiervoor besproken fictieve reistijd en reeds om die reden niet gehonoreerd worden.

7.6.2. [X.] stelt dat de minuren op 31 december van ieder jaar op nul dienen te worden gesteld en de overuren uitbetaald dienen te worden.

7.6.3. Het hof stelt vast dat dit blijkens de overzichten van [Y.] die betrekking hebben op periode 1 van 2001, 2002 en 2003 ook steeds is gebeurd. Aan het einde van periode 13 in 2001 was er sprake van een saldo van ruim 291 minuren en aan het einde van periode 13 in 2002 was het saldo ruim 129 minuren, terwijl de overzichten van periode 1 over 2002 en 2003 uitgaan van 0 minuren.

7.7. Rustdagen en feestdagen: compenseren met hele dagen

7.7.1. [X.] stelt dat [Y.] ten onrechte rustdagen aan hem heeft teruggeven in halve in plaats van hele compensatiedagen, zodat deze als niet teruggegeven moeten worden aangemerkt.

7.7.2. [Y.] stelt dat zij gerechtigd was om rustdagen in halve compensatiedagen aan [X.] terug te geven.

7.7.3. Het hof overweegt als volgt:

In de CAO 2000/2001 en in vergelijkbare bewoordingen van de CAO 2001-2002 die gold tot 11 oktober 2002 is bepaald:

“WERKTIJDEN EN ARBEIDSTIJDADMINISTRATIE

Artikel 18

Werkweek

Voor werknemers geldt een vijfdaagse werkweek, met een gemiddelde arbeidstijd van 40 uur. Voor elke kalenderweek dat het dienstverband voortduurt, ontstaat aanspraak op twee vrije dagen.

Artikel 19

Algemeen erkende Christelijke en Nationale feestdagen 1. Algemeen erkende Christelijke en Nationale feestdagen zijn:

– Nieuwjaarsdag,

– 2e Paasdag,

– Koninginnedag

– Hemelvaartsdag,

– 2e Pinksterdag,

– beide Kerstdagen;

– de dagen, op welke krachtens aanwijzing van de overheid extra vrijaf met behoud van loon mag worden verleend.

2. Aan de werknemer die op een feestdag, bedoeld in lid 1, niet op zaterdag of zondag vallende arbeid verricht dan wel de wekelijkse vrije dag geniet, wordt een vervangende vrije dag toegekend;

a. voor de vervangende vrije dag die voor een feestdag in de plaats treedt, worden 8 uren voor de loonberekening in aanmerking genomen;

b. de op de feestdag gewerkte uren worden bovendien voor de loonberekening in aanmerking genomen;

c. de vervangende vrije dag dient te worden genoten voor 30 april van het jaar volgend op het jaar waarin het recht is ontstaan.

(…)

Artikel 26

Tijd voor tijd regeling (voor rijdend personeel)

1. Indien in enige betalingsperiode van 4 weken of een maand minder dan de 8 resp. 8 2/3 vrije dagen, zoals bedoeld in artikel 18, zijn genoten, wordt per te weinig genoten vrije dag 8 uur arbeidstijd op de loonbetaling in mindering gebracht. Voor elke 8 uur arbeidstijd

wordt uiterlijk 30 april van het volgend jaar één betaalde vervangende vrije dag gegeven.

2. Voor elk arbeidsuur, dat per betalingsperiode van een maand boven de 173,3 uur, of per 4 weken boven de 160 uur uitgaat, wordt één uur betaalde vrije tijd (tijd voor tijd) vergoed.

(…)

8. Onder de strikte voorwaarden vastgelegd in bijlage 3 is het toegestaan af te wijken van het bepaalde in de leden 4 en 6 van dit artikel op de volgende wijze: Als aan het einde van een betalingsperiode het totale aantal gewerkte uren minder dan 173,3 respectievelijk 160 uren bedraagt, kan de werkgever de ontbrekende uren aanvullen met uren uit het tijd voor tijd saldo. Het is mogelijk dat nog geen tijd voor tijd was opgebouwd. In dat geval ontstaat er een negatief tijd voor tijd saldo (minuren).(…)

Voor de relevante inhoud van hoofdstuk II van bijlage 3 van de CAO’s geldend tot 11 oktober 2002 verwijst het hof naar zijn overweging 4.4.3. in zijn eerdergenoemd tussenarrest.

