Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2007:BB0040

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-05-2007
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
C200600725
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurachterstand opgelopen tijdens de WSNP rechtvaardigt de ontbinding.

Toerekenbaar of verwijtbaarheid wordt niet vereist door art. 6:265 BW.

Bewindvoerder hoeft niet te worden (mee-)gedagvaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2008, 24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnr. C0600725/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

zevende kamer, van 8 mei 2007,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 24 mei 2006,

verder te noemen: huurster,

procureur: mr. F.L.L. Vermeeren,

tegen:

de stichting WONINGSTICHTING SINT SERVATIUS,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

verder te noemen: verhuurster,

procureur: mr. J.M.G.A. Sengers,

op het hoger beroep van het onder zaaknummer 211228 CV EXPL 05-4174 door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, gewezen vonnis van 19 april 2006 tussen verhuurster als eiseres en huurster als gedaagde.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft huurster 3 grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van verhuurster.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft verhuurster de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven en de toelichting daarop verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. Huurster huurt van verhuurster de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Huurster had ten tijde van de inleidende dagvaarding (20 december 2005) een achterstand in de betaling van de huur van ruim drie maanden. De huur over de maanden januari en februari 2006 is ook onbetaald gelaten. Deze huurachterstanden zijn in hoger beroep niet in geschil. Over betalingen nadien in mindering hierop, hebben partijen zich niet uitgelaten. De kantonrechter heeft de huurovereenkomst ontbonden en de ontruiming gelast.

4.1.2. Huurster is bij vonnis van de rechtbank Maastricht van 3 november 2004 (R04/294) toegelaten tot de WSNP. De huurschuld is tijdens de looptijd daarvan ontstaan.

4.2. Grief 1

4.2.1. Huurster voert eerst aan dat de kantonrechter heeft miskend dat ten aanzien van het onbetaald laten van de huur geen sprake is geweest van enige verwijtbaarheid of nalatigheid aan haar zijde. Het hof verwerpt deze stelling. Ingevolge artikel 6:265 BW bestaat de bevoegdheid om een overeenkomst te ontbinden als sprake is van een tekortkoming. Niet vereist wordt dat het gaat om een verwijtbare of toerekenbare tekortkoming. Overigens valt huurster wel degelijk een verwijt te maken, en de kantonrechter heeft dat ook gedaan, namelijk dat huurster de verschuldigde huurpenningen niet heeft voldaan.

4.2.2. Huurster voert dan aan dat zij, als gevolg van de toelating tot de WSNP ingevolge artikel 296 Fw beschikkings- onbevoegd is geworden om feitelijke financiële handelingen te verrichten. Dit standpunt is onjuist. De huurster is wel degelijk bevoegd huur te betalen. Dit volgt uit artikel 297 Fw i.v.m. art. 299 Fw. en uit de regeling van het aan de schuldenaar vrij te laten bedrag dat er toe dient hem of haar in staat te stellen aan lopende verplichtingen als huurbetalen te voldoen. Gesteld noch gebleken is dat de bewindvoerder of de rechter-commissaris huurster verboden hebben uit het vrij te laten bedrag de huur te voldoen. De verhuurster is dan bevoegd de huurovereenkomst te doen eindigen, artikel 305 Fw.

4.2.3. Ook de omstandigheid dat huurster begeleid wordt door financieel budgetbeheer van de Kredietbank Limburg kan haar niet baten. Zij kan deze omstandigheid, als haar alleen in privé aangaande, niet aan verhuurster tegenwerpen. Die omstandigheid bevrijdt haar ook niet uit de verplichting tot het tijdig betaling van de verschuldigde huur. Daaraan doet niet af dat huurster, zoals zij stelt, niet bekend was met het bestaan van achterstand.

4.2.4. Huurster voert ter verontschuldiging aan dat haar de achterstand in de schuld niet bekend was, zulks in verband met de postblokkade en het feit dat de bewindvoerder haar niet op de hoogte had gesteld. Het hof verwerpt ook dit betoog. Huurster kan zich niet beroepen op onwetendheid. Het is haar eigen verantwoordelijk om zorg te dragen voor betaling van de huur en, wanneer zij de betaling aan een derde overlaat, zich ervan te vergewissen dat die derde zich van zijn verplichtingen toereikend kwijt.

4.2.5. Ook voert huurster aan dat het tot de taak van de bewindvoerder behoort om toezicht te houden op het financieel beheer door en vanwege huurster. Ook deze stelling is onjuist. Het is huurster’s eigen verantwoordelijkheid om tijdig uit het vrij te laten bedrag de huur te betalen of te laten betalen. Zij kan zich ter afwering van de vordering van verhuurster daarom niet verschuilen achter de handelwijze van de bewindvoerder. Zulks volgt ook uit het doel van de WSNP, namelijk om de sursiet te laten aantonen dat zij zelfstandig in staat is gedurende drie jaren een eigen verantwoord financieel beheer te voeren.

4.2.6. Dan voert huurster aan dat haar uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand op enig moment stop is gezet. Ook dit feit kan haar niet baten omdat zulks in haar eigen risicosfeer valt en haar niet kan disculperen jegens verhuurster.

4.2.7. Naar het hof begrijpt keert de grief zich mede tegen het oordeel van de kantonrechter dat het tekortschieten zodanig ernstig is dat van verhuurster niet langer kan worden gevergd de huurovereenkomst voort te zetten, waarin kennelijk besloten ligt het oordeel dat zich niet de situatie voordoet dat, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Volgens huurster is er wel degelijk sprake van een bijzondere aard, die dan moet worden gezocht in de relatie van huurster tot de bewindvoerder en budgetbeheer. Naar het oordeel van het hof is evenwel het onbetaald laten van meer dan 5 huurtermijnen voldoende ernstig om de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen te rechtvaardigen. Daarbij neemt het hof mede in overweging dat de achterstand in de betaling van de huur ná de inleidende dagvaarding verder is opgelopen terwijl het op de weg van huurster had gelegen om, in samenspraak met de bewindvoerder en budgetbeheer, tot betaling te geraken.

4.3. Grief 2

4.3.1. Huurster stelt zich in deze grief op het standpunt dat de bewindvoerder mee gedagvaard had moeten worden en dat het exploot van dagvaarding aan de bewindvoerder betekend had dienen te worden op de voet van artikel 327 jo 99 lid 2 Fw. Laatstgenoemde bepaling luidt: ‘(…) exploiten, (…) betreffende de boedel geschieden door en aan de curator’. Gesteld wordt dat de rechtbank ten onrechte geen consequenties heeft verbonden aan het niet dagvaarden van de bewindvoerder. De rechtbank had de bewindvoerder moeten oproepen.

4.3.2. Het hof verwerpt dit betoog voor zover daarin wordt betoogd dat de bewindvoerder als medegedaagde gedagvaard had moeten worden. Zodanige verplichting bestaat niet voor verhuurster. De consequentie voor verhuurster is wel dat een vonnis de boedel niet zal raken (indien in dit geval mogelijk gelet op art. 299 Fw), maar dat was kennelijk ook niet de bedoeling van verhuurster.

4.3.3. Het hof verwerpt ook het betoog voor zover dat berust op de stelling dat de dagvaarding aan de bewindvoerder betekend had moeten worden. Zo al in het onderhavige geval het exploot van dagvaarding mede aan de bewindvoerder had dienen te worden betekend (de vordering raakt immers niet de boedel), dan heeft het verzuim daarvan niet de gevolgen die huurster daaraan verbindt. Het is de taak en plicht van een saniet om de bewindvoerder over de procedure in te lichten, ongeacht of het exploot aan de bewindvoerder werd betekend. Huurster komt dan geen beroep toe op het ontbreken van die betekening. Daarbij komt dat het ontbreken van zodanige betekening aan de bewindvoerder geen consequenties voor de beslissing tussen huurster en verhuurster, in het bijzonder kan dit ontbreken niet leiden tot niet-ontvankelijk verklaring of afwijzing van de vorderingen.

4.4. Grief 3

4.4.1. In grief 3 beklaagt huurster zich erover dat in de procedure in eerste aanleg geen comparitie van partijen is gehouden (er is wel gerepliceerd en gedupliceerd). Bij deze grief heeft huurster geen belang omdat, zelfs als een comparitie gehouden had moeten worden, dit niet kan leiden tot een andere beslissing. Het hof kan de zaak bovendien niet terugverwijzen teneinde alsnog een comparitie te doen houden. De klacht is bovendien ongegrond. De kantonrechter was niet verplicht een comparitie van partijen te houden. Het gelasten daarvan betreft een discretionaire bevoegdheid.

4.5. De conclusie is dat de grieven falen. Huurster zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden verwezen.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt huurster in de kosten van deze procedure in hoger beroep aan de zijde van verhuurster gevallen, tot op heden begroot op € 248,- voor vast recht en op € 894,- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 8 mei 2007.