In hoofdstuk III van die CAO’s 2000-2001 en 2001-2002 is onder meer bepaald:

Onder tijd voor tijd wordt verstaan:

compensatie van niet genoten vrije dagen in het kader van de vijfdaagse werkweek (zie artikel 26 lid 1);

uren die per betalingsperiode uitgaan boven de 173 respectievelijk 160 uur en niet zijn uitbetaald (artikel 26 lid 2);

compensatie voor niet genoten feestdagen.

a. Compensatie niet genoten vrije dagen

Een deel van de tijd voor tijd wordt opgebouwd uit de niet genoten vrije dagen. Dat werkt als volgt. Per gewerkte week (art. 18) heeft een ieder recht op 2 onbetaalde vrije dagen. Deze kunnen op elke dag van de week vallen. Heeft men in een betalingsperiode van 4 weken geen 8 vrije dagen genoten (per maand 8 2/3) dan bestaat er aanleiding voor compensatie. Dat wil zeggen dat als uit de arbeidstijdregistratie blijkt dat er geen 8 maar 5 vrije dagen zijn geweest, er 3 dagen (x 8 uur) dienen te worden gereserveerd voor een later tijdstip. Dus op het moment dat een chauffeur van zijn saldo opgebouwde dagen er drie opneemt, dan worden 3 x 8 = 24 uur afgeschreven van het tijd voor tijd saldo. In het kader van de rijtijdenwet en de bescherming van werknemers is het van belang dat de compensatie vrije dagen tijdig in vrije tijd worden teruggegeven aan de werknemer.

b. (…)

c. Compensatie niet genoten feestdagen.

Indien de werknemer op een feestdag (niet vallende op een zaterdag of een zondag) werkt dan wel de wekelijkse vrije dag geniet krijgt hij de feestdag op een ander moment in betaalde vrije tijd vergoed. Dit betekent dat voor de niet genoten feestdag 1 x 8 uur dient te worden gereserveerd in het niet genoten vrije dagen saldo, voor gebruik op een later tijdstip. De op de feestdag gewerkte uren dienen in de urenadministratie opgenomen te worden.

In de CAO 2002/2003, geldend van 11 oktober 2002 tot en met 31 maart 2003 is het volgende bepaald:

“Artikel 19

Werkweek

(…)

Indien in enige betalingsperiode van 4 weken of een maand minder dan 8 resp. 8 2/3 rustdagen (…) zijn genoten, wordt per te weinig genoten rustdag 8 uur arbeidstijd op de loonbetaling in mindering gebracht. Voor elke 8 uur arbeidstijd wordt uiterlijk 30 april van het jaar volgend op het jaar waarin de arbeidstijd is opgebouwd, één betaalde vervangende rusdag (compensatierustdag) gegeven.

(…)

(…)

Compensatierustdagen moeten met voorrang op vakantiedagen of de overige componenten van de tijd voor tijd respectievelijk spaaruren worden teruggegeven.”

In de toelichting onder I op bijlage 12 (het administratieformulier) bij de CAO 2002-2003 is bepaald:

“ In de laatste kolom onder H dient aangegeven te worden, als er niet of slechts een halve dag gewerkt is, wat de reden daarvan is. Er zijn verschillende lettercodes mogelijk:

C= compensatierustdag. Als in het verleden in enige maand te weinig rustdagen genoten zijn en er wordt een niet genoten rustdag gecompenseerd, moet een c ingevuld worden in de laatste kolom en onder kolom B 8 uur worden ingevuld (Bij een halve compensatie rustdag 4 uur).

(…)

Het is mogelijk om compensatiedagen, compensatie feestdagen, tijd voor tijd dagen / spaar-uurdagen en vakantiedagen in halve dagen op te nemen. Wordt in een halve dag vrijaf gegeven, dan dient in de laatste kolom een 1/2c, ½ g, ½ t of een 1/2v ingevuld te worden, afhankelijk van het soort dag dat het betreft.

Het is niet mogelijk om halve rustdagen, halve werkgelegenheidsdagen, of halve feestdagen terug te geven aan de chauffeur!!

(…)”

Het hof is van oordeel dat uit deze bepalingen volgt dat volgens al deze CAO’s de compensatiedagen voor rustdagen, werkgelegenheidsdagen en feestdagen in hele dagen dienen te worden teruggegeven aan de werknemer, tenzij deze anders wenst. Uit de overzichten van [Y.] blijkt dat de compensatiedagen allemaal, doch ten onrechte in halve dagen zijn teruggegeven. Het hof stelt vast dat ook de feestdagen steeds in halve dagen zijn teruggegeven.

7.8. Berekening vergoeding compensatiedagen

7.8.1. [X.] stelt nu dat die in halve dagen teruggegeven compensatiedagen mitsdien hebben te gelden als zijnde niet genoten, en derhalve dienen te worden uitbetaald tegen 135%.

7.8.2. Het hof stelt vast dat deze dagen feitelijk reeds tegen 100% van het uurloon zijn uitbetaald, nu zij steeds zijn gebruikt als aanvulling op halve dagen werk. Het hof moet wel constateren, dat het [Y.] tijdens zijn dienstverband niet kan zijn ontgaan, dat de niet genoten rustdagen niet in hele dagen aan hem werden teruggegeven, maar in halve dagen. Daaraan doet niet af dat hij de overzichten pas begin 2003 zou hebben ontvangen. [X.] heeft hiertegen pas in juni 2003 bezwaar gemaakt. Onder deze omstandigheden oordeelt het hof het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [Y.] thans alsnog aanspraak maakt op betaling van deze dagen tegen 135%. Wel is het hof van oordeel dat aan [X.] een vergoeding toekomt van 135% - 100% (reeds ontvangen vergoeding) ter zake niet in hele compensatiedagen genoten rust- en feestdagen. Het hof gaat er in zijn berekening niet van uit dat die compensatiedagen als eerste op de vakantietegoeden moeten worden afgeboekt, aangezien [Y.] dat niet heeft gedaan, [Y.] ten behoeve van de vakanties van [X.] steeds diens vakantiedagen heeft ingezet en die compensatiedagen wel tegen 100% zijn betaald. Het hof neemt in zijn berekening de door [X.] genoemde uurlonen over, aangezien deze in overeenstemming zijn met de CAO’s.

Over het jaar 2001 betekent dit: 37 in halve dagen teruggegeven rustdagen en drie idem dito feestdagen. Aan [X.] dient mitsdien vergoed te worden: 40 dagen x 8 uur x 35% x € 11,21 x 40 = € 1.255,52. De wettelijke rente wordt hierover toegekend vanaf 30 april 2002.

Over 2002 zijn dit volgens het overzicht van [X.] 37 compensatie dagen (het hof neemt hier de dagen over de periode 1 januari 2002 tot 30 april 2002 mee) en 3 feestdagen, derhalve eveneens 40 in totaal:

40 dagen x 8 uur x 35% x € 11,55 = € 1.293,60.

De wettelijke rente wordt toegekend vanaf 30 april 2003.

Over 2003:

11 dagen x 8 uur x 35% x € 11,55 = € 355,74. De wettelijke rente hierover wordt toegekend vanaf 1 juni 2003 (einde dienstverband).

7.9 De werkgelegenheidsdagen

7.9.1. [X.] gaat in zijn berekening ervan uit dat er over de jaren 2001 – 2003 negen werkgelegenheidsdagen niet of slechts in halve dagen (die volgens hem niet tellen) zouden zijn genoten.

7.9.2. Volgens de overzichten van [Y.] had [X.] jaarlijks recht op vijf werkgelegenheidsdagen.

7.9.3. Het hof stelt vast dat volgens de door het hof als zijnde juist gehanteerde overzichten van [Y.] (zie de overwegingen onder 7.5), in 2001:

in augustus drie (volgens [Y.] twee) volle werkgelegenheidsdagen zijn genoten, op 1 oktober 2001: één en op 7 en 8 november: twee. Het saldo over 2001 is derhalve nul. Over 2002:

zijn op 29 mei en 16 september één werkgelegenheidsdag genoten. Het saldo van 3 is overgeboekt naar 2003. [Y.] heeft in 2003 slechts tot 1 juni gewerkt. Aldus had hij in 2003 recht op 5/12 x 5 = 2,08 werkgelegenheidsdag plus het saldo over 2002, derhalve 5 in totaal. Er zijn in 2003 twee werkgelegenheidsdagen afgeboekt tijdens ziekte van [Y.], op 17 en 24 maart 2003 en twee in een periode dat [X.] niet heeft gewerkt, 6 en 29 april 2003. Nu niet gesteld is door [Y.] dat het hier om vooraf vastgestelde werkgelegenheidsdagen gaat, zoals bedoeld in bijlage 12 CAO 2002/2003, gaat het hof daarvan niet uit. [X.] heeft mitsdien nog recht op betaling van het saldo op 1 juni 2003 van 5 dagen.

Dit is 5 dagen x 8 uur x 135% x € 11,55 = € 623,70.

De wettelijke rente hierover wordt toegewezen vanaf 1 juni 2003.

7.10. Vakantiedagen

In de schema’s van [Y.] zijn de vakantiedagen als volgt geadministreerd:

2001: 26 dagen tegoed.

Genoten:

- van 7 tot en met 22 mei: 12 dagen (perioden 5 en 6)

- op 2 en 3 augustus: 2 dagen

- van 17 september tot 2 oktober 2001: 10,5

- op 26 oktober: ½ dag

- op 9 november 2001: 1 dag.

Saldo 2001: 0

2002: 26 dagen tegoed

Genoten:

11-13 februari 2,5 dagen ([Y.] heeft slechts ½ dag afgeboekt)

30-31 mei: 2 dagen

3-11 juni: 7 dagen

17 september – 8 oktober: 16 dagen (perioden 9 en 10)

19 december: ½ dag.

Saldo 2002: 0

2003:

Tegoed berekend tot 1 juni: 26 dagen x 5/12 = 11 dagen

Genoten:

19–31 mei: 8,5 dagen.

Resteert te betalen: 2,5 dagen.

Toegewezen wordt:

2,5 dagen x 8 uur x € 11,55 = € 231,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2003.

Het hof stelt vast dat [X.] in de door hem zelf opgestelde overzichten die bij conclusie van repliek zijn overgelegd, ervan uitgaat dat het merendeel van zijn vakanties is ingevuld met compensatiedagen voor rustdagen, zoals hij ook in zijn grief 6 aangeeft. Per saldo levert dit een hoger aantal niet genoten vakantiedagen op aan het einde van de dienstbetrekking. Daarbij gaat [X.] er echter aan voorbij, dat de compensatiedagen in het overzicht van [Y.], weliswaar ten onrechte zijn teruggegeven als halve dagen, maar anderzijds wel in de loonberekening zijn opgenomen en betaald tegen 100%. Voorts wordt thans, zoals hiervoor onder 7.8 is overwogen nog 35% daarover aan [X.] vergoed. Grief VI faalt daarom eveneens.

7.11. De onregelmatigheidstoeslag (ORT)

Onder verwijzing naar zijn overwegingen onder 4.5 van het tussenarrest stelt het hof vast dat [Y.] geen specifiek bewijs heeft aangeboden omtrent de juistheid van de door haar berekende onregelmatigheidstoeslag. De vordering van [X.] ad € 113,53 ter zake ORT wordt toegewezen.

7.12. Een deskundigenbericht door STO is niet meer nodig.

7.13. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn door [X.] onvoldoende onderbouwd. Deze vordering wordt afgewezen.

7.14. Uit het bovenstaande volgt, dat de vonnissen waarvan beroep niet in stand kunnen blijven. Aangezien partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld zal het hof de proceskosten tussen hen aldus compenseren, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

8. De uitspraak:

Het hof:

vernietigt de vonnissen waarvan beroep en, opnieuw recht doende:

veroordeelt [Y.] tot betaling aan [X.] van de navolgende geldbedragen:

- € 1.255,52 terzake de opslag van 35% voor compensatie- en feestdagen over 2001, vermeerderd met 8% vakantiebijslag hierover en met de wettelijke rente over het totaal vanaf 30 april 2002 tot aan de dag der voldoening;

- € 1.293,60 terzake de opslag van 35% van compensatie- en feestdagen over 2002, vermeerderd met 8% vakantiebijslag hierover en met de wettelijke rente over het totaal vanaf 30 april 2003 tot aan de dag der voldoening;

- € 355,74 terzake de opslag van 35% van compensatie- en feestdagen over 2003 vermeerderd met 8% vakantiebijslag hierover en met de wettelijke rente over het totaal vanaf 1 juni 2003 tot aan de dag der voldoening;

- € 623,70 ter zake niet genoten werkgelegenheidsdagen en € 231,- ter zake niet genoten vakantiedagen; beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2003 tot aan de dag der voldoening;

- € 113,53 ter zake onregelmatigheidstoeslag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 30 juni 2003 tot aan de dag der voldoening;

- de wettelijke verhoging van 50% over de hiervoor genoemde bedragen en de vakantiebijslag;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

wijst af het meer of anders gevorderde;

Dit arrest is gewezen door mrs. Waaijers, Spoor en Walsteijn en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 15 mei 2007.